jeugdfontein
De laatste oplossingen van puzzel tien druppelen nog binnen, dus kan ik jullie nu nog niet zeggen wie de winnaars van deze serie zijn. Ik zal proberen het de volgende keer rond te krijgen, maar ik weet niet of dat lukt. Ik wacht nu natuurlijk even om met een nieuwe serie te beginnen; eerst moeten we weten hoe of de vorige gemaakt is. Wel plaats ik hier een cijfer-puzzeltje. Je behoeft deze niet in te zenden. Detty v. d. Top uit Wekerom is de maakster ervan. Je zult wel merken dat het een gedeelte is van een heel bekend gedicht:
23.5.7. 23.5.18.5.12.4 23.5.7. 19.3.8.1.20.20.5.14. 7.25. 11.21.14.20. 14.9.5.20. 2.5.22.1.20.20.5.14. 8.15.5. 18.25.11. 15.6. 9.11. 2.5.14.
Leuk Detty, dat je voortaan mee gaat doen; ik hoop, dat ik dikwijls post van je mag ontvangen. En dan nu weer een stukje van ons gedicht:
EEN CHINESE RECHTSPRAAK (2)
12. Gelukkig voelde zich het paar bij hun vereniging. Zij hadden achting voor elkaar. De band der liefde snoerde haar, verbond hen onderling.
13. Zo reisden zij geruime tijd genoeg'lijk samen voort, tot onverwachts, op zek're stond, er iets zeer wonderlijks plaatsvond, dat hun geluk verstoort.
14. De man, die men vergeten is, en lang gestorven waant, gesneuveld zeker in de slag, hem ziet de vrouw op zek're dag haar woning binnen gaan.
15. Op eens treeds hij haar woning in en staat daar voor haar oog; door 's vijands wapen niet gewond, nog levend, fris en goed gezond, zoals hij henentoog.
16. Ontsteld staat daar de goede vrouw, wat men licht raden kan. Haar eerste echtgenoot die leeft, terwijl zij zich verbonden heeft met hare tweede man.
17. Ook hij ziet met verbaasde blik, hoe zijne echtvriendin, die hij nog voor zijn gade houdt, ten tweede male is getrouwd, naar eigen wil en zin.
18. En schoon hij lang afwezig was, zij bleef zijn eigendom, waarop hij immer aanspraak had. En schoon z' een and're man bezat, hij eist zijn vrouw weerom.
19. De tweede man verneemt weldra, dit zonderling geval. De vrouw behoort met recht aan hem, zodat hij wis met kracht en klem zich hier doen horen laat.
20. Zo voert men van weerszijden' 't woord en elk bespreekt zijn recht; maar hoe men ook de zaak bespreekt de overeenkomst die ontbreekt en 't pleit blijft onbeslecht.
21. Tot geen beslissing komt de zaak; doch men komt overeen om tot de rechter heen te gaan, te horen wat hij aan zal raan, wat weg men moet betreen.
22. Zo gaat men tot de rechter heen, en legt de zaken bloot, verwachtende uit zijne mond een goed advies, op recht gegrond, dat d' uitspraak in zich sloot.
23. De rechter hoort hen met geduld; verneemt de ganse zaak en is zichzelve dra bewust, dat er op zijne schouders rust, een moeielijke taak.
24. Hij zit een wijle tijcis terneer en stelt dan 't tweetal voor: Vertrouwt gewillig, zonder dwang, de vrouw mij toe tien dagen lang, opdat ik zie en hoor.
25. Des rechters voorstel vindt gehoor; men keurt dit beiden goed.. Dan is men na tien dagen tijds gered uit de onzekerheid wie 't vrouwtje hebben moet.
(wordt vervolgd)
TROUWE VRIENDSCHAP
(Nog steeds is ons vervolgverhaal niet af; we gaan eens kijken hoe het met onze vrienden Karei en Wim verder gaat.)
3. TOEKOMSTPLANNEN.
Het is paasvakantie. De hele week is de school gesloten en kunnen de jongens genieten van de vrijheid. Op de woensdag na Pasen besluiten Karei en Wim een flinke fietstocht te gaan maken. Wim heeft een oom en tante wonen in een dorpje, dat een vijftig kilometer van hun woonplaats af ligt. Dat kan een mooie tocht worden.
's Morgens om acht uur vertrekken ze. Hun ouders hebben tientallen raadgevingen meegegeven, maar als echte jongens zijn ze die al vergeten als ze in de stad uit zijn. Het is prachtig weer en het belooft dan ook een fijne dag te worden. Karei en' Wim praten druk over hun school, waar ze nu nog maar een paar maanden samen op gaan. Ja, dan zullen ze ieder naar een andere school gaan, maar ze zijn vast besloten echte vrienden te blijven. Plotseling schrikken ze op door een luid getoeter achter hen. Ze kijken om en dan zien' ze een bekende auto en ze zien ook wie er achter het stuur zit. Dat is juffrouw Vermeulen van de kinderpolitie. Ze wuift hartelijk naar de twee vrienden en dan slaat ze rechstaf een zijweg in. Ja, nu moeten de jongens ineens weer denken aan dis eerste schooldag na de kerstvakantie. Dat was toen wel een' toestand geweest. Samen halen ze de hele geschiedenis weer op. Eerst vals beschuldigd van het veroorzaken van een verkeersongeval, later vrij gesproken en getuige geweest van de arrestatie van de echte schuldigen. Toen weer naar het bureau, maar gelukkig was het niet nodig, dat ze in aanwezigheid van de schuldigen een getuigenis aflegden. Juffrouw Vermeulen vond het namelijk beter, dat die niet wisten wie hen aangebracht had; Karel en Wim zouden anders nog wel eens last van die „heren" kunnen hebben. Ze hadden wel in de krant gelezen, dat clie jongens een flinke straf gekregen hadden. Maar dat was nu al weer een paar maanden geleden. Nu konden ze er om lachen, maar toen hadden ze toch lelijk in de rats gezeten.
Al pratend peddelen de jongens er lustig op los.
„Jammer, Karei, dat jij ook niet naar de Mavo kan, hè? Ik zou het zo leuk vinden als we er samen heen konden, " zegt Wim. „Wat wil jij eigenlijk worden? "
„Och, dat weet ik neg niet precies. Eerst maar eens een jaartje in de brugklas en clan zullen ze op c!e Technische school wel zeggen, waar ik het meest geschikt voor ben. Het liefst zou ik automonteur worden. Ik vind het fantastisch cm clie motoren uit elkaar te halen en te repareren. Ik ga later in een garage werken en misschien word ik clan nog wel eens eigenaar van een garagebedrijf', fantaseert Karei er op los, „en als jij dan komt met je oucle Fordje, clan help ik jou wel voor niets, Wim, want zo'n kantoorklerkje kan ik immers niet laten betalen".
„Wat jij, met je kantoorklerk, je denkt toch zeker niet, dat ik mijn hele leven achter een bureau wil zitten, nee, man, ik word wel wat anders, " antwoordt Wim gevat. „Weet je wat ik word? Ik word ,
ik word , ja, ik weet niet precies hoe ik het zeggen moet, Karei, maar ik heb wel zin om later naar de zending te gaan. Jij leest toch zeker ook wel wat onze zendingsmensen zo al doen. Als het zendingsblad komt lees ik het altijd het eerst. Joh, dat lijkt me toch zo mooi, om die arme heidenen te gaan vertellen van de Heere Jezus; maar je kunt ook naar het zendingsveld als onderwijzer, of als dokter, of als verpleger. En weet je wie ze daar ook goed kunnen gebruiken, Karei, mensen die verstand hebben van machines. Als jij nu ook je best doet, dan kunnen we misschien later samen wel gaan. Dat zou toch mooi zijn!"
Daar geeft Karei ineens geen antwoord op. Dat moet hij even verwerken. Nu meende hij zijn vriend zo goed te kennen, maar dit wist hij toch niet. Hij is er gewoon stil van. Ook Wim zegt niets meer. Karei kijkt eens schuin naar zijn vriend. Hij ziet dat Wim een kleur gekregen heeft. „Wat is het toch een fijne, kerel", denkt hij. Een poosje fietsen ze zo zwijgend verder; ieder vervuld met eigen gedachten,
't Is Karei, die tenslotte de stilte verbreekt. „Weet je wat ik zo jammer vind, Wim, dat ik straks naar een openbare school moet. Er is in de stad immers geen christelijke technische school. Dat zal wel vreemd zijn. Daar bidden ze niet en zingen ze niet; er schijnt wel een of andere dominee godsdienstles te geven, maar dat moet niet veel bijzonders zijn, zei m'n vader en daar behoef ik ook niet naar toe. Ik zal clan op catechisatie nog beter naar onze dominee gaan luisteren. Jij gaat toch wel naar een christelijke school, Wim".
„Ja, gelukkig wel, maar alles zal toch wel anders zijn dan op de lagere school; daar gaan alleen kinderen van onze gemeente op, maar op mijn nieuwe school komen ze van allerlei kerken. Ja, jong, laten we nog maar een paar maanden gezellig op de lagere school werken".
„Zeg, heb jij ook gehoord, dat ze van plan zijn cm een jongensclub van onze kerk op te richten'', begint Karei over iets anders. „Ik hoorde het van mijn vader, die zei, dat er over gesproken was op de kerkeraad. Ze zoeken nog naar een paar leiders en als ze die gevonden hebben, , gaat het zeker door. Ik geloof, dat men na de zomervakantie wil beginnen. De dominee is er over begonnen. Nu als het doorgaat, dan worden wij toch zeker ook lid, hè? "
„Dat zou fijn zijn, Karei, natuurlijk worden wij lid en als we clan veel huiswerk hebben dan maken we dat 's morgens vroeg maar".
„Wat zouden ze op zo'n club allemaal doen? Ik heb er geen flauw idee van, maar het lijkt me toch wel gezellig".
„Ja, en het lijkt mij ook wel gezellig om nu eens even af te stappen en wat te gaan drinken; kijk, daar heb je net een restaurant, laten we hier maar eens aanleggen", zegt Wim en even later staan hun stalen rossen al in een rek.
(wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 april 1971
Daniel | 16 Pagina's