ONESIMUS, DE WEGGELOPEN SLAAF
DE WEGGELOPEN SLAAF Door de drukke straten' van Rome loopt een jonge man. Zijn bewegingen zijn gehaast, zijn ogen dwalen wat onrustig rond. Hij is kennelijk niet op zijn gemak. Hij is zeker nog nooit in zo'n grote stacl geweest. Misschien komt hij uit een klein dorpje en is nu wat beduusd door de drukte om hem heen. Of zou hij wat te verbergen hebben? Heeft hij misschien iets gedaan wat verkeerd, wat verboden is? Schrok hij wellicht daarom zo van die beide gerechtsdienaars, die hem daarnet tegemoet kwamen?
Op een groot vierkant plein staan talloze stalletjes en kraampjes. Kooplui proberen elkaar te overschreeuwen en prijzen hun waren aan, als zijnde de allerbeste. Bij één van die stalletjes is het bijzonder druk. De mensen dringen en duwen om vooraan te komen. Met brede gebaren en schreeuwende stem verkondigt de koopman, dat je bij hem moet zijn om veel geld te verdienen. Zijn schelle stem klinkt boven alle andere geluiden uit.
„Geef hier uw geld in bewaring en ge zult het vijfdubbel terugverdienen", roept hij. Komende weken zullen er wedrennen gehouden worden ter ere van 's keizers verjaardag. En nu weet de slimme koopman precies wis de winnaar zal worden.
„Geeft hier uw naam op en het bedrag, dat ge wenst te besteden om te wedden op die paarden en wagenmenner, die het eerste zullen zijn". Met grote overtuiging vertelt hij de omstanders, dat de ruiter in de lichtgroene tunica, die de slanke, koolzwarte Arabische paarden mer.'t, zeker zal winnen.
De mensen dringen naar voren. De geldkoorts heeft hen te pakken en ze haasten zich om hun naam op te geven. De gladde koopman komt handen te kort om naam en bedrag te noteren op het schrijftafeltje, dat hij bij zich heeft.
Wie zou er letten op die jonge man, die haastig het plein oversteekt? Immers niemand.
Wie zou hij eigenlijk zijn? Hoe zou hij heten?
In Kolosse, een stand in Klein-Azië, staat een groot huis. Je kunt wel zien dat daar een aanzienlijk man woont. Op de grote binnenplaats is een prachtige fontein, de ruime kamers zijn rijk gemeubileerd. En de vele slaven, die er rond lopen, getuigen van de rijkdom van cle eigenaar. Zouden de slaven, net als bij alle andere rijke mannen, hier ook slecht behandeld worden? Zou hun meester ze slaan? Zou hij net deen, alsof het leven van een slaaf niets waard is?
O, als je in die tijd een slaaf was had je meestal een vreselijk leven. Je meester mocht immers doen met zijn slaven, wat hij wilde! Ze hadden nergens recht op. Wie zou er wonen in dat mooie huis? Hoe zou hij heten?
Tussen het vaste land van Italië en het eiland Sicilië vaart een schip. Het is geheel van hout en heeft één groot vierkant zeil, dat bij stormweer vervangen wordt door een kleiner zeil, dat veel sterker is. Het schip heeft verschillende ankers aan de vooren achterkant en twee roeren. Een groot oog is aan weerskanten geschilderd. Zo lijkt het schip net een griezelig zeemonster. Vooraan zijn de beschermgoden van de scheepvaart afgebeeld: Castor en Pollux.
De zuidenwind duwt het schip stilletjes naar het noorden. Naar de baai van Napels, een inham van de Tyrreense Zee. Aan die baai ligt Putéoli, waar heel wat mensen van boord gaan om te voet verder te reizen naar Rome. Het schip zelf, vaart door naar Ostie, de haven van Rome, cm daar zijn lading te lossen.
Tussen de passagiers, die in Putéoli aan land gaan, bevinden zich heel wat soldaten. Ze zijn boodschappers — koeriers — van de Romeinse keizer. Hun hoofdman heet Julius. Tussen hen in lopen gevangenen, de handen geboeid op de rug. Julius en zijn politiesoldaten weten, dat de dood hen wacht, als ze één van deze misdadigers zullen laten ontsnappen. Daarom bewaken ze hen zorgvuldig.
Wat apart, omringd door een groepje mensen', loopt een kleine man. Hij is ook een gevangene! Maar, waarom loopt hij dan niet tussen twee soldaten? Waarom is het net alsof ze niet op hem letten? Zou hij niet zo'n groot misdadiger zijn als die anderen? Zou het niet erg zijn, als hij ontsnapt?
Wie zou die kleine man zijn?
feïoe zou hij heten?
Ja, wie zouden ze toch zijn, die jonge, die rijke en die kleine man? Zouden ze zomaar toevallig in één verhaal genoemd worden? Horen ze soms bij elkaar?
(Wie zouden het zijn?
Hoe zouden ze heten?
In het huis van Kolosse is een heel gezelschap bijeen. Allen luisteren naar een man, die met rustige stem iets voorleest uit een rol papier, uit een boekrol. „O, alle gij dorstigen, komt tot de wateren", klinkt het door de ruime kamer. Er is grote aandacht en als de man de boekrol weglegt en over het gelezene gaat spreken, als hij gaat vertellen Wie deze woorden sprak en voor wie ze zijn opgetekend, wordt het nog stiller. De mensen schuiven wat naar voren, om toch geen' woord te missen. Iedereen luistert. Iedereen? Neen, daar zit een jonge man, die beslist niet luistert. Hij verveelt zich. Zijn aandacht was al gauw afgeleid. Wat is alles toch veranderd in het huis van zijn meester. Er komen heel andere mensen cp bezoek, dan vroeger. Nooit worden er meer van die grote, vrolijke feesten gehouden.
En dat is allemaal gekomen door clie kleine man, die prediker in Lacdicea. Hoe zijn meester hem ontmoet had, weet hij niet, maar sindsdien is alles anders geworden. Als die kleine man, Paulus heet hij, in Laodicea is, gaat zijn meester er altijd heen. Allen in huis, die geen dienst hebben, moeten dan mee. In 't begin vond hij het wel aardig. Hij houdt wel van wat nieuws, maar hij begreep niet veel van wat Paulus vertelde. Hij hoorde eigenlijk maar één woord. Een woord, wat Paulus veel gebruikte: „Vrijheid".
Ja, dat leek hem wel. Vrij zijn. Eigen baas. Niet meer gecommandeerd worden. Geen slaaf meer te zijn. Niet behandeld te worden, alsof je niets waard bent. En langzamerhand is hij erover gaan denken, hoe het zou zijn, om zonder meester te zijn, om je helemaal vrij te kunnen bewegen, om te gaan en te staan waar je zelf wilt. Het woord vrijheid was nooit meer uit zijn gedachten.
Zijn meester Filémon is veranderd, sinds Paulus is gekomen. De slaven, van wie hij, Onesimus er ook één van is, hadden een draaglijker leven gekregen. Hun meester zorgde veel beter voor hen en behandelde hen niet meer zoals de gewoonte was onder de rijke heren, die een grote slavenstoet hielden. Wat dachten die rijken immers? Een slaaf is een slaaf. Die kun je kopen op de slavenmarkt. En wat je gekocht hebt, is je eigendom. Daar kun je mee doen, wat je wilt. En als Onesimus schrikt op. Ze gaan danken. Haastig sluit hij de ogen. Hij hoort amper, wat Filémon, zijn meester zegt. Vrij, wat zou hij graag vrij zijn. Arme Onesimus, hij begrijpt niet, dat de vrijheid, die hij wil, geen echte vrijheid is.
Door de drukke straten van Rome marcheert een groep soldaten. Tussen hen in lopen gevangenen, de handen geboeid op de rug. De soldaten hebben geen aandacht voor het gewoel om hen heen. Als er een misdadiger zou ontsnappen dan Hun hoofdman, Julius heet hij, neemt geen enkel risico. Zijn scherpe blik ontgaat niets, zijn ogen glijden voortdurend over de soldaten en gevangenen heen. Als er maar één zou ontsnappen dan......
Naast hem, omringd door enige mensen, loopt een kleine man. Hij is ook een gevangene. Maar Julius bewaakt hem niet streng. Dat is niet nodig, weet de hoofdman. Deze gevangene heeft geen kwaad gedaan. Deze man, Paulus heet hij, zal niet ontsnappen, daar durft Julius een eed op te doen. Even' gaan zijn gedachten terug naar de wonderlijke reis, clie ze achter de rug hebben. Hij had niet gedacht, dat ze Rome ooit zouden bereiken. Die vreselijke schipbreuk, dat verblijf op het eiland Malta. Wat gelukkig, dat er net een korenschip uit Alexandrië overwinterde, dat was wel heel toevallig. Of toevallig? Zijn blik glijdt over Paulus heen. Die man lcopt daar zo rustig. „Er is geen toeval, God bestuurt alles". Ja deze reis heeft hij wel geleerd, dat cle God van Paulus boven alle andere goden staat. Als hij nog aan die adder denkt waar Paulus door gebeten werd en aan de doodzieke vader van Publius en aan al clie zieke mensen op het eiland. Paulus had niets geen last van die vergiftige beet gehad en de zieke mensen werden allen genezen.
O nee, hij behoeft die kleine man niet scherp te bewaken. Paulus zal niet proberen om te ontsnappen. Je kunt hem vertrouwen op zijn woord.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 augustus 1972
Daniel | 20 Pagina's