Het profetische woord
IK ZAL!
Micha 5 : 9—13
Op het eerste gezicht lezen we hier in deze laatste verzen van Micha 5 een vreselijke dreiging. En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE en dan lezen wij maar liefst negenmaal een Goddelijk „Ik zal!" Het begint al met „Ik zal uw paarden uitroeien, en Ik zal uw wagens verdoen " En dan gaat het zo verzenlang voort. Met één vaag van Zijn Goddelijke Handen zegt de HEERE alle zonde en boosheid te zullen wegvagen uit Zijn volk. Maar wat eindigt dan deze zo dreigend klinkende profetie wonderlijk! „En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen die niet horen " Hoe is dat nu? Wat kondigt God hier nu aan? Kondigt Hij het einde van Zijn volk aan? Kondigt Hij het einde van de heidenen aan? Wij moeten ons daar eens goed in verdiepen. En hoe meer we er ons in verdiepen, des te meer komen wij erachter, dat deze verzen, waar we ook alweer zo gemakkelijk overheen lezen, uitermate belangrijk zijn! Deze woorden, die zo ver af lijken: te staan van ons leven, woorden over paarden en wagens, over toverijen en guichelaars, deze woorden willen ons grijpen in het hart, ze willen ons verschrikken, ze willen ons vertroosten, ze willen ons boven alles leren wat heiliging is.
te dien clage
Het zal te dien dage geschieden. Wanneer is dat? Wij moeten ons weer herinneren, dat dit hoofdstuk een messiaans hoofdstuk is, dat over heel het hoofdstuk de schaduw valt van dat eerste vers: en gij, Bethlehem Efratha! Hier wordt geprofeteerd over de heerschappij en het koninkrijk van Koning Jezus. Als Hij regeert, als Hij op de troon komt in uw en in mijn leven, dan dan zal het geschieden, te dien dage, op die dag zal het geschieden wat wij hier lezen. Direct komt de vraag op ons af: is deze belofte reeds in óns leven vervuld? Het is een gewisse belofte Gods. Niets is zó zeker als het Woord Gods, niets is zo vast als de beloften Gods. Maar werden deze beloften ook vervuld in ons leven? Dat moeten wij ons afvragen bij het lezen van elke belofte in de Schrift. Bij elke toezegging Gods die wij lezen in de Schrift moet het leven in ons hart: o Heere, doe, gelijk Gij gesproken hebt! Zo ook hier. De HEERE belooft. Daaruit mag het angstig hart vrijmoedigheid scheppen. Immers, daar is aan onze kant niets om op te pleiten. Wij kunnen hoogstens pleiten op ons verdienen van de hel. Of pleit u nog ergens op? Op een bekering, een geestelijke ervaring, een biddend leven? Laat het alles maar uit uw handen vallen, het zal u maar hinderen op het smalle pad ten leven. Daar is niets om op te pleiten dan het pure Woord des HEEREN, Die het beloofd heeft, Die het ook doen zal. Waarom? Niet om u of mij, alleen om Zijn welbehagen. Daar is voor ons geen andere weg, dan om vrezende en bevende te naderen tot Christus en onze hand te leggen op de zoom van Zijn kleed, op Zijn Woord! Want het kleed waarin Christus onder ons wandelt, is Zijn Woord, zegt Calvijn terecht. Het wonder is nu dat zo'n bevende zondaar ervaren zal dat er kracht van Hem uit zal gaan.
Ik zal uitroeien
Wat belooft de HEERE hier nu precies? Hij belooft te zullen uitroeien. Wat zal Hij uitroeien? Zijn volk? Neen, de zonde van Zijn volk zal Hij uitroeien! Dat is nu juist het wonderlijke van deze woorden. Als wij het goed verstaan, zegt de HEERE hier dus dit: onder de heerschappij van Koning Jezus zal het zó zijn, dat de Koning Zelf Zijn onderdanen zal verlossen van hun zonde. Verstaat u dit geheim reeds? Of bent u nog bezig zelf de zonde uit te roeien in uw leven? Bent u nog aan het „vechten" tegen dit en tegen dat? Tracht ge nog te vuur en te zwaard de boezemzonden uit te roeien die ge vindt in uw hart? En wordt ge daar elke dag weer onuitsprekelijk moe en moedeloos van, omdat het u niet lukt, omdat er voor elke zonde die u doodslaat weer twee nieuwe opstaan? Gelooft u dus in feite dat de heiliging deels een werk van God, deels een werk van u moet zijn? Ja maar wacht eens, zegt u misschien, ik moet toch strijden te-
gen de zonde? De Heere heeft toch gezegd: zijt heilig, want Ik ben heilig! Ik kan het toch met de Wet van God niet op een accoordje gooien, zij is toch een leefregel der dankbaarheid!
Dat is waar, vergeet dat nooit, houdt dat vast, dat ons leven heeft te zijn naar de regel van de Wet Gods. Maar vergeet ook nooit, dat ik eerst moet sterven aan die Wet! Ik moet leren zien dat die Wet geestelijk is, maar dat ik vleselijk ben, verkocht onder de zonde. Ik moet als een goddeloze zondaar met lege handen komen te staan voor de troon der genade, cm barmhartigheid te verkrijgen, en geholpen te worden ter bekwamer tijd. Ik moet leren roeper/: O Heere, Uw Wet is goed, volmaakt, rein. Maar ik, o Heere, ik pas niet bij Uw Wet! En toch moet ik leven naar Uw Wet, want Gij hebt gezegd: vervloekt is een ieder, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der Wet, om dat te doen. O God, dan ben ik vervloekt!
Maar dan krijgt deze belofte die wij lezen in Micha 5 waarde voor ons. Dan gaat zij glinsteren als een kostbaar kleinood. Dan, wanneer de HEERE zeggen gaat: Ik zal! Dan, wanneer Hij ons het werk uit handen neemt. Als een kleine jongen zit te prutsen met de rails van zijn spoortreintje, en hij prutst zich hoe langer hoe verder in de moeilijkheden, dan kan een vader wel eens glimlachen en! zeggen: geef maar eens hier, joh. Dan is het in een oogwenk gebeurd. Zó, met eerbied gesproken, neemt de Heere Zijn kinderen het werk uit de handen. Als zij zien in eeuwigheid niet in het reine te kunnen komen met de Wet, dan gaat Hij hen op Zijn tijd wijzen cp en brengen tot Hem Die gezongen heeft: Ik draag Uw heil'ge wet, dien Gij den sterv'ling zet, in 't binnenst ingewand! Christus, het einde der Wet voor een ieder die gelooft. Maar dan doet de Heere méér. Dan neemt Hij Zijn kinderen het werk uit de slappe handen. En als er een kind is dat snikt: Heere, ik kan niet uitroeien — dan zegt Hij: Ik zal uitroeien!
Paarden en wagens ....
Wat belooft de HEERE uit te roeien? Micha gebruikt natuurlijk de woorden van zijn tijd. Hij spreekt over de zonden van zijn tijd. Paarden en wagens zullen worden uitgeroeid. Het doet ons wonderlijk aan. Mag een mens dan geen paarden en wagens hebben? Och jawel. Wij mogen zoveel hebben. Er zijn maar een paar dingen die God ons in de Schrift verbiedt te hebben. Gesneden beelden bijvoorbeeld. Maar verder mogen wij heel wat hebben. Het gaat er alleen maar om: hoe bezitten wij ons bezit? Als wij het op een verkeerde manier bezitten wordt zelfs het meest geoorloofde bezit tot zonde. Zo ook paarden en wagens. Voor Israël ten tijde van Micha symbolen van kracht. Hoe meer strijdwagens in een leger, des te sterker is het. Maar de HEE-RE zegt: uitroeien zal Ik die paarden en wagens, symbolen van jullie kracht, en Ik zal jullie weer leren te zingen: dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van de Naam des HEEREN, onzes Gods!
Uitroeien zal Ik jullie steden en vestingen, symbolen van jullie zelfvertrouwen, en overhouden zal Ik Mij een arm en ellendig volk; die zullen op de Naam des HEEREN vertrouwen! Uitroeien' zal Ik jullie afgoderij en valse godsdienst met alle rommel die daarbij hoort: tovenaars, guichelaars, gesneden beelden, bossen. Tussen haakjes: bij die „bossen" moeten wij niet denken aan onze eikenbossen. Bedoeld worden een soort gewijde palen, afgodsbeelden', gewijd aan de heidense godin Asjera. Dit om misverstand te voorkomen. Maar één ding wordt uit al deze woorden glashelder: God neemt de zaken t.er hand! O, deze belofte glore als een opgaande zon in ons leven. Eén ding wordt klaar: het is niet alleen „laat u zaligen!"; het is óók „laat u heiligen!" Leer de dood schrijven op al uw heiligingspogingen en werp u op dit woord. Heiliging is Góds zaak! En als Hij ons begint te heiligen, clan vangt het nieuwe leven aan. Zonden die we niet klein konden krijgen verliezen hun bekoorlijkheid. Onze wagens en onze paarden vliegen over de kop, en wij gaan er iets van verstaan, wat het is, te hopen op de Naam des HEEREN ..... Zo is er hoop voor knoeiers en tobbers clie vastlopen met hun harde hart. Grote hoop vcor allen die zich zwak voelen tegen een overmacht van duivel, hel en zonde. Grote hoop, louter en alleen omdat Hij beloofd heeft: Ik zal!
Gespreksvragen :
1) Wat is heiliging (of, anders gezegd, heiligmaking)?
2) Wat zijn onze „wagens en paarden"?
3 Wat zijn onze „gesneden beelden en bossen"?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 augustus 1971
Daniel | 16 Pagina's