Over de grenzen
Op zoek naar een eigen gestalte
„Wanneer men begint te filosoferen over de vraag, wat hei onderwijs zou kunnen doen, dient één ding duidelijk voorop te staan, nl. dat het niet de bedoeling is te streven naar verwesterïng. Elk pogen in die richting moet noodzakelijk mislukken. Het is al dadelijk verkeerd iets te willen, dat bij de betrokkenen op verzet moet stuiten. Deze mensen hebben per saldo niet onze macht van zich afgeschud om zich nu iria het onderwijs hun eigenheid te laten ontfutselen. Juist om die eigenheid gaat het hun en zij kunnen zich op het Japanse voorbeeld beroepen om aan te tonen, dat een volk westerse wetenschap en techniek kan assimileren zonder op te houden zichzelf te zijn. Verwestering is ook niet het doel van internationale hulp. Die hulp beperkt zich ertoe de mensen in staat te stellen door overname van techniek en wetenschap een gelijkwaardig niveau van welvaart en ontwikkeling te bereiken met de zoesterse volken. Dat laat de mogelijkheid open om — ondanks een zekere mate van verwesiering en een nog grotere mate van verandering — eigen identiteit en een eigen levensvorm te bewaren."
Dr. J. van Baal in: Mensen in verandering, Amsterdam, 1967, blz. 151.
De kerk thans.
Bij haar zelfstandigwording koos de Toradjakerk voor de presbyteriale kerkstruktuur, die wij ook in Nederland kennen. Eens per drie jaar wordt een algemene synode gehouden. De grote afstanden en onderlinge verschillen (Bhinneka Tinggai Ikaü) leidden tot de instelling van vier regionale synoden: Makassar, Makale, Palopo en Rantepao, , Niettemin moeten de synoden vaak „Salcmo's oordelen" vellen. Begrijpelijk omdat de feodale maatschappij (leiding van bovenaf) tegengesteld is aan het presbyteriale kerktype, waarbij he< gezag in handen ligt van de gemeenten.
In 1947 nam de kerk de Drie Formulieren van Enigheid aan als geloofsbelijdenis. De theologische school in Rantepao heeft onder meer tot — moeilijke — taak, er voor te zorgen, dat de belijdenis niet alleen de basis is van de kerk, maar er ook wezenlijk in functioneert.
Langzamerhand zoekt de kerk naar eigen vormen van belijden, liturgie en kerkbouw. De nieuw berijmde psalmen worden gezongen op de oude „badong-melodieën". In 1961 kwam Dr. H. van der Veen gereed met wat 45 jaar zijn hoofdwerk was: de vertaling van de bijbel in de Toradjataal. Twee Toradja's studeerden in Nederland af. Drs. Th. Kobong studeerde theologie aan de R.U. te Utrecht en heelt thans de leiding aan het vormingscentrum (kaderopleiding), waaraan ook de Nederlandse zendingspredikant Ds. J. van Roest werkzaam is. Dr. Palamba studeerde in Nederland medicijnen en heeft de leiding van
het medische werk, waaraan geen enkele Nederlander verbonden is. De theologische school te Rantepao telt Drs.i B. Oosterom en Drs. J. J. de Heer als Hollandse docenten, terwijl de G.Z.B, verder Dr. Th. v. cl. End uitzond als docent aan de theologische faculteit te Djakarta en Ds. A. Schipper als studentenpredikant in Makassar. Aan de theologische school te Rantepao ontvangen ook de predikanten van de Mamasa-kerk (ontstaan uit de arbeid van de christelijke gereformeerde kerken) hun opleiding. Genoemde kerken stonden in Drs. Van Heest een docent af.
Tenslotte is ing. G. Riphagen als technikus verbonden aan een middelbaar technische school, waarmee een projekt samenhangt, dat de Nederlandse regering — in het kader van de ontwikkelingssamenwerking — voor een groot bedrag steunde.(
Zending en Ontwikkelingshulp.
Bovenstaande — mogelijk wat dorre — opsomming duidt de onderwerpen aan, die we ter afsluiting' van deze serie willen behandelen. We hopen duidelijk te maken waarom naast financiële steun thans en in de toekomst, hulp bij het onderwijs — met name ook het theologisch kerkelijk onderwijs — lot de meest wezenlijke taken van de zendende kerk behoort.
Uiteraard is zending veel meer dan „prediking van het Evangelie", zodra de kerk echter zelfstandig begint te worden, zal de aandacht sterker op de twee genoemde takken van dienst gericht worden. Daar hebben we dan de handen ook vol aan, zodat het een juiste takenverdeling is, wanneer de overheid assisteert bij lal van andere projekten, die gericht zijn op de verbetering van de infra-struktu.ur (landbouwmethoden, medische verzorging, vestiging van fabrieken etc.) van het betrokken land. De geestelijke veranderingen, die hiermee gepaard gaan vormen een ontzaglijk moeilijke uitdaging voor de jonge kerken. Assistentie vanuit het westen is daarbij onontbeerlijk.
Het is daarom oneerlijk zending en ontwikkelingshulp tegen elkaar uit te spelen. Dat is een valse tegenstelling. We kunnen ook in de bijbel woord en daad niet tegen elkaar uitspelen. Bij vermenigvuldiging van noden en verantwoordelijkheden is een nuchtere verdeling van taken een eerste vereiste.
Waarom het onderwijs?
Onderwijs is een volstrekt nieuw gegeven in ontwikkelingslanden. De oorspronkelijke dorpsgemeenschap kende wel leiding, maar die maakte zich meestal waar in religieus bepaalde hoedanigheden. Het levenspatroon ligt vast en kent dus geen verandering. Het begrip „vooruitgang" is dan ook een typisch westerse verworvenheid. De statische gemeenschap in de derde wereld zette zich generatie na generatie voort en was alleen afhankelijk van de wijze waarop de jongeren in het geheel ingroeiden. In Europa zijn wij gewend de school te zien als een leerinrichting met „lesboeren" en „onderwijskomputers". Voor de Toradja's is de school duidelijk meer, ja neemt hij zelfs een centrale plaats in..
Dat maakt één van de problemen duidelijk. Kennis moet „wendbaar" zijn! Wat het kind op school leert kan het thuis toepassen: elektriciteit, de krant, een natu.urkundeproef etc. In ontwikkelingslanden is de school een totaal andere wereld dan die van thuis. Van die kant krijgt het onderwijs dan ook geen medewerking. Leren is primair uit het hoofd leren. Op de islamitische scholen wordt dit letterlijk toegepast. De kinderen leren de goddelijke teksten — waar geen titel noch jota van afgedaan mag worden — uit het hoofd.
Tegen deze achtergrond begrijpen we, waarom de christelijke scholen voor de kleine minderheid van 7% christenen de bases vormen voor de verbreiding van het Evangelie en tevens een verantwoorde en zeer belangrijke bijdrage kunnen leveren aan dc verwerkelijking van de sociale idealen van vooruitgang en welvaart.
Meestal zal de regering een visum botweg weigeren, als het gaat om een westers „onderwijsman". Men laat zich de pas verworven vrijheid liever niet weer via het onderwijs ontfutselen. Hoe belangrijk het onderwijs immers ook is, het gaat. niet in de eerste plaats om een verwestersing van de samenleving. De christenen in Indonesië zoeken een eigen levensvorm en eigen identiteit.
Kerk en maatschappij.
De Toradjakerk is lid van een overkoepelende organisatie, die de belangen van onderwijs en kerk bij de regering behartigt. De Kamerleden worden in Indonesië slechts voor een deel rechtstreeks gekozen. De rest wordt naar voren geschoven door allerlei organisaties, die dus eigenlijk als machtsblokken functioneren en verklaren waarom de aktieve minderheid van christenen zich zo sterk georganiseerd hebben. Indonesië kent naast een protestantse en een rooms-katholieke partij een — naar invloed gemeten — belangrijk aantal christen-ministers.
De grondwet — waarvoor ook iedere Toradja Soekarno dankbaar blijft! — biedt de mogelijkheid tot het geven van christelijk onderwijs, waardoor de kerken kunnen werken aan de vorming van een elite, die belangrijke posten kan innemen op het terrein van kerk en maatschappij. Het is in dit opzicht veelzeggend, te horen dat mohammedanen die het christelijk onderwijs volgden (omdat het kwalitatief zoveel beter is) later verdraagzamer staan tegenover het christendom dan hun ouders, die alleen wisten van de Heilige Oorlog!
Middels het onderwijs drijft de jonge kerk zelf zending.! Vijftig tot zeventig procent van de leerlingen is aan het begin van de Lagere School niet-christelijk. Aan het einde van de middelbare school zijn praktisch alle leerlingen overgegaan tot het christendom! De invloed van het onderwijs reikt nog verder doordat een nieuwe gemeente meestal ontstaat uit pionierswerk van kerkleden en onderwijsmensen, waarbij de laatste optreden als „lerend ouderling". Zeventig procent van dc laatstgehouden synode bestond uit onderwijsmensen. Het onderwijs strijdt dus ook tegen het enorme tekort aan predikanten en tegen (wat daar mee samenhangt) de zeer geringe bijbelkennis.
Een eigen gezicht.
Bij het zoeken naar een eigen levensvorm gaat het om een overbrugging van het probleem, dat centraal stond in het vorige artikel. Zending en ontwikkelingshulp verstoren een totaal anders ingerichte maatschappij. Uit een gesprek met de voorzitter van de onderwijskommissie van de Toradjakerk noteerde ik het volgende:
„We willen de oude Toradjacultuur zoveel mogelijk bewaren. In de eerste plaats de taal. De waarheden van het geloof kunnen we beter uitdrukken in onze eigen taal (gewijde priestertaai!) clan in het moderne Ba-
hasa Indonesia. Eigenlijk staan we voor onoplosbare problemen. Onze bronnen op de scholen zijn meestal nog westers, daarom is onze eigen uitgeverij voor de toekomst zo belangrijk. We streven naar een eigen visie op elk terrein. Als we niet spoedig een antwoord kunnen geven op de vele vragen, zal de snelle ontwikkeling van de maatschappij ons voor zijn en wegspoelen wat de kerk heeft opgebouwd en nog hoopt op te bouwen. Als we niet slagen krijgen andere krachten hun kans. Dat is de achtergrond van het voortdurende revolutiegevaar waarin Zuid-Oost Azië verkeert!"
Samenvattend kunnen we zeggen, dat de Toradjakerk zoekt naar een bedding waarin het water van het Evangelie kan vloeien, naar een wegennet waarover het zich moet bewegen, naar een woordenschat waarin het zijn uitdrukking kan vinden. Het is dan ook niet eerlijk bij het zien van deze pogingen te spreken van het uit ac zendingsgeschiedenis bekende (beruchte!) „aanknopingspunt", waarbij heidense voorstellingen fungeren als onderbouw voor het Evangelie.
Wie zal dat betalen?
De leidende figuren binnen de Toradjakerk staan in een enorm spanningsveld. De stabiliteit van de Rupiah is een gegeven, dat onder de regering Suharto bereikt is. De Toradja's zijn hier als echte nationalisten dankbaar voor. De prestige-projekten van Soekarno kostten miljarden en kwamen de economie van het land niet ten goede. De Rupiah daalde bijna dagelijks in waarde.
Dat had voor de kerk echter dit voordeel, dat wanneer de G.Z.B. geld overmaakte, dit bedrag bij aankomst groter geworden was, „dankzij" de geldontwaarding. Dat is nu afgelopen. Daarmee staat men voor de moeilijke opdracht van de financiering van kerkelijke en onderwijsfunctionarissen.
De Indonesische regering betaalt namelijk niet alle leerkrachten, maar een bepaald aantal, de rest moet de kerk zelf doen. De kerk dient daarom niet alleen in waardevaste Rupiah courant uit te betalen, maar behoort ook de verhogingen van de regeringsfunctionarissen bij te houden, wil een uittocht van bekwaam personeel voorkomen worden.
Bij een financieel bankroet staat het roomokatholieke „schaduwkabinet" direct klaar om de zaak over te nemen. De roomse kerk werkt immers meer vanuit een wereldkerk — die Rome dirigeert — dan met zelfstandige kerken, zoals dat bij de protestanten (terecht) gebruikelijk is.
Zending is jezelf overbodig maken. Is het dan goed te blijven subsidiëren? In zijn algemeenheid natuurlijk niet. Het onderwijs dient in het geheel van de samenleving geïntegreerd te worden, een eerste vereiste is dan volledige eigen verantwoordelijkheid. De bevolking — die vreemd staat tegenover onderwijs — moet zelf de kosten dragen. Uit het bovenstaande werd duidelijk dat het politiek-economisch gezien om een uitzonderingstoestand gaat. Bovendien is het voor ons gemakkelijker te mogen geven, dan te moeten ontvangen!!
Men wil met alle geweld zelfstandig zijn. Een coöperatie voor leermiddelen, consumptiegoederen en kantoorbehoeften; een steenbakkerij; een landbouwprojekt met 500 ha grond voor het verbouwen van handelsgewassen en de technische school die in een bescheiden industrialisatie (opheffing werkloosheid in die sector!) wil voorzien, zijn fraaie voorbeelden van kerkelijke initiatieven, die de tekorten van de kerk moeten gaan dekken en tevens een bijdrage willen leveren aan cle economische ontwikkeling van Toradjalancl.
Roeping en belofte.
In de afgelopen zomer vertelde een van de leidende figuren uit de Toradjakerk:
„Vroeger hebben we gebeden tot God, of Hij mogelijkheden wilde geven voor de verkondiging van zijn woord. De gebeden zijn rijkelijk verhoord. Moeten we nu bidden: „Heere beperk onze mogelijkheden, omdat we het niet allemaal kunnen betalen? " De christenen moeten als kinderen van één Vader inzien dat de geestelijke en materiële problemen van Gods kerk in de gehele wereld een taak en roeping inhouden." De zending vraagt daarom niet om geld dat in de sfeer van massapsychose bijeengebracht is. Die methode krijgt alleen een kans in een ontkerstenende westerse samenleving, waarin hulp aan de derde wereld fungeert als een vervanging van het verdwijnend geloof. Doelmatigheid en resultaat zijn dan minder in tel, dan de aflossing van een ontkerstend schuldbesef. Ons koloniaal verleden heeft in brede kringen een nog steeds door de pers gevoed
schuldgevoel nagelaten. Doeltreffende hulp gaat gepaard met bezinning op de problemen van de medechristenen in de wereld. Onze gave, onze offers worden dan in het geloof gegeven. In het geloof hopen en bidden we, dat de Koning der Kerk de brokjes van onze welvaart die we afstaan, wil vermenigvuldigen als eens cle vijf broden en twee vissen!
H. A. Abma.
Literatuur:
1. H. A. Abma en Ds. W. J. Bouw: Zending en jeugd, uitg. GZB, 1971, ƒ 2, —.
2. H. A. Abma: In Gods hand als vijf broden en twee visjes, artikel in Gereformeerd Weekblad, 31 oktober 1970, nr. 43, 70e jaargang.
3. Toraajajeugd Indonesia, uitgave GZB/ HGJB, ƒ 3, —.
4. J. Kruyt: Het zendingsveld Poso, geschiedenis van een konfrontatie, Kampen. 3 970.
5. De Toradja tussen Oost en West, interview met twee vooraanstaande Toradjas, verschenen in Alle den Volckc, maandblad van de GZB, 64e jrg. nr. 10, 1970, los nummer ƒ 1, —.
6. De weg van het Woord in de wereld van Indonesië, tekst van de zomercursus 1965 van de theologische etherleergang van de NCRV, 7e jrg. nr.; 4. (Nederlandse en Indonesische auteurs).
7. Kenya van a tot z, geschreven door de zendingsarbeiders van de GZB in Kenya. Geeft in 128 pag. met kaartjes en foto's een uitvoerig beeld van de samenwerking" met een zeer jonge kerk in een ontwikkelingsland, ƒ 7, 90.
8. J. C. Gilhuis, Over wonderen gesproken, memorandum voor missionair meeleven, Kampen, 1970, ƒ 8, 75.
N.B.: De literatuur vermeld onder de punten 2, 3, 5, 7 en 8 is verkrijgbaar bij het bureau van de GZB, Utrechtseweg 117, Zeist.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1971
Daniel | 16 Pagina's