Jonge zomer
Dit is cle tijd, wen1) alle boterbloemen al haast verdrinken in de groene zee, die stijgt en stijgt, tot gras en bloemen mee de felle zeisen plots ten dode doemen.
De morgen staat al dadelijk in brand van harde vaste kleuren in de zon; alom een zelfde doodse groen verwon het lentespel van kleuren velerhand.
Maar d' avond is de roem van dit getij, als vorsen kwaken in de stille stromen, een eenzaam paard staat bij een hek te lomen en koeien dromen in de late wei.
Dan is het koele licht soms kristallijn van helderheid en alles staat er in zo onbewogen en zo diep van zin, alsof de dingen schone beelden zijn.
Dan voelt men eerst, hoe diep de wereld leeft, als 't licht blijft aarzelen en niet kan scheiden, de landen stil de grote nacht verbeiden, en d' aardgeur op de flauwe zuchten zweeft.
1) wanneer
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juni 1971
Daniel | 16 Pagina's