Psalm 90
Du bist altoos van d' een geslacht op d' ander Ons borcht geweest end eenig onder stander Eer ooit gebergt oft heuvel was gerezen, Eer eerdrijk vorm, of wereld hadde wezen, Du waarst, o Heer, dezelve God van macht, Gnivankelbaar in wezen end in kracht,
Du brengst den mensch tot niet hier op der eerden End morzelt hem als stof van kleiner weerden, Als du maar spreekst: keert mensehen wederomme. Want in dijn oog zijn duizend jaar straks omme, Gelijk den dag die gister gink voorbij, Oft als bij nacht een korte waakgetij.
Want dan gaan straks ons dagen henen vlieten Voor dijnen toorn, end onze jaren schieten Zoo snellijk weg, gelijk den galm van 't spreken. Zelf onzen tijd is met een paal besteken Van zeventig, oft, zoo wie langer leeft, Van tachtig jaar, als 't lichaam sterkheid heeft.
Daarom leer ons, o Heer, in alle zaken Van onzen tijd zoo goede reek'ning maken, Dat wij ons hert alleen tot goede zeden, Tot recht verstand end wijsheid wel besteden. Keer dij tot ons: hoe lange loopt dit aan? Wil dijner straf dijn dienaars eens ontslaan.
Marnix van St. - Aldegonde 1540—1598
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 december 1971
Daniel | 16 Pagina's