Hoe is onze houding in de maatschappij ?
(I)
Wanneer we zien wat er zoal in de wereld gebeurt, is het alsof we staan op een klip in de branding. We zien de zee al hoger komen' en al ruwer worden en vragen ons af: zullen we staande blijven?
Als we het zelf moeten doen niet, maar wanneer de Heere ons krachten geeft wel. Wat gaat het allemaal vaak langs ons heen. Oorlog in Vietnam, Apollo 13, aardbeving in Peru, dolle mina's, staking, rellen in Amsterdam.
Veel rampen, veel nood onder de mensheid. En wij? Wij worden overladen met weldaden, dag aan dag. Toch gaat dit alles ook ons aan. We leven in de wereld van vandaag, waar de afstanden steeds kleiner worden en de communicatie veel beter. In 1953 waren we allemaal erg begaan met de watersnood.
Het moest nu met het wereldgebeuren ook zo zijn. Maar meestal leggen we de krant naast ons neer en zeggen: Wat is het toch een toestand in cle wereld. Wat niet aan den lijve ondervonden wordt, laat ons, erg genoeg, meestal koud. Wat is het waar, dat we van nature geneigd zijn, God en onze naaste te haten. Want wie zijn wij, dat ons dat niet overkomt? Dat ook wij niet weggedaan worden als die mensen in Peru? Of afgeslacht als die 400 mensen, die daar zomaar de rivier af kwamen drijven in Cambodja?
Het is alleen de hand van de Heere die ons zoveel geeft en ons ook zo zeer bevoorrecht. We komen nog elke zondag onder de zuivere bediening van Gods Woord. De sacramenten worden bediend. Maar ook wat een ontzettende verantwoording. Dat we steeds Gods Woord mogen horen is toch zomaar gekregen goed. Al cleze mensen — hebben ze het ooit gehoord? Zouden ze dan ook zo lauw zijn zoals wij soms? We hebben een eigen gemeente, meestal in eigen plaats en een eigen school of scholen. Wat doen we er mee?
Zijn we er alleen blij mee en vinden we het vooral gemakkelijk, wanneer we onze kinderen op een eigen school kunnen laten gaan? We hebben al onze vrienden' en kennissen van de kerk. De kinderen gaat het ook zo.
Eigenlijk is het wel erg gemakkelijk, want cle mensen die niet van de kerk zijn, och, ze hebben er geen begrip van, ze doen nergens aan. We hebben ook geen zin orn kontakt met ze te zoeken. We hebben toch genoeg kontakten met mensen' van een zelfde levensopvatting en het kost je toch weer een heleboel hoofdbrekens wanneer je over godsdienst wilt praten. Is dat nu goed? Ik zou u eens willen vragen: hebt u wel eens in een plaats gewoond waar niemand van cle kerk woonde? Zijn uw kinderen op een christelijke school waar ze het woord „vrije genade'' niet kennen?
Wanneer we zo in onze eigen kerkgemeenschap leven, gaat het ook zo gemakkelijk. Maar wie is mijn naaste? Denk maar eens aan de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan: diegene die cle Heere op onze weg plaatst. Hebben we iets van naastenliefde? Of zijn we meer liefhebbers van onszelf? De Farizeën zeiden: De schare die cle wet niet kent, die is vervloekt. De Heere Jezus predikte echter voor de schare. Zijn wij niet vaak als de Farizeën?
Hebben we belangstelling voor onze naaste, man, vrouw, cle kinderen die God ons gegeven heeft, kortom ieder die op onze weg wordt geplaatst? Het is niet alleen het wéten wie onze naaste is, maar de Heere zegt: God lief te hebben boven alles en onze naaste als ons zelf.
God lief te hebben boven alles dat is het eerste en het grote gebod en het tweede daaraan gelijk is: onze naaste als onszelf. Waarschijnlijk zegt iemand bij zichzelf: God lief te hebben boven alles? Dat kan ik niet. Dat kan niemand. Maar Johannes zegt daarvan in 1 Joh. 4 vers 19: Wij hebben Hem lief omdat Hij ons eerst liefgehad heeft.
Van onszelf zijn we geneigd God en onze naaste te haten. Hoeveel keer hebt u gebeden voor die mensen in Vietnam, cle daklozen in Peru, cle man bij u in de straat die zo ziek is enz.
De Heere heeft nog zoveel zorg over ons, dat we de zuivere bediening van Zijn Woord hebben. Is dat al geen groot wonder? Al hebben we dan alleen maar een rechtzinnige belijdenis, weten onze buren het? Niet cm er elk ogenblik over te praten, maar zeker niet te zwijgen als het te pas komt. Ja, veel meer, dat ze door onze daden zullen zeggen: die mensen zijn christenen.
Weten we wel wat onze kinderen zoal bezig houdt? Of legt ons werk te veel beslag
op ons? Daar zullen we ons niet mee kunnen verontschuldigen. Wij hebben' toch onze kinderen laten clopen? Dan zal er van ons gevraagd worden of we die belofte ook na gekomen zijn. Te onderwijzen en te doen onderwijzen. We zijn er niet alleen klaar mee om ze naar een eigen school te sturen.
Want ook onze kinderen zijn geneigd tot alle kwaad. Wat kan de opvoeding soms toch op ons afkomen, wanneer we de tijd zien waarin we leven. Wanneer je daarover denkt, en over de kinderen, is het als of je tegen de stroom opzwemt met een zekere verdrinkingsdood voor ogen, wanneer er geen God in de hemel was, clie alle dingen regeert. We hceven de opvoeding gelukkig niet alleen te doen, want indien iemand wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begere, Hij schenkt mildelijk en verwijt nooit.
Dan zegt de Heere: bid en werk. Want wij willen zo graag verbeteren, maar laten we toch voorzichtig zijn dat we niet verbitteren. Vooral omdat we op veel dingen nee moeten zeggen, omdat het niet strookt met Gods Woord.
Onze kinderen zijn op een hervormde kleuterschool.
Op 5 mei kwamen ze opgetogen thuis. „Kijk eens, we hebben kaarten voor het feest!" Ze kunnen nog niet lezen, maar ze hadden ieder twee vrijkaartjes voor de zweefmolen van de kermis. „Gaan we daar naar toe? " De vriendjes gaan natuurlijk ook. Wanneer wij nu botweg weigeren, is het natuurlijk tranen met tuiten. Gewoonlijk zijn we er al op voorbereid en hebben als het mogelijk is, al iets anders bedacht. In dit geval: Zullen we naar dat leuke bos gaan, met dat water waar we laatst ook geweest zijn? Dan gaan we de hele dag. O, dat is veel leuker, vinden ze. Nu zijn de kinderen nog klein en met weinig moeite gaat het nog zo.
Natuurlijk heeft iedereen in de buurt t.v. Op een woensdagmiddag waren ze weg, na een poos kwamen ze terug. „Waar zijn jullie geweest? " We hebben naar de t v. gekeken'. Je schrikt en je denkt: als ze groot zijn hoop ik dat ze niet elk ogenblik bij een ander bij de t.v. zitten. Maar hoe breng ik hun bij, dat het meeste wat er opkomt ver beneden peil is? „Hoe vonden jullie het, zeg het eens heel eerlijk? Heb je daar nu wat aan? " „Eigenlijk Mam, was het maar een gedoe en geschreeuw en niet eens leuk." Kort daarop was ik zo blij met de biddagpreek, van 's middags. Die ging over de open vensters van Daniël naar Jeruzalem. Dat wTaren open vensters naar de hemel. Daniël nu vroeg wat de Heere wilde wat hij doen moest. Als we nu veel naar de t.v. keken, waren dat de vensters naar de wereld en clan vergaten we de Heere.
Terug in de auto hadden de kinderen het er meteen over en ze hadden het ook goecl begrepen. Wat moeten we altijd weer vragen' of de Heere ons helpt.
Tegenwoordig is het in de mode om er als huisvrouw een baan bij te doen. Omdat huisvrouw zo'n weinig vererend beroep schijnt te zijn. De kinderen moeten in een crèche en Moe moet aan de slag, om haar werk buitenshuis te doen. Wanneer het een financiële noodzaak is, is daar niets van te zeggen. Maar zo niet, dan vind ik het een vreemd verschijnsel. En dat terwijl er zoveel gepraat wordt over het welzijn van het kind. Juist wanneer het kind maar enigermate tot zijn verstand komt heeft het de moecler de hele dag niet meer bij zich. Is dat verantwoord?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 mei 1971
Daniel | 16 Pagina's