JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het profetische woord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het profetische woord

MIJN VOLK, GEDENK TOCH

8 minuten leestijd

Micha 6 : 1-5

voor Gods rechterstoel

Het is een ernstige zaak, als wij met de rechter in aanraking komen, 't Is al niet zo leuk in een zaak te moeten getuigen, maar het komt toch nog anders te liggen, als we als verdachte gedagvaard worden voor de rechter. Maar veel ernstiger nog is het, gedagvaard te worden voor de Rechter van hemel en aarde! Denken wij er wel eens over, wat het zal zijn, als wij geroepen worden voor de witte troon van Hem, Die te rein van ogen is, dan dat Hij het kwade zou zien, in Wiens ogen de hemelen niet zuiver zijn? Wie heel het leven ziet in het licht van dat ogenblik, waarop een heilig en majestueus God, de Koning der Koningen en de Heere der heren ons in de ogen zal zien, die gaat anders leven. Wie wéét met het hart, dat onze God een verterend vuur is en een eeuwige gloed, die gaat alle dingen zien in het licht van de eeuwigheid. Die krijgt vóór alle dingen behoefte aan Hem, Die een verberging is tegen de wincl, een schuilplaats tegen de vloed: Christus.

Eenmaal komt voor u en mij dat ogenblik, waarop wij alleen zullen staan voor God. Alleen! Er zal dan niemand zijn om bij te schuilen, niets om ons achter te verbergen. In dat ogenblik zal elke uitvlucht ijdel zijn, elk woord op de lippen verstommen. Grote monden, hier door niets en niemand te stillen, zullen zwijgen bij het zien van Hem, Wiens ogen zijn gelijk een vlam vuurs. Alleen zult ge staan, geheel voor eigen rekening, tenzij ge hier de enige troost in leven en sterven hebt gevonden daarin, dat ge niet meer van uzelf bent, maar van uw getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Hij alleen is de enige Advocaat in dat hemels gericht, Die uw Pleibezorger zijn kan; Hij alleen, omdat Hij met de overtreders is gesteld geweest.

Aan deze dingen moest ik denken bij het lezen van Micha 6. 't Is ongetwijfeld het bekendste gedeelte van Micha's profetie. Wat een verschrikkelijk begin! De HEERE heeft een twist met Zijn volk! Hij begeeft Zich met Israël in recht .... Het is alles even vreselijk in deze rechtszitting. De getuigen zijn vreselijk! De fundamenten der aarde worden tot getuigen geroepen. Hoort, gij bergen! de twist des HEEREN!

Wij moeten weer denken aan Jesaja, die in zijn profetiën zo op zijn tijdgenoot Micha lijkt. Hoe vangt het boek Jesaja ook weer aan? Hoort, gij hemelen, en neem ter ore, gij aarde! want de HEERE spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden ... O, als de HEERE gaat twisten met Zijn volk, dan beeft de schepping. We zien in de Schrift een zeer sterke band tussen schepping en mens. Het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods! Het ganse schepsel zucht, en is als in barensnood tot nu toe .... omwille van de mens. Als God de Heere de mens vloekt, dan sidderen de bergen en beven de fundamenten der aarde. En, omgekeerd, in Psalm 98, als God gedacht heeft aan Zijn genade wordt de zee aangespoord van vreugde te bruisen, en het gebergte met de handen te klappen naar omhoog. Daar is in de Schrift een eenheid, een band tussen schepping en mens, die wij uit het oog verloren hebben. Niet alleen de getuigen zijn vreselijk, ook de Aanklager is vreselijk: God. Hij is in deze rechtszitting Aanklager en Rechter tegelijk. Maar het ergst van alles is de aanklacht. We vinden deze in de verzen 3-5 van dit hoofdstuk en zij vormt het brandpunt van deze bijbelstudie. God is aan het woord! En het verwijt, dat Hij tot Zijn volk richt, is zo actueel als het maar zijn kan. Zalig is hij, die hier in dit leven voor Gods aanklacht het hoofd mag buigen. Hij hoeft niet te vrezen voor het gericht van de jongste dag!

Gods klacht

O Mijn volk! Merkwaardig, hoe deze aanklacht van Godswege helemaal niet vijandig, niet hard klinkt. Het is eigenlijk meer een verwijt dan een aanklacht. Het gebeurt zo onder men'sen wel eens, dat de een zo stuurs en nukkig doet tegen de ander, dat deze vraagt: wat is er toch? Heb ik je wat gedaan? Zeg het eens! Wel, zó spreekt de Heere hier. Hij, Die redenen te ever heeft Zijn volk weg te slingeren om er nooit meer naar om te zien, Hij zegt: o Mijn volk! Wat heb Ik u gedaan, en waarmee heb Ik u vermoeid? Betuig tegen Mij!

Mijn volk! Dat is met geen duizend zonden

weg te werken. Israël is Gods volk. Daar was niet veel meer van te zien in het volksleven' in de dagen van Micha. Maar hoort nu, wat de HEERE zegt: Mijn volk! Nu moeten we oppassen voer een misverstand. Als wij het over „Gods volk" hebben, dan bedoelen we tegenwoordig doorgaans wat ik nu maar noemen zal Gods ware Kerk, de waarachtige kinderen Gods. Als we spreken over „Gods volk" bedoelen we meestal niet de gehele zichtbare kerk. Nu moeten wij oppassen, dat we onze bijbel goed lezen. Als we namelijk zouden denken, dat God hier alleen het oog heeft op Zijn ware kinderen, als Hij zegt: „O Mijn volk, wat heb Ik u gedaan? " — dan zijn we er nogal een flink eind naast. Dan kunnen we zelfs het gevaar lopen het Woord Gods krachteloos te maken. God bedoelt wat Hij zegt! Het gaat hier om het ganse volk, hoofd voor hoofd, hart voor hart. Alles wat het teken van Gods verbond aan het lichaam draagt wordt hier ter verantwoording geroepen. Niemand kan hier onderuit.

O, Mijn volk! Dat zegt de HEERE tegen bekeerd en onbekeerd. Dat zegt de HEE-RE tegen alles wat Hij Zelf gemerkt heeft met het teken van Zijn verbond. Dat behoort Hem toe, daar heeft Hij recht op, dat is van geen ander! Al zegt dat volk duizend maal: aan de kennis Uwer wegen hebben wij géén lust! — er valt niet te tornen aan dit woord: o Mijn volk. Verstaan wij dat, ook in deze tijd? Als wij eenmaal werden gedoopt, door de Heere gebracht onder de bediening van het Evangelie der genade, opgevoed rond de gouden kandelaar van Zijn Woord en Getuigenis, dan zegt de Heere hier tot ons: o, Mijn volk! Neen, ik zeg niet dat ge bekeerd bent als ge gedoopt zijt. Maar met geen duizend kronkelredeneringen komen wij ooit onder deze vaste waarheid uit: als het water van het verbond eenmaal over ons voorhoofd stroomde, behoren wij God toe, en niemand anders; heeft Hij recht op ons, en niemand anders; hebben wij Hém aan te hangen, en niemand anders.

gedenk toch!

Dit is in twee woorden de inhoud van Gods klacht. Gedenk toch. Dit heeft God het meest verwonderd, dat Zijn volk zo spoedig vergeet. Met een paar woorden herinnert Hij nu Israël aan enkele hoogtepunten van genade. Let er eens op, dat deze hoogtepunten van genade tevens dieptepunten van zonde zijn! Eerst wordt dat grootste aller heilsfeiten van het oude verbond genoemd: opgevoerd uit Egypteland. Hoe was het volk daaronder? Murmureren geen gebrek. Dan herinnert de Heere aan de leidslieden', die Hij hen niet onthield: Mozes, de zachtmoedige, de middelaar, die de Wet ontvangen heeft door bestellingen der engelen, de voorspraak: delg mij uit Uw boek! Aaron, de hogepriester, aan wie de bediening der verzoening werd toebetrouwd, die op zijn hart de namen droeg van de twaalf stammen Israëls. Mirjam, de profetes, die haar lied zong na de doortocht door de Rode Zee. God brengt Zijn volk in herinnering de duivelse raadslag van Balak — en de wonderlijke zegen van Bileam. En dan: wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe! In Sittim bedreef het volk zijn gruwelijke zonde met de Moabieten, direct na Bileams zegen .... Gilgal was de plaats, waar het volk aankwam in het beloofde land, droogvoets door de Jordaan geleid; Gilgal was de plaats waar de Heere het verbond vernieuwde met dat volk, waarvan Hij veertig jaar verdriet had gehad. Gedenk toch, Mijn volk. Het woord valt als een schaduw over ons zelfgenoegzame, Godvergetende leven. Wat geschied is van Sittim af tot Gilgal toe ....

Was er in uw leven' geen Sttim? Weet ge het nog, hoe ge na Gods ontvangen zegen zo gruwelijk zondigde als nooit tevoren? Of hebt u alle Sittims al vergeten? Gedenk toch! Was er in uw leven een Gilgal? Dat ogenblik, dat de Heere, Die zoveel jaren verdriet van u had gehad, toch weer begon Zijn verbond te vernieuwen? Of .... is zelfs Gilgal vergeten?

Gespreksvragen :

1) Wat zijn de gerechtigheden des HEE-REN? (vers 5)

2) Waarom zou de toon van Gods klacht eerder bedroefd dan vertoornd zijn?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1971

Daniel | 16 Pagina's

Het profetische woord

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1971

Daniel | 16 Pagina's