Bent U in de ark?
„Door het geloof heeft Noach de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld en is geworden een erfgenaam der rechtvaardigheid, die naar het geloof is." (Hebr. 11:7)
De ark van Noach wijst op Christus. In Hem moeten wij geborgen worden door het geloof. In de doop is ons dat bezegeld. Maar het teken en zegel van de doop werkt zelf die gemeenschap aan Christus niet. Wij moeten wedergeboren werden. Het kan niet minder. Wie wij zijn, in de ark zullen wij moeten ingebracht. En nu huppelt zo menigeen cm die ark heen; vol verbazing, onder de indruk sems, doch zender waarlijk in te gaan Menigeen is in de kerk naar haar zichtbare vertoning, doch heeft geen waarlijk deel aan Christus. In de ark was Cham; uit Sodom trok ook de vrouw van Loth; met Nacmi trok ook Orpa op; en zovelen gaan met Gcds volk mee en verkeren onder het Woord en hebben indrukken en schreien gevoelige tranen soms; maar waar alles op aan komt zij hebben geen' deel aan Christus! Laat vrij het Christendom naar de mode van deze tijd varen, dat aan doop en belijdenis genoeg heeft, doch denk aan eigen oppervlakkigheid! Wij gaan de eeuwigheid tegemoet. Wij zullen God ontmoeten! Zijn recht zal ons oordelen. En gij leeft gerust? Elke dag brengt ons nader tot het grote oordeel; maar telt gij het niet? Uw gemoedelijke bewegingen zijn uw grend en deen u rusten? Geen Borg hebt ge nodig? Geen ark behoeft voor U gebouwd? Heeft de Zone Gods dan vergeefs geleden? Weet gij een weg buiten Christus ter zaligheid? O, dat God de grond neme van onder onze voeten; dat Hij ons oog opene voor Zijn rokend recht, opdat wij de arke cler behoudenis mogen ingaan en een ware vereniging met Christus door het geloof verkrijgen, opdat onze ziel behouden worde uit het oordeel, dat gewis komt. Nee, ik zeg dat niet, om met het bekommerde volk hard te handelen. Ik weet, er zijn er, die hun aandeel aan Christus niet kunnen opmaken en vrezen om te komen, en die zekerlijk zullen behouden worden. Ik weet het, wat hun zielestrijd is: hun hopen en vrezen. Meer: God weet het. Maar juist zij beamen zo geheel de noodzaak cm in Christus geborgen te worden; zij kunnen niet minder. Meer en meer worden zij er aan ontdekt, dat al hetgeen waarbij zij weleer leefden, geen grond kan zijn om op te staan in het recht des Heeren. Eén ding slechts is hun nodig! Dat zij de arke ingaan. Zo menigmaal mochten zij een ceg op Christus slaan en in Hem alles ter zaligheid aanschouwen'. Wanneer, o wanneer zal Hij zeggen: „Ik ben Uw Heil"? Maar kan Hij dan Zijn werk verlaten? Hopende zielen, zoudt ge niet door het geloof u verlaten op Zijn Woord? Noach predikte honderdtwintig jaren lang. Hij bouwde de ark, alhoewel er geen water te zien was; hij wachtte door het geloof wat niet gezien werd. Zou dan uw ziel niet wachten op Hem, Die getrouw is; Die niet liegen kan! Laat de spotter tergen; het ongeloof roepen: „Wie zal leven als God dit doen zal"; de Heere komt op Zijn tijd. Zo Hij vertoeft, verbeidt Hem, want Hij zal gewiscelijk komen en niet achterblijven.
Ds. G. H. Kersten (1882—1948)
Uit: Meer dan overwinnaars, Utrecht, 1953, blz. 64, 65.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 september 1971
Daniel | 16 Pagina's