Dertien ogen
In het stadje Bernau woonde tijdens de regering van de grote keurvorst Friedrich Wilhelm (1648—1888) een eenzame weduwe, Martha Lichtenberg, met haar zoon Hendrik, een stille arbeidzame jongen, in een klein maar vriendelijk huisje.
De vader van Hendrik was gestorven toen deze nog maar drie jaar oud was en sedert die tijd had de moeder voor haar en haar zoon met werken het nodige weten te verdienen en hem daarbij opgevoed in de vreze des Heeren. Hendrik was met hartelijke liefde aan zijn moeder gehecht en het was zijn grootste vreugde om bij moeder te zitten en te luisteren naar de verhalen, die zij uit de Bijbel of het dagelijkse leven vertelde. Moeder Lichtenberg en haar zoon spraken clan ook dikwijls over de toekomst, hoe heerlijk het zou zijn als moeder later bij haar zoon zou kunnen inwonen. Hij zou haar dan in haar ouderdom helpen en verzorgen.
Eindelijk was de knaap tot een flinke en sterke jcnge man opgegroeid en was de tijd gekomen, dat hij een beroep moest kiezen. Hendrik wilde het liefst soldaat worden cm voor zijn keurvorst en zijn vaderland te strijden. Niets leek hem zo heerlijk als het soldatenleven; hij stelde zich er wonderen van voor. Moeder schrok wel toen ze van de plannen van haar zoon hoorde; met smekingen en vermaningen trachtte zij hem van zijn plan af te brengen. Toen zij echter zag, dat Hendrik met zijn hele hart bij zijn voornemen bleef, wilde ze hem door haar tegenstand niet langer bedroeven en gaf zij haar toestemming.
Hendrik begaf zich naar overste Van Kalkreuth, die juist in Bernau voor zijn regiment aan het werk was. De krachtige, welgebouwde jongeling, in wiens ogen moed en' trouw blonken, beviel de overste zo, dat hij hem zonder verder onderzoek tot soldaat aannam en hem een mooi handgeld gaf. Het grootste deel hiervan gaf Hendrik aan zijn moeder en hij beloofde haar ook voortaan van zijn soldij te ondersteunen. Toen nam hij afscheid van haar om naar zijn regiment te gaan. 't Was een innig en pijnlijk afscheid; moeder en zoon omhelsden elkaar herhaaldelijk en de tranen vloeiden rijkelijk. Moeder Lichtenberg vermaande haar zoon om heel zijn leven God voor ogen te houden en tegen de zonde te vechten en toen liet zij hem met haar moederlijke zegen gaan.
Na dit afscheid waren enige jaren verlopen. De jonge soldaat had zich in menige veldslag dapper gedragen. Vooral bij Fehrbellin op 18 juni 1675; hier had hij zelfs het geluk een Zweeds hoofdofficier gevangen te nemen. Om zijn heldenmoed bij deze gelegenheid werd hij door zijn overste openlijk geprezen en kreeg hij een grote som geld als beloning. Niet lang daarna liet cle keurvorst Hendrik in zijn persoonlijke lijfwacht opnemen. Deze lijfwacht moest hem in tijd van oorlog en vrede, cp reis en op jacht vergezellen en bedienen. Alleen cle grootste en dapperste soldaten werden tot de lijfwacht uitgekozen. Het was dus een grote eer als iemand tot cle lijfwacht werd toegelaten. Daarbij kwam, dat de lijftrawanten een gemakkelijke dienst en een ruime bezoldiging ontvingen. Verder hadden zij het uitzicht later op één van de kastelen van de keurvorst of in één van zijn houtvesterijen als jachtmeester geplaatst te worden. Hendrik en zijn moeder verheugden zich zeer over deze bevordering. Hendrik kon thans zijn moeder nog beter onderhouden clan vroeger. De vervulling van hu.n wensen' en verwachtingen voor de toekomst was heel wat nader gekcmen.
Hendrik was intussen opgegroeid tot een flinke man. Zijn volle baard en zijn krachtige gestalte gaven hem een manlijk en krijgshaftig voorkomen. Men behoefde hem slechts in cle ogen te zien om daarin de vroomheid, de goedertierenheid en de trouw, die neg steeds in zijn hart woonden, te lezen.
Cp zekere avond kwam hij van de paleiswacht terug. Hij droeg zijn degen onder de arm en bracht die bij meester Reinhard, die destijds een der beste en beroemdste wapensmeden van Berlijn was. Deze moest een klein gebrek aan de degen herstellen. Meester Reinhard was al dadelijk ingenomen met de trouwhartige soldaat en no-
digde hem uit eens een bezoek aan zijn woning te brengen. Hendrik nam deze uitnodiging graag aan en bij zijn bezoeken kwam hij in aanraking met de lieftallige dochter van smid Reinhard, Marie. Dit meisje was in het begin, toen de vreemde krijgsman bij haar vader kwam met een zekere schroom in de kamer gekomen. Meester Reinhard maakte haar op de jonge soldaat opmerkzaam door dikwijls met haar over hem te spreken en hem zo te prijzen. Als Hendrik voortaan kwam was Marie ook altijd in de kamer aanwezig. Terwijl de mannen praatten zat zij erbij met een handwerkje. Dan hoorde zij met stijgende belangstell'ng wat de gast vertelde van zijn keurvorst, van zijn veldtochten en' van zijn moeder. Zo groeide er een warme liefde voor elkaar. Op zekere avond vroeg Hendrik haar dan ook eerlijk of zij zijn vrouw wilde worden. Marie gaf hier met blijdschap een antwoord op, onder voorwaarde dat ook haar vader er mee instemde. De wakkere meester, die Hendrik al lang als een eigen zoon liefhad, gaf met vreugde zijn toestemming. Moeder Martha, aan wie Hendrik van zijn geluk geschreven had, kwam spoedig uit Bernau naar Berlijn om haar aanstaande schoondochter te leren kennen. Zij kreeg haar hartelijk lief en prees zich gelukkig, dat haar zoon zo'n meisje gevonden had. De weduwe en Marie werden spoedig één hart en één ziel. Moeder Martha kon nauwelijks de tijd afwachten dat haar kinderen zouden trouwen. Zij wilde dan bij hen in komen wonen, hen in het huishouden helpen en zich met moederlijke liefde in hun geluk verblijden. Zo was er een gelukkige tijd voor Hendrik aangebroken. Al zijn vrienden deelden in zijn vreugde, want zij hielden van hem om zijn trouw en eerlijk karakter. Ook de keurvorst, aan wie hij zijn verloving bekend maakte, was er mee ingenomen. Hij beloofde hartelijk dat hij nu ook eerder aan een bevordering voor Hendrik zou denken.
Slechts één persoon was in 't geheim over het geluk van Hendrik vergramd. Het was een zekere Rudolf, ook een lijftrawant en een dapper en onverschrokken man. In de oorlog had hij menigmaal uitgeblonken en' omdat hij bovendien ook in zijn dienst nauwgezet was stond hij bij de keurvorst in grote gunst en hoopte hij, met recht, op een spoedige bevordering. Alleen zijn vrienden hielden niet van de „zwarte Rudolf", zoals hij om zijn donker uiterlijk genoemd werd. Rudolf had de vrolijke en goedige Hendrik, die ook in grote gunst bij de keurvorst stond en door zijn vrienden algemeen bemind werd, reeds daarom niet kunnen lijden.
In deze tijd kwam de betrekking van houtvester open in het naburige Grunewald. Hierop had Rudolf reeds lang gevlast. De keurvorst echter gaf deze betrekking aan Hendrik, opdat hij spoedig zou kunnen trouwen. Toen Rudolf dit vernam ontvlamden nijd en toorn in zijn gemoed. Hij benijdde zijn mededinger, die zijn hoop verijdeld had, en besloot zich op gevoelige wijze te wreken. Hij probeerde eerst zijn bruid, Marie, van hem afkerig te maken. Door zijn betrekking had hij gemakkelijk toegang tot de woning van de wapensmid, clie de dappere krijgsman eerde. Rudolf begon met alle middelen op zijn doel af te gaan. Maar al spoedig zag hij in dat hem dit niet lukken zou. Dit vermeerderde zijn nijd nog. Marie was wel beleefd tegen hem en luisterde naar zijn verhalen, maar toen zij zijn bijzondere vriendelijkheid tegen haar opmerkte vermeed zij de kamer binnen te komen als hij op bezoek was. Rudolf moest dus de hoop opgeven om op deze wijze zijn wraakzuchtig plan uit te voeren. Hij wilde zich nu op beide cloor hem gehate mensen wreken en hun geluk verwoesten. Hendrik en Marie vermoeden niets van de zware onweerswolken, die zich boven hun geluk en' leven samenpakten.
De dag van hun huwelijk naderde. Bruidegom en bruid hadden op een middag samen wat inkopen gedaan voor hun toekomstige woning. Kort tevoren had Hendrik voor de poort de tijd wat verdreven met kraaien schieten; dit werd in die tijd door de soldaten van de lijfwacht dikwijls gedaan. Hendrik bracht zijn bruid naar de woning van haar vader terug. Daar hij nog een boodschap te doen had nam hij op de hoek van de laatste straat afscheid van haar. Het was intussen' donker geworden, maar toch niet zo dat Marie. niet het laatste eindje alleen kon gaan. De jongelui namen hartelijk afscheid van elkaar en gingen ieder een kant uit. Op eens hoorde Hendrik een zware knal. Toen hij zich verschrikt omkeerde zag hij hoe zijn bruid dodelijk getroffen neerzonk. Hij snelde direct cp haar toe, maar toen hij haar wilde opbeuren was zij reeds gestorven. De moorddadige kogel was goed gemikt geweest en had het hart van het. arme meisje doorboord. Hendrik was verstijfd van schrik en smart toen hij zijn geliefde bruid, die zoëven nog vrolijk en fris afscheid van hem genomen had, bleek en clood in zijn armen hield. Op zijn geroep „moord, moord" kwamen er van alle kanten mensen aanhollen en omringden hem. De sol-
daten van die tijd stonden niet al te best bekend, want men' was de gruwelen van de dertigjarige oorlog nog niet vergeten. De burgers, die samen gekomen waren twijfelden er geen ogenblik aan of Hendrik, die toch zijn geweer bij zich hac.1, was de moordenaar van het jonge meisje. Men overlaadde hem met verwensingen. Hendrik was in zijn diepe smart geheel versuft, willoos en stom. Hij verzette zich dan ook niet toen men hem van de plaats des onheils wegrukte en meevoerde. Ook uit een naburige straat werd geroepen, dat men de moordenaar gegrepen had. Daar had men cle zwarte Rudolf vastgegrepen. Beide gevangenen werden bij de dode gebracht, die ook naar het stadhuis gebracht was. Rudolf bezag haar met een koude, sombere blik, maar Hendrik zonk met hartverscheurende kreten ter aarde en bedekte de koude hand van zijn geliefde bruicl met een kus en tranen.
Daarna werd hij, evenals Rudolf, in cle gevangenis gebracht en nam het onderzoek een aanvang. Geen van beiden wilde cle afschuwelijke daad bekennen. Hendrik vertelde naar waarheid wat er gebeurd was èn zijn voorkomen èn zijn gehele gedrag maakten een diepe indruk op zijn rechters. Rudolf daarentegen kwam voor de rechters met een akelig weefsel van leugens, die hij intussen listig verzonnen had. Hij vertelde, dat toen hij door de straat ging, waarin de moord gebeurd was, hij zijn kameraad en het meisje in gesprek had gezien. Hij had opgemerkt, dat Hendrik woest en opgewonden was en, naar het scheen, zijn bruid hevige verwijten had gedaan. Daar het hem niet aanging had hij zijn weg rustig voortgezet tot hij plotseling het schot hoorde. Hij beweerde dat niemand anders dan Hendrik deze ontzettende daad bedreven had. Hij wilde zijn verklaring met een eed bevestigen. Beide gevangenen volhardden bij hun bekentenissen ondanks alle strikvragen van hun rechters. Om achter cle waarheid te komen ging men tot de destijds gebruikelijke foltering over. Maar niettegenstaande zij ontzaglijk gepijnigd werden bleef een ieder er bij, dat hij het niet gedaan had. De rechters waren in pijnlijke verlegenheid. Eén van de twee moest cle moordenaar zijn. Beiden waren gegrepen op een plaats, die heel clicht lag bij de plaats waar het misdrijf gepleegd was; beiden hadden een geweer bij zich, waaruit gelijk het onderzoek bewees, kort tevoren geschoten was. Maar beiden verklaarden ook hardnekkig hun onschuld. Meester Reinhard, die ook tot getuige voor de rechters geroepen was, sprak met al de kracht, waartoe hij in zijn diepe smart bekwaam was van de onschuld van Hendrik, maar het was toch mogelijk, dat hij die avond, gelijk Rudolf beweerde, met zijn bruid in twist geraakt was en uit toorn of jaloersheid de misdaad bedreven had.
De rechters waren niet in staat de waarheid te ontdekken. Daarom werd de zaak voor cle keurvorst gebracht. Frieclrich Wilhelm, die even zachtzinnig en rechtvaardig was, liet de twee beschuldigden in zijn tegenwoordigheid nog eens verhoren. Omdat ook hij niet tot een bepaalde overtuiging kon komen beval hij dat de zaak door een Godsgericht moest worden beslist. Zulk een Godsgericht was in die tijd nog gebruikelijk; in duistere gevallen als deze, moest God door een wonder de schuld of de onschuld van een beklaagde aan het licht brengen. In dit geval, besliste cle keurvorst, moesten Hendrik en' Rudolf met twee dobbelstenen werpen; de hoogste worp zou d.e onschuldige en de laagste worp zou de schuldige aanwijzen.
(Slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 februari 1972
Daniel | 16 Pagina's