Over de grenzen
Het ontstaan van een jonge kerk
„In een lezing van de in 1959 overleden Duitse zendingshoogleraar Freytag komt een verhaal voor, waarin verteld wordt hoe hij eens een bezoek bracht aan een cliep in het bergland wonende, kleine Papua-gemeente.
Wat hem bij dit bezoek het meest getroffen had waren de vragen, die door deze jonge christenen gesteld werden. Zij vroegen namelijk of het evangelie nog voortgang vond in China, of de christelijke kerk in Afrika zich ook uitbreidde, hoe het kerkelijk leven in Europa zich ontwikkelde, en nog veel meer van dergelijke vragen, die men van deze mensen in zo'n uithoek van de wereld nooit zou hebben verwacht. Terecht tekent Freytag bij dit verhaal clan ook aan, dat hij zich dikwijls geschaamd heeft tegenover christenen uit de z.g.n. jonge kerken. Immers hoe beperkt is vaak de horizon in het leven van heel veel kerkleden in onze eigen kring, zelfs onder hen die de politieke berichtgeving over werelddelen als Azië, Afrika en Latijns Amerika elke dag nauwkeurig in de krant nagaan, maar zonder daarbij te bedenken hoe God in en ondanks dit alles ook in deze kontinenten zijn werk doet en voortzet".
Dr. J. C. Gilhuis in: Over wonderen gesproken, Kok, Kampen, 1970, blz. 7.
Ons vorige artikel maakte de voorraadlijst op van de problemen der jonge kerken in het algemeen. We zagen, dat cle verkondiging van het Evangelie niet alleen het hart raakt, maar ingrijpt in het totale levenspatroon. Naast de ontwikkeling van de wereldeconomie, het nationalisme en samenhangende internationale spanningen, draagt ook de zending een steentje bij tot de problemen van de jonge kerken. Aandacht voor die vragen kan vruchten afwerpen voor de kerk aan het thuisfront, die
niet minder problemen heeft. Dat alles beloofden we in dit artikel duidelijk te maken aan de hand van de ontwikkeling van een jonge kerk in Indonesië: de Toradjakerk.
de Toradja's
„Bhinneka Tunggal Ika" zo luidt de zinspreuk onder het wapenschild van Indonesië. „Eenheid in verscheidenheid", van 13000 eilanden, waarvan er ongeveer 3000 bewoond zijn door talloze stammen met eindeloze variaties in cultuur en religie.
In het bergachtige midden van het grillig gevormde eiland Celebes, tegenwoordig Sulawesi genoemd, wonen de Toradja's. Dit gedeelte dat pas in het begin van deze eeuw cnder direct bestuur van de koloniale regering kwam — heeft bijzonder onze aandacht, als het voormalige zendingsterrein van de Gereformeerde Zendingsbond in de N. H. Kerk.
Men noemt de bewoners van dit gebied Toradja's hetgeen letterlijk „Hooglanders" betekent. Sommige volkenkundigen nemen aan, dat dit volk oorspronkelijk uit de Kaukasus stamt en na vele eeuwen van omzwervingen in vaartuigen tenslotte Sulawesi bereikte. De gedachte aan „varen" leeft voort in de huizenbouw. De daken hebben typisch de vorm van een prauw en' aan de voor-en achterkant herkennen we in de vogel-of buffelkop de versieringen, die aan de plecht en achtersteven van oude indonesische schepen zijn aangebracht. (Denk ook aan de Vikingschepen!) Een groep gezinnen, die volgens dezelfde gewoonten leeft (bv. in de landbouw) wordt een „sanglembang" genoemd, hetgeen in zijn letterlijke betekenis ook weer aan de scheepvaart herinnert: „van één prauw".
stam godsdienst en adat
„Het was in de grijze oudheid, dat Londong di Roera wilde trouwen met Kombong di Boera („de in het huis gevormde"). Die twee waren broer en zuster, en ze
woonden in Roera, een plaats, die in de buurt van Enrekang ligt. De mensen van Roera verzetten zich hevig tegen dit huwelijksvoornemen van Lcndong di Roera met zijn zuster, omdat bloedschande ook in die grijze oudheid een groot kwaad was. Maar Lcndong antwoordde, dat hij naar Poeang Matoea, de hemelheer, zou gaan om toestemming voor zijn huwelijk te vragen. In plaats van echter naar de hemel op te stijgen, waar hij wist van Poeang Matoea een weigering te krijgen, verborg hij zich voor een tijd in de omgeving van Roera. Toen keerde hij weer terug naar het dorp en vertelde aan de mensen, dat de hemelheer toestemming voor zijn huwelijk gegeven had, op voorwaarde, dat het ontzondigingsoffer (het ma-ramboe langi) werd gebracht.
Terwijl men met het uitvoeren van deze plechtigheid bezig was verzonk het hele dorp met al zijn inwoners in de grond, zodat men daar tegenwoordig alleen de poel van Roera vindt. Alleen Londong di Langi („de ene mens") bleef gespaard."
Vol ontzag vertellen de Toradja's nog steeds dit verhaal, dat doet denken aan de verdwijning van Sodom en Gomorrai Longi di Langi heeft de vaderen de regels geleerd, waarnaar geleefd moet werden, alsmede de grote feesten: het Bcea-feest, het offerfeest om regen voor cle ccgst te ontvangen: het Boegi'-feest tot genezing van zieken en tot zegen van mens en beest; het dodenfeest, om ons daarin het hiernamaals te verzekeren. Het is duidelijk, dat de gebondenheid aan de adat het meest scherp tot uitdrukking komt rond de belangrijke gebeurtenissen in het leven: geboorte, huwelijk en dood. Enkele voorbeelden mogen dienen als „smaakmaker". De literatuurlijst in het volgende artikel wijst je de weg naar een verder — interessant! — onderzoek.
Een vrouw in verwachting, cliënt regels in acht te nemen. verschillende
Ze mag niet lachen om iets grappigs, want cle baby zou dan de eigenschappen over kunnen nemen, van datgene wat haar lachlust hacl opgewekt. Om dezelfde reden mag zij niets vragen aan een gebrekkige of kreupele. Als de geboorte zich aankondigt, wordt een kip of varken aan de goden geofferd. Als een of andere macht een slechte invloed op de kraamvrouw heeft, worden stukjes kippevlees — vermengd met rijst — op de vier hoeken van het huis gelegd, als voedsel voor de weerwolf of boze geest.
In de oude verhalen kennen de Toradja's ook een allerhoogste god, die eerst de man geschapen had en pas daarna de vrouw. Toen hij de vrouw het leven inblies, maakte een lagere god bezwaar, omdat hij bang was te zullen sterven, als het beeld zou sterven. De allerhoogste god zei toen, dat de lagere god hier niet benauwd voor behoefde te zijn: „Als de mens sterft, dan klop ik in dat hoofd, de geest (de ingeblazen adem) verlaat dan het lichaam om in een nieuw wezen te kunnen trekken."
Doden, tovenaars, voorouders, heksen en godheden hebben dus een beslissende stem in de slotfase van ieders leven. Om de overledene een veilige reis naar het dodenland te verzekeren en om zelf de gunst van de overledene te veroveren worden kosten noch moeiten gespaard voor het dodenfeest. De omvang van het feest werd bepalend voor de welstand van de betrokken familie. De eigenlijke begrafenis werd daardoor vaak uitgesteld, totdat de veestapel de benodigde omvang had. Het lijk; werd ondertussen — enigszins gemummifi-| ceerd — in huis bewaard. Bij deze fees-| ten — dat een begrafenis een feest is, duidt tevens aan, dat de Toradja dit leven ziet als een doorgangshuis — behoren bepaalde riten, inzake de dansen en liederen ter ere van de dode, alsmede met betrekking tot de verdeling van het vlees.
Ontstaan en ontwikkeling van de kerk
Enkele jaren na de eeuwwisseling mocht de GZB haar arbeid in Indonesië beginnen, met de uitzending van de eerste — en na enkele jaren vermoorde — zendingspredikant A. A. van de Lcosdrecht.
Langzaam maar zeker groeide het werk in de takken van kerkewerk, onderwijs en medische dienst. De Toradja's die in de eerste vijfentwintig jaar overgingen tot het christendom hadden het niet gemakkelijk. Christenen — die niet meer meededen aan heidense gebruiken — werden sociaal in een isolementspositie gedrongen. De gedachte aan aparte dorpen voor christenen His altijd afgewezen. De christen hoort, een ^getuige te zijn temidden van zijn omgeving. If.jChrister.-dorpen" zouden geleid hebben
tot cle „ondergang" van de kerk, om redenen, die we in het eerste artikel beschreven.
Na vijfentwinting jaar waren er 73 gemeenten met een eigen kerkeraad en een aantal christenen van 12.251, terwijl er ongeveer 2500 mensen dcoponderricht ontvingen. Het aantal christelijke scholen bedroeg 73 met 131 leraren en 7546 leerlingen. De tweede vijfentwintig jaar brachten echter grotere problemen dan de eerste. We denken in de eerste plaats aan de moeilijke jaren van de oorlog, die de band met het thuisfront afsneed en de Europese zendingsarbeiders in interneringskampen deed belanden van de Japanse bezetters van Indonesië. Voor de kerk waren dit moeilijke jaren, temeer daar de bezetter alle godsdienstonderwijs verbood en de voorgangers der gemeenten uitsloten van overheidssteun. Na de bevrijding brak er een politieke opstand uit die predikanten, ouderlingen en gemeenteleden het leven kostte, terwijl na een korte periode van rust, Indonesië in 1949 zelfstandig werd en op Sulawesi een felle strijd begon om de eenheidsstaat. Een fanatieke Boeginees Kahar Muzakar opereerde in de Toradjalanclen, bleef de centrale regering niet lang trouw en sloot zich aan bij de Daroel Islam, die Indonesië met geweld tot een Islam-staat wilde maken. Zijn goed geoefende benden oefenden vooral over de christenen een afschuwelijke terreur uit. Bijbels werden verbrand, predikanten en ouderlingen cp gruwelijke wijze vermoord, kerken tot moskeeën gemaakt. Talloze christenen vluchtten, slechts bijbel en psalmboek meenemend. De meisjes van de christelijke kweekschool werden aan de soldaten gegeven, ouders die protesteerden zonder pardon vermoord. De onrust zou tot 1963! voortduren.
Dat was tevens het jaar waarin de 50jarige verkondiging van het Evangelie gevierd mocht worden. Een d.er Toradjapredikanten sprak over de tekst: „Doch Gode zij dank voor zijn onuitsprekelijke genade".
Na vijftig moeilijke jaren telde de Toradjakerk ruim driehonderd gemeenten met tesamen 170.000 christenen, 230 scholen met 1300 leerkrachten en 44000 leerlingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 september 1971
Daniel | 16 Pagina's