JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Vlucht naar Zwitserland

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vlucht naar Zwitserland

15 minuten leestijd

Vrij bewerkt naar een oud verhaal door mej. A. de Joode

Het bos tussen de Franse grensplaats Versoix en het Zwitserse stadje Coppet is donker en stil. Slechts het gestage ruisen van de bomen en het af en toe schreeuwen van nachtvogels verbreekt de nachtelijke rust. Er hangt een lichte nevel.

Je zou in deze decembermaand van het jaar 1705 geen wandelaars verwachten in het bos.

Toch gaan daar over het bospad twee zwijgende donkere gestalten. In hun donkere kleding zijn ze haast niet te onderscheiden. „Vader", klinkt daar zacht de stem van de jongste. „Zijn we er nog niet? "

Er komt niet direkt antwoord. Wat moet du Plessis zeggen? Al vijf-of zesmaal heeft Pierre, zijn zoon, deze vraag gesteld. „Een half uur, een uur misschien", zegt hij dan met een lichte zucht. „Nog even volhouden, Pierre!"

„Het kan nu niet ver meer zijn, hè vader? " „Nee hoor, het moet al dichtbij zijn." Het is maar goed, dat het donker is. Anders had Pierre wellicht de uitdrukking van twijfel gezien op vaders gezicht.

„Een uur nog", denkt Pierre. Hoeveel stappen zouden dat nog zijn? Duizend? Tweeduizend? Kon hij maar even slapen of rusten. Misschien is er een boom met afhangende takken of een vooruitstekende rots. Maar een bed zoals vroeger

Vroeger? Pierre verstapt zich even. Toen was alles anders. Toen' hadden ze een huis om in te wonen. En als hij dan met zijn zusje Cecilia thuiskwam was moeder er altijd.

Nu worden ze opgejaagd langs de wegen. Vluchten moeten ze. 's Nachts als het donker is en niemand zich op de slechte wegen durft te begeven trekken Pierre en zijn vader voort.

Geld om eten te kopen hebben ze wel. Ook daaraan is gevaar verbonden. Pierre begint ineens harder te lopen'. Dat doet hij altijd als hij zich driftig maakt. Het is allemaal de schuld van die gemene pastoor! Altijd was hij vriendelijk tegen hen. En toch — achter je rug stuurt hij soldaten. Op een avond, toen Pierre en vader thuiskwamen van het land, vonden ze hun woning donker. Pierre liep het huis helemaal door van boven tot onder. „Moeder, moeder, waar bent U? " Geen antwoord. „Cecilia, waar zit je? " Het bleef stil. Een ijzig gevoel bekroop Pierre. Hij holde naar buiten', waar vader met de buurman stond te praten. Toen Pierre vaders gezicht zag hoefde hij het eigenlijk niet meer te vragen. Maar hij vroeg toch.

„Zijn zijn de soldaten geweest? " „Ja, Pierre."

„Hebben ze moeder meegenomen, Vader knikt. vader? "

„En Cecilia — Cecilia óók? " „Ja, Pierre, Cecilia ook."

Nog diezelfde avond zijn Pierre en zijn vader gevlucht. Ieder ogenblik konden de soldaten terugkomen om ook hén gevangen te nemen. En dan zouden ze niet in een' klooster gezet worden, zoals ze dat met vrouwen en kinderen doen. De galeien — dat is de straf voor mannen.

Pierre zet zijn voeten hard neer op het drassige pad. Even komt er een bittere trek om zijn mond. Het lijkt wel of ze boeven zijn of beruchte dieven! En toch zijn zij nette, keurige mensen. Alleen — ze horen bij de Hugenoten.

Pierre staat opeens stil. Hij kijkt om zich heen. Ze moeten nu toch zéker al een kwartier gelopen hebben. De stad kan niet zo ver meer af zijn.

Vreemd — het bos wordt dichter. En het pad wordt zo smal.

Pierre kijkt op naar de zwijgende gestalte naast hem. „Vader: We moeten nu toch in de buurt van de grens komen? Genève kan toch niet zo heel ver meer af zijn? En het lijkt wel "

Vader schrikt op van de schrille jongensstem. „Stil, Pierre!" fluistert hij dringend. „Niet zo hard!"

Genève is het doel van hun tocht. In Zwitserland worden de Hugenoten niet vervolgd.

Verder zegt vader nog niets. Wat moet hij zeggen? Dat hij vreest dat ze inderdaad verdwaald zijn en weer eens de dag moeten afwachten om hun route te bepalen? Maar Pierre raadt zijn gedachten.

„We gaan vast verkeerd, vader. Moeten we nu weer wachten tot het dag is? En het is morgen nog nog wel kérstfeest. We zouden toch proberen om vóór kerst in Genève te zijn "

Het is een uur later. Het is middernacht geworden. Pierre en zijn vader dwalen nog steeds doelloos door het bos. Ze zijn nu alle richtingsgevoel kwijt geraakt. Plotseling komen ze bij een' open plek. Ze blijven staan. Het is aardedonker.

Pierre trekt vader aan zijn mouw. Heel zacht — bijna onhoorbaar — fluistert hij: „Vader, ik zie daar iets, iets donkers!"

Vader ziet het ook. Besluiteloos blijven ze staan. De kou trekt langzaam op langs Pierre's benen. Strak turen ze naar de open plek. Wat is dat donkere daar? Betekent het gevaar? Is het een hoop opgestapelde takken? Is het een schuur? Of — een huis?

Vader heeft al die tijd onbeweeglijk staan kijken. Hij gaat vermoeid van het ene been cp het andere staan. Hij ziet dat Pierre kleumerig ineenduikt. Er móet een beslissing worden genomen!

„Heere, help me toch" bidt hij. „U hebt ons al zo vaak bewaard. Wees óns ook nü nabij "

Een ruk aan zijn arm doet hem opschrikken. Pierre begint te praten. Vader moet zich inspannen om het te verstaan. „Vader ik zie het! Het is een róts! Misschien is daar wel een schuilplaats voor ons".

Hij doet direkt een paar stappen naar voren. Hij weet het zeker. „Kom maar!" Even later zitten ze op een hoop bladeren' tegen cle rotswand aangeleund. Want Pierre had gelijk. Het was een rots. riet was een reusachtig, met mos begroeid rotsblok. Ze waren er ook omheen gelopen. Aan de andere kant begon het bos weer.

„Rust nu maar eens goed uit, Pierre", zegt vader. „Misschien kunnen we dan straks als het wat lichter is proberen nog over de grens te komen. Tenminste " Pierre weet wat vader zeggen wil. Tenminste als er geen soldaten komen! Hij is zo moe, dat die gedachte hem niet eens erg verontrust. Hij duikt behaaglijk dieper weg onder de zwarte mantel, vader over hem heen heeft geslagen. die

Even slapen, éven maar Hij sluit zijn ogen. Allerlei gedachten tollen door hem heen. Is hij te moe misschien?

Hij ziet Cecilia de berghelling aflopen. Een melkemmertje bungelt aan haar hand. „Au revoir, Pierre", zegt ze. Haar stem klinkt als een zilveren klokje door de ijle berglucht. En kijk, daar is moeder. Ze is aan het bakken, mooie ronde bruine broden. „Wil je soms een snee, Pierre? Hier heb je er vast een, joh! Hij is nog warm "

Pierre slikt. Hij spert zijn ogen wijd open. Niet aan denken nu!

, , 'k Wou dat we in Genève waren, " zegt hij wat opstandig. „Moeten we morgen hier kerstfeest vieren? Mooi kerstfeest is dat!" Maar vader schudt hem even en weer. „Foei, jongen, wat denk je wel? Je kunt hier echt wel kerstfeest vieren, hoor.

Een echt kerstfeest is niet gebonden een mooi huis en lekker eten. aan

Dat de Heere Jezus in je hart geboren wordt — daar komt het op aan. Dat weet je toch wel, Pierre? "

Na deze woorden wordt het stil. Pierre durft niet goed meer te mokken. Laat hij maar proberen om te slapen.

En werkelijk, als hij een' poosje heeft, wordt hij wat doezelig. gezeten

Vader blijft echter klaar wakker. Als hij ziet dat Pierre wat indedommeld is, staat hij op om de omgeving wat te verkennen. Hij loopt opnieuw om cle rots heen, maar hij ziet niets dan dichte bossen. Misschien kun je wat meer zien, als je boven op de rots staat. Voorzichtig plant hij zijn voeten neer op de glibberige met mos begroeide wand. Stap voor stap klimt hij naar boven. Maar als hij bijna boven is, doorslaat hem plotseling een hevige schrik. Hij vindt voor een van zijn voeten geen houvast! Snel trekt hij zijn voet terug en hurkt neer om te onderzoeken' wat er aan de hand is. Hij voelt de rotswand houdt plotseling op! Daar is een opening. Zijn handen gaan langs de rand. Hij kan er door heen. Maar wat zou er onder die opening zijn? Water? Moeras? Of zou er een spleet zijn? Een droge, warme grot, waar je kunt slapen?

„Ik doe het" zegt hij opeens halfluid.

Heel voorzichtig steekt hij een been in de opening. Met z'n handen klemt hij zich vast aan de rand. Hij tast Ja, hij voelt grond!

Even later kruipt hij op handen en voeten door de grot. Het is niet groot daar binnen, maar net groot genoeg voor twee.

Vlug kruipt hij naar buiten en deelt blij zijn nieuws mee. „We kunnen slapen, Pierre, en het is er warm! Kom!" Pierre aarzelt.

„Maar het kérstfeest dan vader — in Genève? "

Vader is nu echter erg beslist. Zal hij zijn zoon deze kans misgunnen? Het is bovendien helemaal niet zeker dat ze Genève deze nacht neg zullen bereiken... Pierre sputtert niet lang tegen en kruipt achter vader aan de grot in. Als hij een lekker bed heeft gemaakt in de grot van wat mos en bladeren en hij behaaglijk weg duikt onder zijn mantel, voelt hij v/eer hoe moe hij is. En het duurt dan ook niet lang of hij valt in slaap.

Het wordt nu heel stil. Vader, die nog wakker is, hoort alleen Pierre's wat onregelmatige ademhaling. Wat slaapt hij onrustig! Hij kruipt wat dichter bij. Zo blijven ze liggen, dicht bijeen, om elkaar wat warmte te geven.

Pierre werpt zich om en om in zijn slaap. Af en toe stamelt hij onverstaanbare woorden. Eén keer komt hij zelfs overeind. „Niet doen, Cecllia", gilt hij, „afblijven, niet doen!".

Vader duwt hem zachtjes neer. „Rustig maar, Pierre", zegt hij kalmerend. „Je bent veilig nu, slaap maar lekker " Plotseling doet een' onverwacht geluid van buiten de rots zijn stem stokken. Stil! Wat is dat? Hij gaat rechtop zitten, stijf van schrik. Daar is het weer, luider nu Naast hem woelt Pierre om en om. Hij mompelt weer in zijn slaap.

Doodstil zit vader, het hoofd luisterend geheven. Nog dichterbij is het geluid gekomen — voetstappen?

Opeens komt Pierre rnet een ruk overeind. Hij doet zijn mond open. Maar voor hij een woord uit kan brengen, legt vader zijn hand op zijn mond. Nu klinkt alleen' een dof gekreun. Tegelijkertijd wordt hij door de aanraking wakker. Hij slaat om de hand weg te krijgen. Maar vader duwt hem met alle kracht neer.

„Stil...", fluistert hij bijna „St soldaten!" onhoorbaar.

Langs de weg, die voorbij de rots voert, loopt een patrouille van vier soldaten. De eerste draagt een lantaarn. Hij laat het licht achtereenvolgens rechts, links en naar voren spelen. Allen laten hun blik in 't rond gaan. Ze zien, hoe de oude boomstammen grillig worden verlicht.

„Niets", zegt de voorste soldaat.

„Nee", zegt de ander. „Maar weet je wel zeker "

De eerste maakt een driftig gebaar. „Natuurlijk, ik heb ze zelf gezien — een man en een kind " Er klinkt spijt door in zijn stem. Jammer, op deze manier hadden ze gemakkelijk vijftig kronen kunnen verdienen. Dat was mooi meegenomen, zo met de Kerst! Hij licht de lantaarn wat hoger op.

„Kijk, de rots Pierre-a-Pény", zegt hij. De soldaat, die achter hem staat, lacht schamper. „Nou, Francois, we zijn aan de grensscheiding. Je kunt naar die vijftig kronen fluiten "

„Hoewel " zegt hij opeens en doet een paar stappen naar de rots toe. Daar ziet hij het bed van bladeren, dat Pierre en zijn vader tegen de rotswand hadden gemaakt. „Nee, tóch niet " zegt hij teleurgesteld. „Ze zijn al weg. Toch moeten ze hier hebben gelegen. Het is duidelijk dat ze niet wisten, dat de grens zo dichtbij was. Want wie gaat er nu rusten als je zo dicht bij de vrijheid bent? "

Vrijheid?

In het hart van de rots, in de grot, zitten twee bevende mensen. Zij staren met wijdopengesperde ogen in het donker, zonder iets te kunnen zien. Ze durven haast niet adem te halen. De ruwe soldatenstemmen klinken gedempt door de kleine opening heen. Ze horen heen en weer drentelende voetstappen.

Gaan ze weg? Nee, nóg niet

, , 't Mocht wat, vrijheid" horen ze een van de soldaten zeggen. „Ha, ik had ze toch wel gepikt, al waren ze op dat zogenaamde vrij Bernse grondgebied."

De andere soldaten zeggen even niets. Ze weten dat het verboden is om op Berns grondgebied Hugenoten te arresteren.

„Ha, ha!" Een harde lach klinkt luidop. „Eens heb ik er twee te pakken gehad! Moet je eens horen. Ze liepen' aan de andere kant van de grens. Maar ik zag ze, een man en twee kinderen. „Blijf staan", schreeuwde ik. De man liep eerst natuurlijk door. Maar ik begon nog harder te roepen."

„Ik ben op Berns grondgebied", riep de man terug. Ja, bang was hij niet. Maar ik ook niet! En slim was ik ook. Want weet je wat ik zei? „Blijf staan, " riep ik, „of ik dood de kinderen "

De andere soldaten lachen luid om het kostelijke verhaal. En?

„Nou, hij kwam terug natuurlijk. En ik kon vijftig kronen opstrijken. Haha!" Pierre en zijn vader denken' allebei hetzelfde. O, laat die soldaten niet op de

rots klimmen! Laat ze niet kijken in grot! de

Zeggen doen ze niets. Roerloos zitten ze naast elkaar, gespitst op ieder geluid. Eindelijk — de voetstappen verwijderen zich. Hun rumoerige stemmen klinken steeds verder weg.

Pierre zucht lang en diep. Hij kijkt vader aan. „Ze zijn weg "

Vader legt de vinger op de lippen. „St! Nog even stil, je kunt nooit weten!"

Ze horen nu alleen maar cle stilte. En dan is er toch weer een nieuw, vreemd geluid. Zacht en monotoon klinkt het. Het wordt steeds sterker. Pierre schiet opeens recht overeind. Hij houdt het hoofd wat schuin om maar beter te kunnen luisteren. Dat is

Maar dat kan toch niet!

Dat is zingen! Het geluid komt zacht en golvend aan.

Nu hoort vader het ook. Van onder de bomen klinkt een psalm omhoog

Er komt een brok in Pierre's keel. Ze kunnen geen' van beiden iets anders doen dan stil-verwonderd luisteren. Dromen zij? Is dit een wonder?

Nee, ze dromen niet! Het is waar! Maar dan moeten er Hugenoten vlakbij zijn

Pierre is de eerste die tot de daad komt. Hij vliegt omhoog.

Daar — daar komt het vandaan. Heel duidelijk klinkt het nu. En kijk, er is ook licht te zien, het schijnsel van fakkels. „Vader, kóm!" roept hij luid.

De soldaten horen op hun terugweg het gezang ook. En natuurlijk keren ze —bijna onhoorbaar — op hun schreden terug. Op de rots Pierre-a-Pény zien ze een jongen staan met zwaaiende armen. „Kijk vader, daar zijn ze!" Helder klinkt zijn jonge stem door de nacht.

Ze zien', dat hij zich weer van de rots laat glijden en zijn vader bij de hand grijpt. Nu wachten ze niet langer! Bliksemsnel stoot cle eerste naar voren. „Hierheen, Jean", schreeuwt hij geestdriftig. „Nu zullen ze toch nog een goede buit hebben in deze kerstnacht Halt — in naam van de koning! Blijf staan!"

Een verlammende schrik doorslaat Pierre. Hij is te verbijsterd cm een stap verder te doen. Wat is dat nu? Aan de ene kant de vijand — aan de andere kant de geloofsgenoten Het schijnsel van cle fakkels licht opeens helder op. Daar treden de eersten' naar voren. Maar ook de soldaten zijn vlakbij! Een hevige ruk aan zijn arm brengt hem opeens tot bezinning.

„Lopen, Pierre! Rénnen!" Het zijn maar enkele meters. Toch lijkt het Pierre toe, dat er geen einde aan komt. Ieder ogenblik verwacht hij een schot te horen

De groep zingende ballingen merkt nog niets. Maar wanneer de twee donkere gestalten binnen de lichtkring van de fakkels komen', stopt direkt het gezang. „Help ons!" horen ze. „Wij zijn Hugenoten!" Pierre struikelt. Maar twee, vier sterke armen richten hem op. De tranen komen in zijn ogen, maar hij schaamt ziich niet. Als een kleine jongen snikt hij tegen de schouder van een vreemde man. Geréd...!

De soldaten staan op de rots toe te kijken. Hun monden zijn grimmig gesloten. Weer is hun de prooi ontgaan! Ze weten maar al te goed, dat ze nu niet rneer kunnen ingrijpen. Daarvoor is het aantal van die Hugenoten te groot. En ze zijn tenslotte op Berns grondgebied.

De soldaten zijn al meer op die zingende stoet gestuit. Dan gaan ze kerk houden in het bos, hebben ze wel eens gehoord. Maar 's nachts hebben ze hen nog nooit gezien. Dat ze juist nu hier moeten komen! Woedend draaien ze zich om en verdwijnen in de bossen.

Wanneer du Plessis en zijn zoon alles hebben verteld over hun vlucht, zwijgen de ballingen allen. Oude herinneringen komen boven. Gedachten gaan terug naar eigen verlies en diep verdriet. Dan stapt uit de kring een kleine, tengere man naar voren. Het is Ds. Labruyère, een predikant van een kleine, bloeiende Hugenotengemeente in de Cevennen'. Hij voelt, dat het verdriet zijn mensen overmeesteren zal. Daarom spreekt hij.

„Laten we aan de vooravond van het Kerstfeest niet op onze vijanden, op ons verlies en verdriet, maar op Christus zien, die op deze aarde kwam in een armoedige stal om verloren zondaren zalig te maken". Dan spreekt hij een kort en krachtig woord over de tekst uit Jesaja: „Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien "

Vermoeide harten horen met innerlijke blijdschap de troost van het eeuwenoude Bijbelwoord. In het hart van du Plessis wordt opnieuw het geloof versterkt, dat de Heere voor hen zorgen zal. Ook zijn vrouw en dochter zijn in Gods hand!

Wanneer de meditatie is afgesloten met dankgebed, loopt de groep terug. Door het bos klinkt meerstemmig het lied van de oude christelijke kerk: Grote God, wij loven U

Du Plessis en Pierre zingen mee.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1971

Daniel | 16 Pagina's

Vlucht naar Zwitserland

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1971

Daniel | 16 Pagina's