„Opdat zij allen één zijn”
In het jongerenblad „Op weg", uitgegeven door de Hervormde Gereformeerde Jeugdbond, van de maand november 1970, werd het thema van „de eenheid van de Kerk" aan de orde gesteld. Om het onderlinge gesprek daarover te stimuleren was er van een viertal predikanten uit vier verschillende kerken een schriftelijk „interview" opgenomen. Het betrof ds. J. Overduin, gereformeerd predikant in Veenendaal, vooral bekend door zijn boek over de „Hel en
hemel van Dachau", dr. C. Graafland, herv. geref. predikant in Amsterdam, ds. J. H. Velema, chr. geref. predikant in Apeldoorn en voorzitter van de Bond van Christelijke Gereformeerde Jongerenverenigingen en met onze voorzitter van de Jeugdbond, ds. H, Rijksen uit Gouda.
Er werden vier vragen aan bovengenoemde predikanten voorgelegd.
We willen de antwoorden van ds. Rijksen doorgeven ter lezing en bespreking op de verenigingen. Alleen van vraag vier zullen we de meningen van al de vier predikanten overnemen en als huiswerk voor het pas begonnen jaar meegeven.
Eén met de Ned. Herv. Kerk?
Ziet U reeds thans of voor de toekomst mogelijkheden tot eenwording van uw kerk en de Ned. Herv. Kerk? Zo ja, op grond van welke overwegingen? Zo neen, wat ziet U als belemmeringen?
De Gereformeerde Gemeenten zijn afkomstig uit de Afscheiding (1834) en uit de aktie van ds. Ledeboer, die in 1842 werd afgezet als hervormd predikant.
Wat bij de Afscheiding een belangrijke rol heeft gespeeld, en in sterke mate de stoot ertoe heeft gegeven, dat was niet alleen de reglementenbundel, die door koning Willem I in 1816 aan de Kerk was opgelegd en waardoor Christus als Koning van Zijn Kerk werd ontkroond, maar ook het modernisme, dat in de Kerk was binnengedrongen en daar een grote plaats innam. In de „akte van afscheiding en wederkeer" hebben de vaderen van de Afscheiding zich beroepen op onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, waarin geschreven staat dat wij ons als christenen krachtens het ambt aller gelovigen hebben af te scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn.
En inderdaad waren deze aanhangers van het modernisme, die de Kerk voor een goed deel beheersten en die de waarachtige Godheid van de Heere Jezus ontkenden en met hun radikale Schriftkritiek het Goddelijk gezag van de Heilige Schrift aantastten, niet van de Kerk. Zij behoorden in wezen niet tot de Kerk.
En helaas moet nu deze zelfde zaak, die de vaderen van de Afscheiding in de vorige eeuw noofdzaakten zich af te scheiden van de Nederlandse Hervormde kerk, ook voor vandaag nog gelden. Ook nu nog heeft de vrijzinnigheid in de Nederlandse Hervormde kerk een wettige plaats. Ook nu nog is het in de praktijk zó, dat men wel de Waarheid mag prediken, maar dat het blijkbaar ook anders mag. Ook nu nog komt er in de gehele openbaring van de
Ned., Herv. Kerk zo heel weinig van het waarachtig reformatorisch karakter openbaar.
Wanneer in onze belijdenisgeschriften als merktekenen van de ware kerk worden genoemd de zuivere prediking van het Evangelie, de reine bediening van de sakramenten naar de instelling van Christus en de handhaving van de kerkelijke tucht, dan vinden we daarvan in het geheel van de Hervormde kerk zo weinig terug. Ik denk hier dan ook aan het spreken en handelen van de Hervormde Synode, aan het spreken van de kerk door middel van het I.K.O.R. en aan de Algemene Kerkvergadering.
Dit alles vormt ook vandaag nog een belemmering om tot eenwording te komen tussen de Nederlandse Hervormde kerk en de Gereformeerde Gemeenten.
Ook nu nog geldt dat wij ons krachtens het ambt der gelovigen hebben af te scheiden van hen, die niet van de kerk zijn. Vooral aan hen, die de waarachtige Godheid van onze Heere Jezus loochenen, kunnen en mogen wij de broederhand niet reiken; wij kunnen niet erkennen, dat zij uit God zijn.
Dan geen aparte kerk.
Hoe denkt U in dit verband over de positie van de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk?
Wanneer er een „is gelijk" teken kon worden gezet tussen de Hervormde kerk en de Gereformeerde Bond, dan zou de weg tot eenwording tussen de Nederlandse Hervormde kerk en de Gereformeerde Gemeenten niet moeilijk begaanbaar meer zijn. Ja, ik durf te stellen, dan zouden de Gereformeerde Gemeenten zelfs geen bestaansrecht meer hebben als aparte kerk naast de Hervormde.
Dan zou immers vervuld zijn, wat eenmaal ds. Ledeboer sprak: „De Hervormde kerk is onze en God zal haar op Zijn tijd aan ons weder geven!".
Zover is het echter helaas (nog) niet.
Wij kunnen v/aardering hebben voor de strijd, die er in de Ned. Hervormde kerk gevoerd wordt door de Gereformeerden om de waarheid., Alleen wil ik eerlijk zeggen, dat bij mij altijd een vraag rijst als de positie en het blijven van de Gereformeerden in de Nederlandse Hervormde kerk, ondanks alles, verdedigd wordt met het argument, dat de Nederlandse Hervormde kerk van oorsprong een kerk van Gereformeerd belijden is geweest. Dan rijst bij mij namelijk altijd de vraag: moeten wij dan niet allen naar de Rooms Katholieke kerk
terug, want dat is van oorsprong toch ook een goede kerk geweest?
Geen eenheid ten koste van de Waarheid.
Wat is uw oordeel over het. streven naar de vorming van één evangelische kerk in Nederland, met inbegrip van de Rooms-Katholieken?
Op deze vraag moet ik antwoorden, dat mijn oordeel absoluut negatief is. Wij mogen nooit een eenheid nastreven ten koste van de Waarheid Gods.
Taak voor de jongeren.
Ziet U een speciale taak voor de jongeren in de verschillende reformatorische kerken met betrekking tot de gescheidenheid van die kerken? Zo ja, welke?
D s. H. R ij k s e n :
„Wat de laatste vraag betreft, zou ik als antwoord willen zeggen, dat ik onze jongeren zou willen aansporen zich ook via de verenigingen te verdiepen in onze Gereformeerde Geloofsleer en in de geschiedenis van de kerk. Dat is ook in onze tijd primair broodnodig. Anders worden wij o zo gemakkelijk mee gevoerd met cie stroom van allerlei valse oekumene en verkeerde eenheidsdrift.
En dan hoop ik, dat ook bij onze jongeren het heimwee mag levend blijven naar een eenheid van hen, die op grond van onze gemeenschappelijke Gereformeerde belijdenis werkelijk bij elkaar behoren."
Ds. J. Overduin:
„Zeer zeker. (...) In deze chaotische kerkelijke feitelijkheid blijft het voor ons zo pijnlijke gebed van Christus van kracht „dat ze allen één zijn". Niet, dat ze het i n alles eens zijn. Dat is men nergens. Zelfs niet in een huwelijk van twee mensen, , Ik geloof dat de jongeren een geweldige taak hebben om de vastgevroren posities te ontdooien met de warmte van Gods Woord en niet met kreten. Dat betekent, dat men wederzijds kontakt moet zoeken. Naar elkaar luisteren, openstaan, elkaar korrigeren, van elkaar leren. Om het wat generaliserend te zeggen: laten onze jongeren leren zich zelf in hun relatie tot God niet voorbij te lopen, en laten de jongeren van de Gereformeerde Bond leren de wereld niet voorbij te lopen. Wij hebben veel last van verwereldlijking in naam van de breedte, u zult wel last hebben van een ghetto-mentaliteit in naam van de diepte. Maar wie waarachtig in Christus ingeplant is, leeft diep en hoog en breed."
Dr. C. Graafland:
„De taak van de jongeren in dit alles is om zich goed op de hoogte te stellen van de krachten die, vaak op de achtergrond, in al deze ontwikkelingen aan het werk zijn. Daarbij zal zij zich op een intensieve wijze moeten konfronteren met het reformatorisch belijden, niet op een abstrakte, tijdloze en rationalistische manier, maar in voortdurende ontmoeting met de vragen van deze tijd. Zo zullen onze jongeren een gefundeerde mening kunnen verwerven over wat er aan de gang is en zullen zij voor de twee dingen bewaard blijven: voor een ongenuanceerd achterna lopen van de „vernieuwers" en voor een ongenuanceerd achterna lopen van de „konservatieven". Zij zullen de afschuwelijke verdeeldheid, die er is, verfoeien. Zij zullen tevens er „feeling" voor krijgen van wat een schijneenheid is en van wat ware eenheid is. En als het om dat laatste gaat zullen onze jongeren, hopelijk, niet zo langdradig en vrijblijvend blijven praten, als wij dit gedaan hebben. Zij zullen willen komen tot de daad. En laten wij ze a.u.b. daarvoor de ruimte geven, en als het kan, hen daarin helpen en stimuleren.”
D s. J. H. V e 1 e m a :
„Jongeren in de verschillende reformatorische kerken zouden overtuigd moeten worden van het laatst genoemde streven en dit als opdracht moeten zien. Ik ben er op tegen dat jongeren naast de kerk of zelfs tegen de kerk, waartoe zij behoren, gaan inwerken. Dan wordt de jeugd een pressiegroep. Maar jongeren uit de verschillende reformatorische kerken zouden elkaar wel moeten zoeken, met elkaar moeten spreken, gedachten moeten uitwisselen om op deze wijze de geestelijke eenheid te peilen. Belangrijk is dat er een goede samenwerking is tussen de jeugdbonden van reformatorische kerken. Hopelijk kan dat alles onder Gods zegen ertoe leiden dat algemeen beseft wordt: de kerkelijke situatie in Nederland moet veranderen; er moet een duidelijke positie worden gekozen; er moet een zekere radikalisering tot stand komen van de verhoudingen, die nu latent aanwezig zijn. Dat zal pijn en offers, strijd en scheiding kosten. Maar er zal ook een nieuwe verbondenheid groeien; een rijke gemeenschap; een gezegende eenheid. God geve het!”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 maart 1971
Daniel | 16 Pagina's