Het profetische woord
Een dauw van de Heere
Jakobs overblijfsel.
Wij gaan weer luisteren naar het profetische woord bij Micha. Aan de orde is nog steeds hoofdstuk 5. En wij realiseren ons van vers tot vers: dit is een messiaans hoofdstuk, dat spreekt over Christus en Zijn Kerk, dat spreekt over ons, op wie de einden der eeuwen gekomen zijn! Het gaat nu in de eerste plaats over Jakobs overblijfsel. Wat wordt daarmee bedoeld?
De profeten spreken hun eigen taal. Profetische taal met een profetische woordkeus. Als bijvoorbeeld Jesaja en Zacharia het hebben over een Man, wiens naam is SPRUITE, dan doet zo'n woordgebruik ons wonderlijk aan. Wij moeten de taal der profeten leren verstaan, en begrijpen dat zij met deze SPRUITE de Heiland bedoelen. Zo is het ook met deze uitdrukking: akobs overblijfsel. Jesaja was de eerste, die deze uitdrukking haar profetische diepte gaf. Wij horen hem zeggen: , En het zal geschieden te dien dage, dat het overblijfsel van Israël, en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zullen op dien, die ze geslagen heeft; maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige Israëls, oprecht!" (Jesaja 10 : 20). En ook hier — zoals in zoveel andere gevallen — horen we bij Micha gelijke woorden als bij Jesaja. Jakobs (of Israëls) overblijfsel is in hoofdstuk 2 al ter sprake gekomen in die rijke belofte: Voorzeker zal Ik u, o Jakob! gans verzamelen; voorzeker zal Ik Israëls overblijfsel vergaderen " Wat is nu Jakobs overblijfsel? Wij mogen zeggen: et is de rest, die behouden blijft. Het zijn die zevenduizend, die God doet overblijven!
Het is dat kleine kuddeke, dat nochtans ook genoemd moet worden een schare, die niemand tellen kan. Het is de Kerk, die gegaan is door de smeltkroes van verdrukking, verzoeking en vervolging, en die gelouterd is door het lijden, gelijk het zilver wordt beproefd. Wie zijn dezen? Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen! Wat ontroerend is dat, zoals hier de Kerk Jakobs overblijfsel genoemd wordt. Want wat is een overblijfsel? Wij zeggen wel eens tegen elkaar: daar is ook niet veel van over als we een auto zien die „total loss" gereden is.i Het overblijfsel van een mooie wagen is een wrak. Jakobs overblijfsel Er is niet veel meer van over, zullen de naburige volken wel gezegd hebben, toen Israël (gedeeltelijk!) terugkeerde uit de ballingschap.
En zij hadden eigenlijk wel gelijk. Veel meer dan wat amechtige Joden was het eigenlijk niet. En toch, en toch We staan hier weer voor het mysterie van Gods doen. Als ons oog, ons verstand en ons hart zeggen dat het alles afgelopen is, dat er geen enkel perspectief meer is voor de Kerk, voor Gods volk, dan gaat God plotseling zeer heerlijke dingen spreken! Dan gaat Hij zeer heerlijke dingen doen. Hier is de belofte voor Jakobs overblijfsel, hier is de belofte voor de Kerk van alle eeuwen: Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van de HEERE!
Een dauw van de HEERE.
Wie denkt niet aan die schone woorden uit Hosea 14, waar de Heere zegt: Ik zal Israël zijn als de dauw? Ja, zult u zeggen, dat geldt als u de Heere vreest. Ja, zo is het: in het leven van Gods Kerk is de Heere als de dauw, die zich na een nacht van duisternis en ellende kan uitspreiden als een milde regen op een dorstig en vermoeid hart. Maar hebt ge ook dit woord uit Micha wel eens gelezen, waar Jakobs overblijfsel een dauw genoemd wordt? Dat hoort er óók bij! Het is in ons leven niet genoeg, als de Heere ons wordt als de dauw. Wij moeten ook zelf worden als de dauw! Ja, meer nog: de Kerk moet in deze wereld zijn als de dauw.
Hoe is het met de dauw? Daar is een weideveld, droog en dor. Brandend en schroeiend heeft de zon er een hele dag boven gestaan. De nacht valt in. Er komt geen regen. De zon gaat weer op en zie, daar heeft de dauw haar wondere werk gedaan. Elke grasstengel, tot het kleinste sprietje toe, draagt een druppel! Neen, de dauw valt niet neer als een emmer water: hier een plons en daar een guts.( Het wonder van de dauw is juist dat zij geruisloos en stil valt, zonder dat een mens het hoort; het wonder van de dauw is ook dat zij het allerkleinste stengeltje of sprietje niet vergeet! Nu, zó hebben Gods kinderen te staan in de dorre akker van deze wereld. Zult ge het kleine niet vergeten? Zult ge nooit denken: ach. wat kan ik nu doen in
deze wereld? Waar deugt mijn werk nu voor? Zult ge vooral nooit denken of menen, dat ge alleen vruchtbaar kunt zijn hier in dit leven als ge een hoge post bekleedt? Vergeet het nooit, meisje, die misschien een zeer eenvoudige taak in de huishouding hebt en soms loopt te mopperen op je werk. Vergeet het nooit, jongen, die niet meer hebt dan de lagere school en zoveel had willen bereiken. Vergeet het nooit: de Heere vraagt, dat je hier in dit leven bent als de dauw! Niet als een emmer water, maar als de dauw. Veracht rooit dat éne stengeltje, dat God nu juist voor jou bestemd heeft! Nu, wat komt daar in ons leven van terecht? Gaat er zo'n heilzame, verkwikkende werking van ons uit, zodat de wereld zeggen moet: die mensen zijn als de dauw? Zien onze vrienden iets in ons van de gestalte, die ook in Christus Jezus was? Lijken we al enigszins op Hem, Die gezegd heeft: leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart? Die kant moet het toch uit in ons leven! Of zijn we nog van die akelige grauwers en snauwers, zijn we misschien van die nare vrome kruidje-roer-me-nieten, bekeerd in eigen oog, hard voor een ander, overal opgelijkend behalve op de dauw? Denk eraan: ge moet zijn als de dauw!
Ik zeg: ge moet. Dat is ook zo. Dat eist God van u en van mij. Dat eist Hij van bekeerd en van onbekeerd. Maar hoe is het nu als ik zeggen moet: o God, daar komt nu niets van terecht in mijn leven? Hoe moet het nu als dit woord mij moedeloos maakt, omdat mijn hart zo ellendig obstinaat kan zijn? Waar moet ik het dan zoeken? Dan moet ik het nog zoeken in dit woord. Want lees eens: er staat niet dat Jakobs overblijfsel moet zijn als de dauw, maar dat het zal zijn als de dauw. Dit is een belofte van het genadeverbond! Er staat ook, dat het zal zijn als een dauw van de HEERE! Als de Heilige Geest iets van Zijn licht in ons hart heeft doen schijnen, dan weten we wel, dat wij niet zo dauw-achtig zijn. En als wij mogen zijn als de dauw, dan maakte Hij het ons.
.....en een verscheurende leeuw.........
Dat is nu ook wat! Eerst staat er, dat Jakobs overblijfsel in het midden van vele volken zal zijn als de dauw, en nu, dat het zal zijn in het midden van vele volken als een verscheurende leeuw. Sluit het een het ander niet uit? Neen. Hier wordt nu juist in treffende woorden getekend, hoe de houding heeft te zijn in deze wereld van hem of haar, die de Heere volgen wil. Als de dauw én als een leeuw. Dat leert alleen Gods Geest maar, Als we het zelf doen, zijn we óf als de dauw, óf als een verscheurende leeuw. Dan proberen we „lief te zijn voor elkaar" of we gaan lijken op ongenaakbare roofdieren. Maar wat bedoelt Micha dan? Ik geloof dat ik het alleen maar goed kan zeggen als ik u het leven van de Heere Jezus voorhoud. Is het niet zo, dat wij door genade op Hem zullen moeten gelijken? Welnu, Hij was als de dauw én als een leeuw. Was Hij niet als de dauw toen Hij Zijn armen uitbreidde en tot Zich nodigde allen die vermoeid en belast waren? Was Hij niet als de dauw toen Hij Zijn handen legde op de hoofdjes van de kinderen die tot Hem werden gebracht? Was Hij niet als de dauw toen Hij aan het kruis van Golgotha voor de overtreders gebeden heeft en Zich nog bekommerde om een moeder en haar kind? Maar was Hij niet als een leeuw toen Hij het huis Zijns Vaders zuiverde van de kooplieden en de wisselaars? Was Hij niet als een leeuw toen Hij Zijn zevenvoudig „wee u" uitsprak over Farizeeërs en Schriftgeleerden? Was Hij niet als een leeuwr toen Hij aan het kruis van Golgotha een moordenaar aan de klauwen van satan ontroofde en zich voor Zijn kinderen een weg vocht door legioenen van duivelen tot in het diepste der hel? Hij was Israël als de dauw — Hij was ook de Leeuw uit Juda's stam.
Zó heeft ook Gods Kerk te staan in deze wereld. Als de dauw voor alle verbroken en verslagen harten, als een leeuw tegen alle satanische listen en invloeden, tegen antichristelijke machten en uitdagingen. Naar beide zijden schiet de kerk soms tekort. Hard soms voor een verbroken hart, voor een jong teer plantje; slap en laf soms tegen de satan zelf. Wij dwalen allen als schapen! De Heere ontferme Zich over Zijn gemeente, en Hij lere een ieder van ons te zijn als de dauw als het nodig is, en te zijn als een leeuw als het geboden is.
Gesprek svragen:
1. Wat wordt bedoeld met het kruid in vers 6? Wat wil het zeggen, dat dit kruid „naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt"?
2. Wanneer moet de kerk zijn als de dauw; wanneer als een leeuw?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 28 juli 1971
Daniel | 16 Pagina's