JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het profetische woord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het profetische woord

Het perspectief van Christus' Kerk

7 minuten leestijd

Micha 7 : 7-13

Wacht op de HEERE, gij vromen

De overgang van de voorafgaande verzen naar het Schriftgedeelte, dat ons nu voor ogen ligt, is niet logisch. Zij is zelfs bepaald onlogisch. Daar zullen wij nu eenmaal aan moeten wennen bij het omgaan met de Heilige Schrift, dat de Schrift niet altijd overeenkomstig onze wetten van logica spreekt. , , Maar ik zal uitzien naar de HEERE!" Zo lezen wij. Wij herinneren ons dat de profeet Micha in de voorgaande verzen met het licht van de Heilige Geest de maatschappij van zijn dagen heeft doorgelicht. Het resultaat was onthullend en verbijsterend. Gods verkoren bondsvolk is doodziek en tot de wortel bedorven. Leest u nog maar eens die eerste zes verzen van dit zevende hoofdstuk. Maar nu! Het zevende vers ligt als een edelsteen van geloof te flonkeren in de modder van de omstandigheden. Neen, logisch is dit niet. Het is ook helemaal niet naar de zin van de talloze maatschappijverbeteraars, die onze tijd rijk is. Die maatschappijverbeteraars zijn doorgaans geen bewonderaars van de apostel en van de rechtvaardiging van de goddeloze, maar zij dwepen nogal met de kleine profeten, met Arnos en Micha enzo. Dat zijn de predikers van de sociale gerechtigheid en het maatschappelijk „engagement", weet u wel! Het spijt me voor de maatschappij verbeteraars, maar Micha gaat niet met hen mee. Geen stap. Want wat doet Micha, nadat hij de zonden van de „kapitalistische" samenleving van zijn tijd aan de kaak heeft gesteld? Rich hij een actiecomité op ter sanering van de maatschappij? Sticht hij een pressiegroep van verontruste profeten? Ik denk dat men' Micha, als hij in onze dagen geleefd had, wel zou hebben beschuldigd van ziekelijk piëtisme. Er komt niets van zijn lippen dan dit: „Maar ik zal uitzien naar de HEERE". Is dit nu alles? Dit is alles. Dit is ook genoeg. Micha is hier de woordvoerder van de kerk onder de oude bedeling van het verbond der genade. Wanneer die kerk stond op de toppen van het geloof, deed zij eigenlijk maar één ding: uitzien. Waarnaar? Dat is geen goede vraag. Naar wie? Naar de Beloofde der vaderen, naar Hem van Wie de patriarchen droomden, de profeten getuigden, de psalmisten zongen.

Mijn ziel, vol angst en zorgen, Wacht sterker op den HEER, Dan wachters op de morgen: De morgen, ach, wanneer?

Is Israël in nood?

Vergist u zich alstublieft niet: dit wachten op de HEERE is géén lijdelijkheid. Het is de hoogste vorm van activiteit die denkbaar is. Welke is dat? Dat is de activiteit van het gebed. Een predikant, die van 's morgens zeven tot 's avonds twaalf werkt en niet bidt, kan beter in bed blijven. Satan is duizendmaal banger van het bidden van Gods Kerk dan van haar werken. Want als wij bidden, rusten onze handen en roepen wij om de hulp van die rechterhand, die hoog verheven is en door haar daden de wereld beven doet. Het eerste, wat satan in uw leven bereiken wil, is dat ge niet meer bidt. Nu geen tijd, fluistert hij u 's morgens in — vanavond maar Nu te moe, is het 's avonds — kort maar dit keer Gedenk aan het woord van Maarten Luther: als ik het druk heb, bid ik 's morgen's een uur. Als ik het bijzonder druk heb, bid ik twee uur.

De Kerk die hier spreekt, heeft de volkomen zekerheid, dat haar uitzien naar de HEERE niet zal worden beschaamd. Wie is het eigenlijk, die hier spreekt? Het zijn de zevenduizend, die God de Heere doet overblijven in elk tijdsgewricht, het is die algemene christelijke Kerk die „van God wordt bewaard, of staande gehouden, tegen het woeden der gehele wereld; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen " (Nederlandse Geloofsbelijdenis, Artikel 27). Nu, in Micha's dagen scheen de Kerk inderdaad tot niet gekomen

te zijn. Maar zij lééft! En zij spréékt! Zij spreekt van haar geloofsverwachting temidden van een kapotte en verziekte samenleving, zij spreekt als haar rotsvaste overtuiging uit, dat de enige medicijn voer het doodz'eke volk de komst van de HEE-RE is. „Mijn God zal mij horen"! Calvijn zegt: waar het vuur des geloofs is, claar is de rook van de tv/ijfel. Dat is waar. Maar toch zijn er tijden, dat er geen twijfel is. Of dat altijd lang duurt, daar gaat het hier niet om. Laten we echter oppassen, van de twijfel geen kenmerk te maken! Op dit ogenblik twijfelt de Kerk, die hier aan het woord is, niet. Misschien komt dat ook wel, omdat haar woorden gericht zijn tot cle wereld! „Verblijdt u niet over mij, o mijn vijandin!" Zonder enige twijfel is de „vijandin" hier de spottende, lachende wereld (zowel in als buiten de kerk!) die alle eeuwen door al plezier heeft gehad in de zonde en smaad van het bondsvolk. De kerk is altijd al een dankbaar sensatieobject geweest. En als de Kerk in zonde valt, is de wereld er als de kippen bij om er een reusachtig kabaal over te maken: weer een gelegenheid om af te geven op die „fijne" farizeeërs! U kunt rustig aannemen' dat er flink gelachen is door de wereld in Micha's dagen. „Lekker stelletje, hoor, dat volk van die God van Israël. Er is geen stad zo corrupt als Jeruzalem..."

En nu moet u eens opletten hoe cle Kerk hier spreekt. Zij eigent de schuld van haar goddeloze volksgenoten. „Ik zal des HEE-REN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd " Kent u dit ook? Kent ge er iets van, de schuld van ons volk voor Gods aangezicht te eigenen? Of komt het bij u niet verder dan zuchten en kreunen over wat een ander doet? Zwembadkrakers, zondagsontheiligers, zedertverwilderaars? Daniël, die „zeer gewenste man", laat een ander geluid horen. MWij hebben gezondigd, wij hebben onrecht gedaan, wij hebben goddeloos gehandeld, en gerebelleerd " (Daniël 9). En hier zegt Israël bij monde van Micha: ik zal des HEEREN gramschap dragen. De Kerk buigt hier, omdat zij getuchtigd wordt om de zonde van de natie. Dit is een grote verborgenheid, die weinigen verstaan.

Er zal verlossing komen!

Samenvattend: de Kerk belijdt hier, dat haar enige verwachting in alle maatschappelijke en individuele nood is van de God haars heils. Zij belijdt zonder enige twijfel, dat Hij haar twistzaak twisten zal en haar zaak ter hand nemen. „En mijn vijandin zal het zien " Schaamte zal haar bedekken, die tot mij zegt: waar is de HEERE, uw God? Het is geen leedvermaak, dat we lezen in vers 10. De Kerk weet niet wat leedvermaak is. Zelfs in die allerergste der vloekpsalmen (Psalm 137) is er géén sprake van leedvermaak. Daar — én hier! — is alleen sprake van het juichend be-amen van Gods soeverein en eeuwig rechtvaardig oordeel over alle vergeters van Zijn Wet en alle bespotters van Zijn Kerk. In het grote gericht zal de Kerk alleen maar kunnen juichen als een vloekende mond wordt gestopt — geen juichen uit leedvermaak, maar juichen omdat God de Heere aan Zijn eer komt. De verzen 11-13 zijn zeer moeilijk te verklaren. Wat heeft de profeet hier op het oog gehad? Wij krijgen de indruk, dat Micha reeds de verwoesting van Jeruzalem — in 587 vóór Christus onder Nebukadnezar van Babel — op het oog heeft. Ja, hij heeft zelfs verder gezien: de muren worden herbouwd — door Hém! De profeet is hier weer aan het woord, niet langer de Kerk. „Te dien dage zal het besluit verre heengaan " De kanttekenaren geven ons al het sombere vermoeden, dat deze woorden zéér verschillend worden vertaald — en uitgelegd. Wij kennen ten dele! Het is wellicht het beste, de suggestie van diezelfde kanttekenaren te volgen; zij vermoeden n.1. dat hier door de profeet reeds wordt gezinspeeld op de tijd, waarin het besluit — het Evangelie? — door apostelen en' profeten „verre heen zal gaan", dat wil zeggen zal worden verkondigd over de gehele bewoonde wereld. Dit is niet onaannemelijk, temeer daar dit zendingsmotief meer dan eens door Micha's profetieën heenspeelt. Vers 12 en 13 zinspelen ook op het wereldwijd worden van Christus' Kerk.

Gespreksvragen:

1) Hoe moeten wij de zgn. vloekpsalmen verstaan in het licht van b.v. Matth. 5 : 44?

2) Welke weg wijst Micha ons in deze ontwrichte samenleving (vgl. vooral vs. 7 en 9)?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1971

Daniel | 16 Pagina's

Het profetische woord

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 december 1971

Daniel | 16 Pagina's