Gaat Eén-tand ons voor ?
Eén-tand is een oude Papoea in een dorp in Australisch Nieuw-Guinea. Hij wordt al jaren zo genoemd, omdat die ene tand in de bovenkaak alles is wat van zijn sterke gebit is overgebleven. Hij verdient cle kost door hout te hakken voor een klein zending s-zie kenhuis j e.
Omdat hij pas heeft leren lezen, is hij vaak te vinden in de keuken van het ziekenhuis, gebogen over zijn bijbel. Of hij leest gezeten op het gras in de schaduw onder een boom patiënten voor die een beetje mochten rondlopen. Zelf staat hij ook onder behandeling. Beide ogen zijn ontstoken. Het moment dat de arts hem moest vertellen: Eén-tand ik heb slecht nieuws voor je. „Moet ik een bril dragen? " vroeg de man angstig. De dokter schudde het hoofd. „Dat zal je misschien een poosje goed doen, maar niet lang. Je zult op den duur blind worden en ik kan je niet helpen."
De volgende morgen was de oude houthakker spoorloos. Een jonge kerel kwam zijn werk overnemen'. Hij vertelde dat de oude Eén-tand hem had gezonden. Waar de oude man heen was, wist hij niet.
Na dagen zoeken werd Eén-tand eindelijk gevonden. Hij zat verscholen op de begraafplaats van zijn stam. Een jongen bracht hem iedere dag wat te eten. De dokter ging hem opzoeken en vroeg: Waarom heb je je hier verstopt? Waarom ben je niet in het ziekenhuis gebleven, waar ik je kon helpen?
Eén-tand antwoordde: Toen u me vertelde dat ik spoedig helemaal blind zal worden', heb ik me hier teruggetrokken om Gods Woord uit mijn hoofd te leren: zoveel mogelijk gedeelten als ik maar kan onthouden. Ik heb de bergrede al geleerd en de verhalen van de kruisiging en de opstanding ook en ook de gelijkenissen. De jongen die me iedere dag mijn voedsel komt brengen overhoort me. Ik kom echt spoedig weer in het ziekenhuis terug. Dan kan ik geen hout meer hakken, maar ik kan de patiënten wel vertellen wat er in de bijbel staat. Toen u mij vertelde dat ik blind zou worden, dacht ik dat ik een onbruikbaar mens zou zijn, voor de patiënten. Maar nu kan ik toch nog iets doen.
Dit verhaaltje uit het „Herv. Weekblad" (Confessionele Vereniging) is voor ons beschamend. Als ons iets ergs overkomt, is meestal de eerste reaktie opstand, zelfmedelijden, berusting, óf cle vraag: „Waar leef ik nu nog voor? "
Bij de Papoea was de eerste vraag: „Hoe kan God me nog in de veranderdende omstandigheden gebruiken? "
De liefde tot de Heere Jezus maakt vindingrijk en zorgt ervoor dat de naaste niet uit het oog verloren wordt. In dit verhaal wordt duidelijk dat degene die zijn leven zal verliezen' óm Mijnentwil, het juist zal behouden.
Zijn wij al zover? Dat we in voor-en tegenspoed ons onderwerpen, door genade, aan Gods wil, dat we ons leven verliezen en vragen: „Heere, wat wilt Gij dat we doen zullen? "
Deze Papoea zal voorgaan in het Koninkrijk der hemelen en wij zullen buitengeworpen worden, als we in „alles" toegenomen zijn, behalve in cle kennis van de Heere Jezus Christus. Het nu nog, niet alleen voor de Papoea's, maar o, wonder van genade, ook voor ons het heden der genade. Lees de Bijbel; je kan hem niet missen, (denk aan Eén-tancl!) want God bindt zich aan Zijn Woord.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 januari 1972
Daniel | 16 Pagina's