JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het profetische woord

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het profetische woord

De ingebeelde hemel

6 minuten leestijd

Micha 3 : 9-12

Dat is wel het allerergste wat een mens overkomen kan. Een ingebeelde hemel. Te denken dat het goed is, en dan — wat een entzetting! — bedrogen uit te komen. O, vloekend te sterven is erg. Maar te sterven bij de gedachte, dat aan de overzijde der doodsjordaan de straten van goud ons wachten en de paarlen' poorten — en dan te moeten horen uit de mond van Christus: ga weg van mij, Ik heb u nooit gekend — dat is duizend maal erger. Die bange zorg kan ons hart wel eens vervullen, het kan wel eens fluisteren of zelfs schreeuwen van binnen: o, bedrieg ik me niet? Zou de Heere mij wel waarachtig al mijn schuld hebben vergeven, heb ik Hem wel waarachtig lief? Wat moet ik denken van al die zonden in mijn leven'? Wat moet ik denken van mijn boze hart? Zou ik niet met een ingebeelde hemel ?

Schamper niet om die vraag! Lach niet medelijdend om hen, die hierover tobben. Tob je er over, is het een vraag, die ook wel eens opkomt in je hart? Ga er mee tot het Woord, tot de Heere. Hij weet er wel raad op. Ga niet steunen op allerlei „kenmerkjes van genade" die er toch wel in je leven zijn, maar zoek de vaste rots des behouds onder de voeten te krijgen: Christus en Die gekruisigd. Laat hen dan maar niet verder komen dan met Simon Petrus aan de Zee van Tiberias, clie geen' enkel kenmerk van genade meer over had en niet verder wist te komen dan deze snikkende belijdenis: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet, dat ik U liefheb Dan behoef je niet meer bang te zijn voor een ingebeelde hemel.

Hoe komen we zo op die ingebeelde hemel? Wel, Micha's profetie spreekt erover in de verzen, die aan de orde zijn. En hieruit blijkt overduidelijk wie er hebben te vrezen voor een „ingebeelde hemel''. Micha's aanklacht en waarschuwing richt zich tegen de rijke regenten en tegen de profeten' en priesters. De regenten zetten met hun geld alles op z'n kop. Ze hebben een gruwel van het gericht, ze verkeren al wat recht is. Ze bouwen Sion met bloed en Jeruzalem met onrecht. In de rechtspraak houden ze moordenaars voor onschuldig. „Schuld niet te bewijzen" zeggen ze clan, en ze beuren er goed geld voor. En — nog erger! — de priesters, die tot taak hebben het Woord Gods uit te leggen en te onderwijzen, zij zijn alleen warm te krijgen voor geld. Eerst geld zien — dan kun je het Woord Gods horen zoals je het hebben wilt. Een ellendige toestand in het kerkelijk en maatschappelijk leven. En, let wel: dit was het geval tijdens de godvrezende Hizkia. Dan kan het ons ook nauwelijks verbazen, dat het volk zo rustig meedoet met de brute goddeloosheden van Hizkia's zoon, Manasse. Door en door corrupt en verdorven was de maatschappij èn het geestelijk leven.

En toch het is alsof Micha zich verbaast. Dat doet hij ook. En nog steunen zij op de HEERE, zeggende: is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen Ziedaar de „ingebeelde hemel". Deze mensen spraken nog wel over de godsdienst. O, ja, zij wilden wel godsdienstig zijn. Daar lag juist hun dodelijke kwaal. Zij wilden godsdienstig zijn, maar tevens eigen baas. Geen gezeur over een dagelijkse bekering, geen gepraat over het kruisigen van het vlees. Eigen baas in het leven. Met m'n centen doe ik wat ik wil! En met m'n vrije tijd. En op m'n werk laat ik niet over me lopen! Ik kijk wel uit. In de zaken ben ik spijkerhard.

En de godsdienst? Da's goed voor 's avonds bij de koffie. Dan keuvelen we met onze visite over de „ligging" van allerhande dominees, over het kerkelijk leven, we grinikken wat over een domme ouderling, of we vliegen elkaar in de haren over het aanbod van genade. Daar kun je eindeloos over ruzieën en debatteren en zelf fijn buiten schot blijven. En als het erop aankomt, vertrouwen we dat het goed met ons afloopt. We grijpen met onze vuile handen naar het reine Evangelie en steken het in onze zak. Ons zal geen kwaad overkomen...

Is dit niet de ellende van deze tijd? Leven duizenden niet zo: de godsdienst is om over te praten? Eindeloos wordt er gepraat, maar het leven is om te huilen. De Heere walgt ervan, van ons praten over dominees, preken, kerken, synodes, bijbelvertalingen en psalmberijmingen. De Heere heeft alleen lust aan een verbroken hart, aan een verslagen geest. Hij heeft een gru-

wel aan één, die z'n mond en z'n zakken vol godsdienst heeft, maar die niet weet wat het is, zondaar, goddeloze voor Gods aangezicht te zijn. God heeft een afkeer van één, die precies weet hoe God een mens bekeert, en dat ook te pas en te onpas laat horen, maar die op z'n werk bekend staat als een spijkerharde, die je niet te na moet komen.

Laat zo één vrezen voor een ingebeelde hemel! Hij, die de zonde een plaats in zijn leven gunt, en toch de mond vol heeft over Gods genade. Hij, die geen hartelijk leedwezen over de zonde kent en toch meent dat de Heere een welgevallen aan hem heeft. Hij, die nog nooit een groot beest bij God geworden is, en nochtans veronderstelt een schaap van de goede Herder te zijn. Laat zo één vrezen! Het laatste vers van Micha 3 doet ons het einde van de „godsdienstige'' mens zien.

Maar nu: hij, die vreest, zich te bedriegen voor de eeuwigheid. Ga met deze vreze tot een alwetend God. Psalm 139 wordt al Gods kinderen lief. 't Is een gouden kleinood. „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart." Ik ken zelf mijn eigen hart niet eens. O, het is zo arglistig. „Beproef mij, en ken mijn gedachten". Mijn gedachten, Heere. Gij weet waarheen ze soms afdwalen. Gij verstaat toch van verre mijn gedachten, en Uw Woord is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. „En zie, of bij mij een schadelijke weg zij". Dat hebben die regenten en profeten bij Micha nooit gebeden, maar Gods kinderen bidden het soms wel tienmaal op een dag. „En leid mij op de eeuwige weg" Leid mij toch in het effen spoor van Uw gerechtigheden, op dat smalle pad. Neem, Heere, mijn beide handen, en leid uw kind, tot ik aan d' eeuw'ge stranden de ruste vind!

Dan staat een drieënig God er Borg voor, dat éénmaal ons geen ingebeelde hemel wacht, maar een stad, die fundamenten heeft, welks kunstenaar en bouwmeester God is.

Gespreksvragen :

1) Wie moeten er dus vrezen, met een „ingebeelde hemel" verloren te gaan?

2) Wie heeft Micha nu achtereenvolgens bestraft in het derde hoofdstuk, en waarom?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1971

Daniel | 16 Pagina's

Het profetische woord

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 maart 1971

Daniel | 16 Pagina's