jeugdfontein
In dit en het volgende nummer wordt onze rubriek verzorgd door de K.V. , , Immanuëi" te Hendrik Ido Ambacht. We vinden het bijzonder fijn dat we twee jongelui van deze vereniging aan het woord kunnen laten. De onderwerpen zullen jullie zeker boeien. Dit keer geven we het woord aan Bernharcl Munter. Hij vertelt ons iets over een figuur uit de kerkgeschiedenis.
JUSTINUS DE MARTELAAR
Justinus werd geboren in het hartje van Palestina, in het oude Sichem, dat toen Flavia Neapolis heette. We zouden daaruit allicht afleiden dat hij een Jood was. Dat was echter niet het geval. Zijn vader en moeder behoorden tot een Romeinse kolonie. De inwoners van dat stadje waren dus heidenen.
Het lag voor de hand dat Justinus door zijn ouders in de heidense leer werd opgevoed. Zoals Mozes werd onderwezen in de wetenschap der Egyptenaren, zo kreeg Justinus in zijn jeugd onderricht in de wetenschap der Grieken en Romeinen. Dat was aan hem besteed! Justinus had een sterk geheugen en een scherp verstand. Bovendien — misschien is dat wel het voornaamste — had hij een grote begeerte om zijn kennis uit te breiden. Hij kon het de schrijver van het boek Prediker nazeggen: „Mijn hart heeft veel wijsheden en wetenschap gezien".
Hij bestudeerde de stelsels van de Grieken en van de Romeinse wijsgeren. Hij 'legde zich toe op de muziek en op verschillende andere wetenschappen die in die tijd beoefend werden. Maar het ging hem als Salomo. Voldoening gaf die kennis hem niet., Hij vond er niet de rust, die hij zocht. Dat maakte hem op jeugdige leeftijd al ernstig en somber. Hij klaagde zijn zielenood aan een geleerd man, die hem de raad gaf de eenzaamheid te zoeken in de stille rust van de natuur. „In de eenzaamheid moet ge u overgeven aan uw overpeinzingen. Dan zult ge stellig antwoord vinden op de vragen, die uw geest in beslag nemen. Die raad volgde hij op. Zo wandelde hij eens langs het strand. Hij hoorde het eentonig gebruis van de golven en keek naar de verre horizon, een oneindigheid van water. Wie was de schepper van die onmeetbare watervlakte? Wie was de God der zee? Of was die een werktuig in de hand van een machtiger wezen en zo ja, wie was dan dat wezen?
Velen van de wijsgeren, wier stelsels hij bestudeerd had, spraken niet over die vraag. Anderen wezen op de heidense goden of godinnen. Een hunner — dat was de diepzinnigste — was tot de slotsom gekomen dat er één God moest zijn, de Schepper van hemel en aarde. Wie had
gelijk? Zo peinzende ontmoette hij een oude man, eeri grijsaard. Hij raakte met hem in gesprek. Vreemd, die man boezemde hem vertrouwen in.
Het was alsof deze zijn gedachten geraden had. Spoedig waren ze in een vertrouwelijk onderhoud geraakt en Justinus klaagde hem zijn onrust en zijn onbevredigd zijn over de wijsheid, die hij vergaderd had.
Belangstellend hoorde de grijsaard hem aan. Toen zei hij: „Hebt ge ook al kennis genomen van de leer van Jezus van Nazareth, van de geschriften van zijn leerlingen, de apostelen? Dat had Justinus niet. „Welnu, dan, lees die dan", zei de oude man. „En voor alles moet ge bidden of Hij de poorten van het Licht voor u openen wil en of Hij u de inhoud van die werken wil doen begrijpen". Toen ging de oude man heen. Justinus zou hem nooit weerzien.
Maar hij luisterde naar de raad, die hem gegeven was. Hij las de profetieën en de geschriften der apostelen. Toen ontbrandde in zijn hart het liefdevuur voor Christus, Die aan het kruis gestorven was. De standvastigheid van de volgelingen van de Heiland, die juichend naar de martelplaats gingen, versterkte hem in zijn geloof. Hij werd een Christen!
Nu stelde hij de wetenschap die hij verworven had in de dienst van het Christendom. Net als Paulus deed hij vele reizen, verdedigde de Christelijke leer en sprak als zijn overtuiging uit dat er geen andere naam was waardoor men zalig kon worden en dus vrede met God en met zichzelf zou krijgen dan Jezus Chrisüas. Op zijn reizen kwam hij ook enige malen in Rorne. Daar stichtte hij een school waar onderwijs gegeven werd in de Christelijke leer. Zijn brandende liefde voor de zaak van Christus dreef hem er toe geschriften uit te geven, waarin hij tegenover de heidense wijsgeren en zelfs tegen de Romeinse keizer zijn geloofsgenoten verdedigde. Daardoor kreeg hij de naam van de verdediger, of met een vreemd woord de apologeet. Zijn geschriften werden de apologieën genoemd.
Hij schreef er twee: de eerste en de tweede apologie. Hij zond de eerste aan keizer Antonius Pius in de hoop dat deze een einde zou maken aan de vervolgingen. „Men slaat ons het hoofd af", schreef hij, „hecht ons aan het kruis, pijnigt ons door het vuur en de meest verschrikkelijke folteringen.
Doch hoe meer kwaad men ons zal doen lijden, des te meer groeit het aantal der gelovigen". Justinus schreef in zijn tweede apologie dat hij verwachtte zelf als martelaar zijn geloof met bloed te zullen bezegelen.
Dat gebeurde inderdaad! Een wijsgeer Crescens die tevergeefs gepoogd had Justinus te weerleggen, klaagde hem aan en Justinus werd gevangen genomen. De rechter ondervroeg hem, doch de beklaagde wist alle vragen zo goed te weerleggen, dat de rechter zwijgen moest. Toen werd hij boos. Hij eiste dat Justinus wierook zou offeren aan de goden. Dat werd natuurlijk geweigerd., Buiten zichzelf van woede over zoveel hardnekkigheid beval de rechter dat Justinus eerst gegeseld en daarna onthoofd zou worden. Zo gebeurde ook.
Justinus heeft in de kerkgeschiedenis de erenaam van Justinus de martelaar gekregen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 april 1972
Daniel | 16 Pagina's