Opmerkingen over arbeid en ontspanning
Alle tijd is Gods tijd (2)
Van oudheid tot reformatie
Wanneer het licht van Gods Woord ontbreekt, wordt de bijbelse samenhang tussen arbeid en rust, tussen werken en ontspannen verwrongen en uiteengetrokken. Zo vinden we bij de Grieken b.v. een totale onderwaardering van de arbeid, waartoe God de mens roept. De vrije tijd wordt bij hen verheerlijkt en als hoogste ideaal nagejaagd. De denker Aristoteleo brengt die gedachte als volgt onder woorden: „Een ambachtsman behoort aan het publiek, een slaaf is het eigendom van zijn heer, maar een burger is slechts hij, die ten volle vrij is". Deze burgers wijden zich aan sport, beoefening van wetenschap en kunst. Dat acht men hoog verheven boven handenarbeid. Bij de Romeinen treft men eenzelfde instelling. De bekende Cicero is van mening dat in een werkplaats niets geest-elijks kan gedijen.
De middeleeuwen hebben zich min of meer bij deze heidense gedachten aangesloten. Arbeid behoort tot het „rijk van de natuur". Ver boven deze minderwaardige arbeid uit stijgt de geestelijke beschouwing van priesters en monniken. Zij bewegen zich immers op het vlak van de „bovennatuur", in het „rijk van de genade".
De reformatie heeft een forse streep gehaald door deze onbijbelse visies. Het natuurlijke is niet lager dan het geestelijke. Alles komt immers voort uit de handen van de Schepper! Maar hoe durven we clan cle arbeid van een meubelmaker of een huisvrouw of wie dan ook als minderwaardig te betitelen?
Calvijn ziet de arbeid als instrument in Gods hand, waardoor Hij deze samenleving mogelijk maakt, draagt en onderhoudt. We vinden bij de oude gereformeerden nooit een verheerlijking van de arbeid om de arbeid! Zij leven vanuit het diepe besef, dat ons dagelijks werk, hoe'eenvoudig ook, dienst is aan de Schepper. Arbeid en ontspanning worden door de reformatie op-
nieuw op bijbelse wijze met elkaar verbonden. De vrije tijd, die we ontvangen om ons te ontspannen, heeft als diepste bedoeling, dat we die tijd zullen gebruiken om het hart aan God te wijden. - ) Dan zullen we uitgerust des te beter het waarom-van-de-arbeid zien, wanneer we opnieuw aan het werk gaan. Alle tijd is Gods tijd.
Het huidige arbeidsbestel
Wie wel eens tegenover fraai bewerkt meubilair uit vroeger eeuwen staat, vraagt zich soms af: Waar haalden ze cle tijd toch vandaan? We beseffen dan een moment dat de hedendaagse levens-en arbeidshouding sterk verschilt van die van generaties terug. Stel u voor dat b.v. een boek nog zo tot stand kwam als In de zestiende eeuw. Prof. v. cl. Ven wijst cp een figuur als Erasmus, die in een heel kalm tempo rnet zijn telganger over de Alpen trok. Toen het paard de laatste helling beklom, had Erasmus een boek voltooid. Hoofdstuk voor hoofdstuk was 's avonds in cle talrijke herbergen, waar hij overnachtte, tot stand gekomen. Overdag was er alle tijd om zich op de stof te bezinnen! Wat zouden wij ongeduldig werden, wanneer wij met de trekschuit moesten reizen. Was er onderweg een tol en kon de schipper die ontwijken door kilometers cm te varen, dan zou hij dat niet nalaten. Er was niet één passagier die er aan dacht om te protesteren tegen dit „tijdverlies"3)
Dit rustige levenstempo van vroeger eeuwen kennen wij niet meer. Hier en daar is er op het platteland neg iets van blijven hangen. Daar neemt men op een winterdag nog alle tijd om een onverwachte gast te ontvangen. Maar clat. is clan ook het enige in onze maatschappij.
De arbeid wordt niet meer allereerst gezien als het uitoefenen van een goddelijk beroep (huwelijksformulier), gericht op dienst aan de naaste en daarin op de Schepper. Wij waarderen arbeid maar al te vaak als koopwaar. Ons hele denken over de arbeid is economisch gericht: „Tijd is geld"! Men werkt voor geld: de ontkerstening van de bijbelse arbeidsgedachte!
Vroeger werd er een volledig produkt gemaakt. Het antieke meubilair, dat ik zo juist noemde, was hiervan een treffend voorbeeld. Zo'n meubel was van a tot z het werk van een ambachtsman, die daaraan een stuk arbeidsvreugde beleefde. Nu is de arbeider vaak niet meer dan een schakel in een produktieketen, die door een researchlaboratorium zo efficiënt mogelijk is uitgekiend. Dergelijke onpersoonlijke arbeid neemt gemakkelijk een stuk vreugde in het werk weg. Het kan met recht geestdodende arbeid zijn, die daardoor juist zo vermoeiend is. De persoonlijke betrokkenheid bij het produkt is gering. Geen wonder dat er dan uitsluitend wordt gewerktom-het-geld. Wanneer we maar even het bijbels zicht op de arbeid verliezen, worden ock wij met deze instelling geïnfekteerd.
Ook mogen wij niet vergeten, dat ons arbeidsbestel zich in vergelijking met vroeger kenmerkt door een bijzonder grote dynamiek. ! ) Alles heeft haast. Iedereen is haastig. Produceren, verkopen, produceren, verkopen Uiteraard wil ik met deze constatering onze huidige produktiemethoden niet afwijzen. We profiteren daarvan allen. Toch is het nodig om de schaduwzijden bewust onder ogen te zien. Het uiterst jachtige arbe'dsleven zonder veel bevrediging in het werk, maakt ontspanning zonder meer noodzakelijk. De boog kan en mag niet altijd gespannen staan.
De overvolle agenda's, de leidende figuren met managerziekte en de talloze hartinfarcten onderstrepen dit alles. Er is iets wezenlijks fout in ons aller instelling, wanneer de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek uitwijzen, dat elke dag meer dan 100 Nederlanders een hartinfarct krijgen. Prof. dr. L. Burema, directeur van GG en GD in Rotterdam attendeerde onlangs cp het feit, dat een ernstige hartaanval bij jonge mensen onder de dertig jaar geen uitzondering meer is. 5 )
Ook onder ons zullen' wij dichter moeten gaan leven bij de uitleg, die de Heidelberger van het zesde gebod geeft. Het „mijzelf kwetsen" is van een huiveringwekkende aktualiteit. Wij mogen n.'et zondigen tegen ons eigen lichaam, dat door God geschapen is. En evenmin is het geoorloofd om maar onbeperkt eisen te stellen aan de produktiviteit en de totale inzet van hen, die onze werknemers zijn.
Hoe zien w ij de ontspanning?
Bedenken we echter wel, dat lang niet alle vermen' van vrijetijdsbesteding de toets van Gods Woord kunnen doorstaan. Veel herinnert aan het geroep om brood en spelen uit het romeinse rijk. De oude romeinse houding tegenover deze zaken is helaas springlevend. In een studie over antieke mozaïeken las ik, dat vele Romeinen in hun eetzalen op de wanden skeletten en doodskoppen lieten uitbeelden om door deze herinnering aan de komende dood aangemoe-
digd te worden tot onmatig eten en losbandig feesten Carpe diem. Pluk de dag Laat ons eten en drinken... 11 ) Dat is ook vandaag helaas de houding van duizenden. Die houding kan en mag de onze niet zijn. Niet omdat wij beter zijn dan anderen. Dat leert de Schrift heel duidelijk. Hetzelfde Woord van de God Die leeft, zegt ons ook: alle tijd is Góds tijd. Ook bij onze ontspanning verkeren we als het v/are voor Zijn aangezicht. De manier waarop we het geheel van onze vrije tijd vullen moet staan in het teken van het Schriftwoord, dat we wel in de wereld, maar niet van de wereld zijn. En al bokst ons zondig hart van nature daar fel tegen op, niets kan iets van d.ie eis af doen. De Heere zal eenmaal vragen: Wat hebt u met Mijn tijd gedaan?
Calvijn heeft over de praktijk van de christelijke levenshouding prachtige dingen gezegd: „Ongetwijfeld: ivoor, goud, rijkdommen zijn goede schepselen Gods, tot der mensen gebruik toegestaan, ja, door Gods Voorzienigheid bestemd; en lachen, zich verzadigen, nieuwe bezittingen aan de oude en voorvaderlijke bezittingen toe te voegen, in muziek behagen te scheppen of wijn te drinken is nergens verboden. Dat is wel waar, maar wanneer een overvloed van die dingen ter beschikking staat, zich in genietingen te baden, en zich daarin te storten, verstand en gemoed door d.e tegenwoordige wellusten dronken te maken, en steeds naar nieuwe te snakken, dat is zeer ver verwijderd van het wettig gebruik van Gods gaven".") Wanneer wij worden meegesleept door het voortdurend aanvaarden van nieuwe behoeften, zoals die in onze consumptiemaatschappij ijverig worden gepropageerd, raken wij op verkeerd spoor. Het gaat in de persoonlijke ontspanning steeds om een matig, godvruchtig gebruik van al Gods goede gaven.
Mag dit? Kan dat? Wanneer we bij het Woord biddend begeren te leven, is de keuze niet moeilijk. Dan vinden we ook voor onze vrije zaterdag, voor onze vakantietijd het uitgangspunt in Filip. 4: „Voorts broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat lieflijk is, al wat welluidt, zo daar enige deugd is, en zo daar enige lof is, bedenkt datzelve".
Recreatie: herschepping
In onze „vrije" dagen en in de vakantie ontvangen we de gelegenheid om het gejaagde levenstempo tijdelijk af te leggen. Je ontvangt een bijzondere mogelijkheid om echt tot jezelf te komen, Met het woord recreatie wordt veel gesold. Toch hopen we dat we in elke rustperiode de zin van het oorspronkelijke woord zullen bedenken. Recreare betekent immers herscheppen.
Een periode van rust en ontspanning dient cm verloren krachten te herwinnen, maar beantwoordt daarmede nog niet aan zijn diepste deel. Is er hot zoeken van de Heere om de vernieuwing, de herschepping van ons leven? Is er het verlangen om naar Zijn wil te handelen' in het leven van alle dag? Kennen we het grote ge-
schenk van de verborgen omgang met God? Enige tijd geleden wees Ds. G. Boer in een artikel op Melanchton, die tegenover Luther klaagde over een overvolle agenda. De hervormer die de dingen kras maar raak kon zeggen, voegde zijn medewerker toe: „Filippus, je gaat dood, omdat je niet meer heilig luieren kunt voor God." s ) Dat „luieren" is het zoeken van Gods aangezicht, het biddend lezen van Zijn Woord, het zingen van het geestelijke lied, het overdenken van de gehoorde preek. Zonder het zoeken van God missen we de recreatie in de oorspronkelijke zin. Dan zien we rust en ontspanning ook niet in het juiste bijbelse perspectief, getekend in de catechismuszondag over het vierde gebod, die in het eerste artikel aandacht vroeg. De rust hier dient onze gedachten heen te leiden naar de eeuwige rust, die Christus voor Zijn kinderen heeft verworven. Daarover spreekt Hebr. 4. Dan wordt de overdenking van het toekomende leven geboren. Temidden van de drang van het huidig arbeidsbestel, temidden van de drukte van gezin en studie, ambt of werkkring zijn er door genade momenten, waarop verlangend mag worden uitgezien naar die rust.
Er blijft een rust over, een sabbatismos, een geestelijk en eeuwig rusten van alle arbeid voor het volk van God. „Hoe groot is het goed, dat Gij hebt weggelegd voor degenen die IJ vrezen".
1) F. J. H. M. v. d. Ven: Geschiedenis van de arbeid I, Utrecht/Antwerpen, 1968, blz. 45.
2) L. J. M. Hage: Calvijn en het maatschappelijk leven. In: Zich; op Calvijn, Amsterdam, 1965, vgl. blz. 163 e.v.
3) V. d. Ven a.w. III, blz. 144.
4) De term arbeidsbestel is van R. C. Kwant. Zie ziin: Het arbeidsbestel. Een studie over de geest van onze samenleving. Utrecht/Antwerps-4c druk, 1962.
5. Interview in de Amersfoortsche Courant 7-1-72.
6. Th. Bogaerts: Antieke mozaïeken, Amsterdam. Brussel, 1964, blz. 81, 82.
7. Institutie III, 19, 9.
8. G. Boer: Verborgen omgang. In: Wapenveld, 17e irg. nr. 1/2, januari/februari 1957.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 februari 1972
Daniel | 16 Pagina's