JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

de moderne devotie

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

de moderne devotie

Godsvrucht rond de IJsel

12 minuten leestijd

De Middeleeuwen noemen wij donker. Dat waren zij ook. Hoewel wij niet moeten overdrijven: zij waren niet donkerder dan de twintigste eeuw, bijvoorbeeld. Maar over de Middeleeuwen hangt voor onze waarneming een' geheimzinnig, somber, dreigend waas. Die tijd met zijn ketterjachten, heksenverbrandingen, alfaathandel en spitsvondige scholastiek trekt ons niet aan, en dat is begrijpelijk. Het gevolg is, dat voor velen van ons dit tijdperk van de kerkgeschiedenis vrijwel onontgonnen terrein is. Veler interesse eindigt bij Augustinus, en leeft weer op bij Luther. Maar daartussen liggen meer dan duizend jaren! Goed, in deze onbekende oceaan rijst wel een eilandje op dat wij herkennen: de Kruistochten. Maar verder? De vraag komt op ons af: waren deze tien eeuwen dan zó donker, dat de Heere in het geheel geen bemoeienissen meer had met Zijn Kerk? Dat kan niet waar zijn, dat zou in strijd zijn met Christus' eigen belofte: Ik ben met ulielen al de dagen (dus óók de Middeleeuwen) tot de voleinding der wereld. Hoewel de Kerkgeschiedenis een gedurige cyclus is van reformatie en verval, verval en reformatie, en de Middeleeuwen zeer zeker donker waren, was Gods Geest toch niet werkeloos in die tijd. Wij denken — met de nodige kritische reserves! — aan een Bernard van Clairvaux (door Luther toch genoemd de „grootste der kerkleraars" door Calvijn meermalen geciteerd en gewaardeerd), aan een Wiclif in Engeland, een Hus in Praag, een Savonarola in Florence. Wij denken aan zovele kinderen Gods, door de Kerkgeschiedenis niet vermeld, bij de mensen vergeten, maar Gode bekend!

moderne devotie

Wij hopen nu een klein stukje van dat onbekende terrein der Middeleeuwen te ontginnen en te verkennen. Wij blijven in ons eigen land, en gaan naar dat prachtige deel van Nederland, waar de IJsel zich een weg zoekt tussen Deventer en Zwolle. Elk gebied heeft zijn geschiedenis, óók zijn kerkgeschiedenis! Het IJseldal tussen Deventer en Zwolle is eenmaal, eeuwen geleden, het brandpunt geweest van een stuk vaderlandse kerkgeschiedenis, dat we de moderne devotie noemen. De naam betekent heel eenvoudig: hedendaagse vroomheid. Het is een van die typisch middeleeuwse stromingen geweest, waarvan wij ons nu afvragen: uit de mensen, of uit God? Wij weten het niet. Het oordeel komt de Heere gelukkig alleen toe.

Wij zullen ons voor het ogenblik slechts rustig verdiepen in wat dat eigenlijk was, die mederne devotie. Als we naar de oorsprongen terug willen, komen we bij de figuur van Geert Groote. Hij is de geestelijke vader van de moderne devotie geweest. In 1340 als zoon van een „schepen" (wij zouden zeggen: een wethouder) te Deventer geboren, een jongen van goeden huize dus, leerde hij als knaap latijn en logica aan de stadsschool van zijn vaderstad.

Als vijftienjarige jongen mocht hij gaan studeren aan de Universiteit van Parijs. In deze eeuwen ontbrak wat wij een „middelbare school" noemen' — vandaar dat in principe een knaap van twaalf jaar reeds student kon worden: we denken aan Philippus Melanchton. In Parijs heeft Geert goed aangepakt: op achttienjarige leeftijd werd hij „magister artium'", meester in de zeven vrije kunsten (o.a. taalbeheersing, welsprekendheid, muziek en sterrenkunde), waarmee hij ongeveer op het niveau van een geslaagde gymnasiast stond. Maar liefst tien jaar lang studeerde hij nu rechten, medicijnen en theologie. Hij werd een' gevreesd en scherpzinnig debater, die kon goochelen met de rechtsbepalingen. Enerzijds een intellectueel, liet hij zich anderzijds met zwarte kunst, magie in; ook dit is volstrekt geen vreemd verschijnsel onder d.e academici in deze bizarre tijd. Geert Groote wist veel, zeer veel; maar één ding was hem verborgen: dat God de wijsheid der wijzen belacht, maar een behagen heeft in een verootmoedigd en verbreken hart. Hij was een echte „Streber", die door tussenkomst van de paus allerlei winstgevende kerkelijke baantjes trachtte te bemachtigen. Ten dele gelukte hem dit ook, zodat hij „geens dings gebrek" had. Dit ging zo door, en zou altijd zo doorgegaan zijn, als God hem niet gegrepen had. Op 34-jarige leeftijd werd hij zeer ernstig ziek, maakte de balans van zijn leven op en ontdekte een ontstellende schuld. Een vroegere studievriend wees

hem op de kortheid van het leven en de vergankelijkheid van aards bezit.

het Meester Geertshuis

Van toen aan wendde het leven van Geert Groote zich. Zijn vermogen en zijn kerkelijke inkomsten gaf hij op. Drie jaren' leefde hij in afzondering in een klooster bij Arnhem en hij kwam er weer uit! Hij gevoelde teveel zendingsdrang in zich omhet te kunnen uithouden tussen de vier muren van een kloostercel. Groote werd boeteprediker. Als een Johannes de Doper trok hij te velde tegen de zonden van zijn tijd. Door de bisschop van Utrecht, tot diaken gewijd, trok hij predikend door het IJselgebied. Fel en heftig striemden zijn woorden' tegen wat hij zag als de drie grote zenden van de geestelijkheid van zijn tijd: de simonie (het kopen van geestelijke ambten, vgl. Simon de Tovenaar), voorts het feit dat geestelijken een eigen bezit er op na hielden, en tenslotte het feit dat vele geestelijken in concubinaat leefden. Zijn kritiek op deze toestanden was niet mals, en zij werd hem ook niet overal in dank afgenomen. Zijn vijanden groeiden zo in aantal (soms mede door Groote's eigen schuld) clat het ham na enkele jaren verboden werd nog langer te preken. Afgunst vanwege het feit dat hij grote scharen hoorders trok, heeft mede een rol gespeeld — er is niets nieuws onder de zon! Zijn enorme populariteit onder het volk is te verklaren uit het feit, dat hij nu eindelijk eens het volk niet vermoeide met preken in het voor velen onverstaanbare latijn, maar het volk toesprak en de Schrift verkondigde in de volkstaal; voor ons zeer normaal, in die tijd opzienbarend en verkwikkend. Nadat hem het prediken verboden was, heeft Groote zich geheel gewijd aan pastorale begeleiding van vrienden en aan het schrijven van artikelen. Tallozen kwamen bij hem om raad vragen in hun stoffelijke of geestelijke nood, en werden geholpen. Dit werk heeft hij slechts een jaar kunnen doen: toen hij in 1384 een leerling bezocht, die stervende was aan de pest (de schrik der Middeleeuwen!), werd Groote zelf besmet en stierf binnen enkele dagen. Nu is dit alles niet zo bijzonder. Er zijn veel meer mannen geweest, die een dergelijke levensloop hebben gehad en wier namen toch allang vergeten zijn. Waarom is Geert Groote niet vergeten?

Omdat hij direct na zijn bekering eer: deel van zijn huis in Deventer beschikbaar stelde voor „vrome vrouwen", die hel verlangen' hadden zich af te zonderen van de wereld en zich geheel aan God te wijden zonder in een klooster te gaan. Zo ontstond er een gemeenschap van zusters, die afstand deden van al hun bezittingen en alle dingen gemeen wilden hebben. Er zit

in dit streven een stuk heimwee naar de jonge christelijke kerk van Handelingen 4. Het huis van Geert Groote werd door het ganse land beroemd: het Meester Geertshuis.

En de beweging die wij de moderne devotie noemen, greep snel om zich heen. Niet alleen vrouwen, vooral ook mannen voelden zich aangetrokken tot de idealen van Geert Groote. De beste leerling van Groote zette na de dood van zijn meester diens werk en streven met grote bezieling voort: Florens Radewijns. En zo kwam het in Deventer, Zwolle, Windesheim en meer plaatsen in de IJselstreek tot wat wij noemen

de Broeders des Ge menen Levens

Een zonderlinge naam, inderdaad. „Gemeen" heeft natuurlijk niets te maken met doortrapt, maar betekent gemeenschappelijk. Wat was de bedoeling van deze mannen? Waarom gaven ze hun werk op, waarom schonken ze hun vermogen weg, waarom trokken ze samen in een huis, waarom begonnen ze een spartaans leven van askese, onthouding, armoede, ontberingen, vasten en gebed? Hoe hielden zij dit vol9 Iedere broeder of zuster was vrij, het „gemene leven" op te geven en terug de maatschappij in te gaan als hij of zij dat wilcle. Toch lezen we zelden van uittredingen. Hoe is dat mogelijk? We lezen van monniken, die de kloostergelofte hadden afgelegd op jeugdige leeftijd, maar daar later vreselijk spijt van krijgen — gebonden door hun eigen gelofte echter konden zij niet meer terug. En deze broeders en zusters, die geen gelofte af hadden gelegd, hadden volkomen vrede met hun harde leven! Wat is het geheim van deze volharding, wat is het geheim van de moderne devotie?

Wij moeten deze beweging zien in het licht van haar tijd. Een ellendige tijd, een tijd waarin de kerk in een deplorabele toestand verkeerde, waarin de geestelijkheid onontwikkeld, tot in de wortel bedorven en ten prooi aan het materialisme was. Een tijd waarin het pausdom scheurde en er lange tijd twee pausen waren, een in Rome en een in Avignon. Een tijd waarin talloze geestelijken leefden in ontucht of overspel. Welnu, dwars tegen deze rivier van goddeloosheid en ellende liep een krachtige tegenstroom van innige vroomheid, van hartelijke godsvrucht: zó is ook alleen deze godsvrucht rond de IJsel te verklaren.

Wat voerden deze Broeders des Gemenen Levens nu zoal uit? Werden het wereldvreemde, overgeestelijke figuren, die zich aan elke verantwoordelijkheid voor dit be - nedenmaanse onttrokken? Bepaald niet. Inderdaad, daar liepen soms enkele vreemde snuiters rond — zoals die broeder, die uit overdreven askese in veel te grote schoenen ging lopen en zich hulde in een soort jutezak — maar daar is de moderne devotie nog niet mee veroordeeld. Ook gaat het te ver, wat wij lezen van Florens Radewijns, die een adspirant-broeder nederigheid bij wilde brengen en hem daarom een geweldige klap in het gezicht gaf waar allen bij waren. Dat kan wel anders, dachten we. Maar wij lezen ook van de dagindeling van de Broeders, en dan worden we stil van hun werkkracht. Zij copieerden de Heilige Schrift, zij lazen en herlazen de kerkvaders en schreven ze over. Zij onderwezen de jeugd, zij preekten 's zondags en het volk hoorde hen graag. Zij stonden midden in de nacht op om te bidden en baden overdag vier uur. Zij hielden samen „collaties", dat wil zeggen geestelijke gesprekken over stichtelijke onderwerpen. Zij hielden zich weinig bezig met de theologie en zij verfoeiden de filosofie, maar zij wilden zich met hun ganse hart wijden aan de omgang met God.

voorlopers der reformatie?

De grote humanist Erasmus vertoefde in zijn jeugd enkele jaren in Deventer onder de Broeders cles Gemenen Levens, maar later heeft hij er niet veel goede woorden voor over. Beuzelachtigheid, zo betitelde hij de eenvoudige vroomheid der Broeders. Is dat negatieve oordeel van de arrogante Erasmus voor ons een vingerwijzing? Is de moderne devotie misschien één van de bronnen van de Kerkhervorming? Dat is meermalen gesuggereerd. Zoals wij gewoon zijn over John Wiclif en Johannes Hos te spreken als over „voorlopers der reformatie", moeten wij zo soms ook over de Broeders des Gemenen Levens spreken? Ligt daar in het IJseldal de kiem van de kerkhervorming in de Nederlanden? Waren niet enkelen der eerste nederlandse hervormden Broeders des Gemenen Levens?

Toen moeten wij hier erg voorzichtig zijn. Want laten we nu eens de allerbekendste uit de kring der moderne devotie bezien, de wereldberoemde Thomas a Kern-pis. Hoogstwaarschijnlijk is hij de schrijver van de Imitatio Christi, de Navolging van Christus. Kunnen wij nu zeggen, dat wij

in dit boekje de zuivere, pure reformatorische klanken beluisteren? Neen' toch. Hcewel Voetius het een „gulden boekje'' noemde en het in cle kring der Nadere Reformatie waardering genoot, hoewel het een lezenswaardig werk is en stichten kan, moeten we niet vergeten, dat het boekje weerklank vond en vindt onder vrijwel de volle breedte van de christenheid, tot en met het rocms-katholicisme! Wel, de Imitatio Christi ademt voiledig de sfeer van de moderne devotie. Wie die sfeer wil proeven, meet dit beek lezen. Dan kent hij Geert Groote, Florens Radewijns, Thomas a Kempis, dan leeft hij temidden van de Broeders des Gemenen Levens! Dan kent hij de moderne devotie, maar dan kent hij Luther nog niet, dan kent hij Calvijn neg niet! Van d.e moderne devotie geldt, wat van zovele middeleeuwse stromingen geldt: veel tere vroomheid, maar weinig besef van wat Luther in zijn torenkamer ontdekte. Veel kritiek cp het leven der geestelijkheid, weinig of geen kritiek cp de leer der kerk. De geest van de reformatie is een andere. Hier in het IJseldal was het nog niet ten volle: alléén de Schrift, alléén het geloof, alléén genade!

de moderne devotie en wij

Hiermee schijnt d.e moderne devotie veroordeeld. Dat is niet de bedoeling. Zij heeft vruchtbaar en zegenrijk gewerkt in haar tijd, niet het minst dcor de bijbelverspreiding in de volkstaal. Er ging veel van cle Broeders uit; zij werkten zuiverend en behoudend. Het oordeel ever de eeuwigheidswaarde van hun werk — we zeggen het nogmaals komt God alleen toe.

Tenslotte moet nog gewezen worden op enkele treffende punten van overeenkomst tussen' de moderne devotie en de nadere reformatie. Hcewel beide stromingen in een totaal verschillende wereld ontstonden, valt ons toch op, hce elke stroming in haar tijd de „praxis pietatis", de praktijk der godzaligheid zeeht. De Broeders des Gemenen Levens waren mannen van de daacl, arbeidzaam en vroom. Hetzelfde geldt van vele nadere reformatie-mannen, die leer én leven wensen gevangen te houden onder de tucht van Gods Woord. Zij wilden in de wereld, doch niet van de wereld zijn — zo ook de moderne devoten. Zoals Geert Groote boeteprediker was tegen cle zonden van overheid en geestelijkheid, zo heeft men Bernardus Smytegelt een donderzoon te-genoemd wegens zijn boetepreclikaties gen Middelburgs regenten.

Merkwaardig is, dat het „met een boekske in een hoekske" zitten niet de bedoelingen van de nadere reformatie zuiver weergeeft. Mannen als Teellinck en Udemans stonden midden in het maatschappelijk leven van hun tijd en hadden er ook een woord voor. Evenals de moderne devoten! Later ontstond èn in de mederne devotie èn in de nadere reformatie bij sommigen de neiging, de wereld en haar nood te vergeten of van een afstand te bezien en zich inderdaad, alleen of met enkele vromen terug te trekken „met een boekske in een hoekske". De uitdrukking is het eerst gebruikt door Thomas a Kempis!

En wie denkt niet bij het horen van de „collaties" der Broeders aan onze conventikels, gezelschappen waar kinderen Gods spreken over het geestelijk leven? En als wij horen van een broeder, die te middernacht opstaat cm God te zoeken, denken wij aan bijvoorbeeld een Theodorus a Brakel, voor wie dit cok levenspraktijk was. Levenspraktijk en levensbehoefte. Hierin maken Broeders des Gemenen Levens èn nadere reformatoren ons beschaamd..

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1971

Daniel | 16 Pagina's

de moderne devotie

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 juli 1971

Daniel | 16 Pagina's