JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

jeugdfontein

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

jeugdfontein

10 minuten leestijd

We beginnen dit maal met een bijbels opstel van Els Neuteboom.. Dit heb ik ook al een hele tijd in mijn map, het wordt dus tijd, dat het eens geplaatst wordt.

NAäMAN DOOR ELISA GENEZEN

In Syrië woonde een rijke man. Hij was eens over de grens van Syrië getrokken en had een meisje van een jaar of tien - twaalf meegenomen. Zij was in het huis van Naaman en werkte voor zijn vrouw. Maar Naaman was melaats. Dat meisje was een jodinnetje en op een keer zei ze tegen haar mevrouw: , , Als uw man m Israël woonde zou hij door de profeet genezen kunnen worden". De vrouw vertelde dit tegen haar man en Naaman was daar blij om. Hij zei het weer tegen de koning en die zei: „Ga maar naar Israël; ik zal je wel een brief meegeven voor de koning en je neemt tien talenten zilver, zesduizend sikkelen goud en tien wisseHtledëren mee". Naaman vertrok en ging naar de Jioning. van Israël en gaf hem de brief. Toen de koning de brief las werd hij steeds witter-- Hoe kon hij, de koning, nu een melaatse beter maken? Hij scheurde zijn kleren.

Maar Elisa had gehoord dat de koning zijn kleren gescheurd had; hij stuurde een boodschap naar de koning. Waarom scheurt U Uw klederen? Laat hem naar mij komen".

Zo werd Naaman naar Elisa gestuurd. Voor diens huis aangekomen was daar eerst niemand, maar even later ging cle deur open. En wie stond daar in de deuropening? Niet Elisa, maar een knecht en die zei tegen Naaman: „Dompel u zeven maal onder in de Jordaan".

Daar voelde Naaman niet veel voor., Je baden in de Jordaan? In die vieze moddersloot? In Syrië waren er wel mooiere rivieren. Nee, dat deed hij niet en hij zei tegen zijn knechten, dat ze terug zouden gaan naar Syrië. Zijn knechlen wisten hem echter te overtuigen, dat hij het toch proberen kon. En ja hoor, hij gaf toe en daar/ ging men naar de Jordaan.

Hij waste er zich zeven maal in en toeA was hij niet meer melaats. Hij ging naar Elisa en wilde hem geschenken geven, maar dat wou Elisa niet.

De Knecht van iMisa nau er uij gesiaan en alles gehoord. Hij dacht: „Ik zou toch best wat willen hebben". Hij ging Naarnan achterna. Na een poo^ keek Naarnan achterom en zag Gehazi. Dadelijk liet hij zijn wagen stilhoude/1 en wachtte hij tot Gehan bij hem was. Deze vërtelde hem dat er oij zijn heer plotseling twee jongelingen op bezoek gekomen Varen en voor hen wilde EliSa graag een talent zilver en twee wisselklederen. Natuurlijk wilde Naarnan dit graag geven. Gehazi kreeg zelfs twee talenten zilver. Een paar knechten gaan mee om alles te dragen. Gehazi durfde niet voor Elisa te verschijnen en zond de knechten naar een huis, dat voor Elisa's huis stond. Daar verstopte hij de spullen. Toen ging lij heel gewoon naar Elisa tce.( Maar Elisa wist wat Gehazi had uitgehaald. Dat had 3e Heere tegen hem gezegd. Elisa vroeg: TVapwaar Gehazi? " Deze antwoordde: „Uw < necht is noch her-noch derwaarts ge-*ean"HEJat was de tweede keer dat Gehazi loog..-Elisa zei hem zijn straf aan. „De me-- laatsheid van Naarnan zal jou aankleven". Poen ging Gehazi weg, zo wit als sneeuw.

Wat is dat toch altijd weer een mooie geschiedenis. Wat blijkt er toch de almacht sn de alwetendheid Gods uit. Bedankt, Els 2n als je nog eens wat voor me hebt.

Puzzelen.

Hoe vonden jullie puzzel 8? Moeilijk? Nee hoor, dat viel heus wel mee. Jammer, dat in vraag 1 een foutje geslopen was. Dat had moeten zijn Scfrtara^maar dat hadden ie incest en wel begrepen. Hier komen goede namen;

1. Zacharias v 14. Obed ~2.) Simeon ) 15. Benjamin 7f. Jerobeam / 16. Saul A Onesimus / 17. Ruth / 5. Jakob / 18. Esther U 6. Petrus V 19. Nabal____ I 7. Jonathan \ 20. David \ Bi Nathan \ 21. Hiskia 5. Uria \ 22. Habakuk 10. Noach i 23. Naftali M. Machlon ( 24. Job IE. Herodes \ 25. Potifnr 13. Eliëzer

De gevraagde tekst luidt dan: „Zie ik sta aan de denr en ik klog”

Hier volgt de omschrijving:

1. eerste letter van een bijbelboek. 2. tussen Mizpa en richtte Samuël een steen op. 3. Paulus noemt hem zijn oprechte zoon. 4. Obed-Edom was een 5. Hier sloeg de Heere een breuk onder het volk. 6. Het volk der verdrukte het zaad van Jakob. 7. Drie kleinzoons van Lamech. 8. Drie rivieren in Genesis genoemd. 9 van David.; (komt 6 maal voor in de psalmen) 10. Vier bergen: bekend uit de richterentijd (zonder h), herinnert aan Mozes sterven, deze behoort bij de Gerizim, bekend uit psalm 89.

Op de kruisjeslijn ontstaat de naam van een bekende hef. Deze puzzel is het. werk van Alie de Jong. Hartelijk dank, Alie en nu eindig ik met een hartelijke groet voor allen.

C. de Bode, Tholen.

En d.an gaan we nu verder met ons vervolgverhaal.

TROUWE VRIENDSCHAP

(De vrienden Karei en Wim zijn meegenomen naar het politiebureau; zij worden ervan beschuldigd door sneeuwballen een verkeersongeluk te hebben veroorzaakt.)

2. De schuldigen gegrepen.

Daar zaten ze nu; in een politieauto. Op een kerktoren kon Karei net zien hoe laat het was., , , 't Is tien voor twee, Wim; de school is al aan, ze zullen niet weten waar wij blijven. Ik wou, dat wij er ook maar zaten". „Ja, dat wou ik ook wel", antwoordde Wim met een diepe zucht. Wat reed die wagen snel; die chauffeur durfde, hoor, en dan nog wel met die gladde wegen. Zo duurde het niet lang of ze waren bij het bureau. Hoe zou dat aflopen?

Ze moesten uitstappen en mee naar binnen. Terwijl de ene agent zich ging melden en verslag ging uitbrengen van het gebeurde nam de andere hen mee naar een soort wachtkamer. Het duurde echter niet lang of ze werden al gehaald en meegenomen naar een andere kamer. De jongens verwachtten niet anders of ze zouden voor een strenge politieman geleid, worden. Maar dat viel mee. Toen ze de kamer binnentraden zagen ze achter een bureau een juffrouw zitten, die hen vriendelijk begroette. Ze gaf de jongens een hand en noemde haar naam. „Ik ben juffrouw Vermeulen, van de kinderpolitie, jongens. Komefïvjullie maar eens bij me zitten en vertel me nu. eens eerlijk wat er gebeurd is. Wie doet het woord? O ja, jullie weten nu hoe ik heet, maar ik zou toch ook graag jullie namen weten.

Zo, jij bent de grcotcte. Hoe heet jij? " „Ik heet Karei Geuze, juffrouw en mijn vriend heet Wim de Waard", antwoordde Karei. „Prachtig, Karei, dan mag jij me alles vertellen".

En daar begon Karei. Hij voelde zich bij deze vriendelijke juffrouw rustig worden en zonder hakkelen deed hij zijn verhaal. Met geen enkel woord viel juffrouw Vermeulen hem in de rede. Zij luisterde aandachtig. Toen Karei uitgesproken was, vroeg zij aan Wim: „Is het precies zo gegaan Wim of heeft je vriend iets vergeten? ". „Nee, juffrouw, zo is het gebeurd en niet anders."

Lang keek zij de jongens toen aan, maar Karei en Wim konden die blik doorstaan. Eindelijk verbrak juffrouw Vermeulen de stilte.

„Ik geloof jullie, jongens, jullie zijn zo rustig, jullie moeten wel onschuldig zijn. Het is een hele nare geschiedenis waarin jullie terecht gekomen zijn. Jullie moeten het die agenten maar niet kwalijk nemen, dat ze zo kort aangebonden waren en jullie meenamen. We hebben de laatste maanden zo dikwijls last van jongelui, dat de politie het geduld ook wel eens verliest. Er komen zo dikwijls klachten binnen op het bureau en wij kunnen ook niet altijd direct een einde maken aan wantoestanden. Maar kom, jullie mogen weggaan.

Jullie moeten zeker nog naar school? Ik zal eens kijken of wij je niet even kunnen wegbrengen. De politie heeft je hier gebracht, nu moet zij maar zo vriendelijk zijn je terug te brengen ook". „O, dat behoeft niet, hoor", zeiden de vrienden, die al lang blij waren, dat ze weg konden.

Juffrouw Vermeulen nam Wim en Karei mee naar de hal. Hier moesten ze even wachten. Daar kwam die juffrouw al. „Ik breng jullie zelf even weg, jongens, dan kan ik gelijk op school tegen je onderwijzer zeggen wat er gebeurd is”.

Vlug liepen ze nu naar buiten. Op het pleintje stonden enkele auto's. Juffrouw Vermeulen stapte op een Volkswagen toe, deed de deuren open en de „heren" mochten instappen. Dat was vandaag voor de tweede keer, dat ze een gratis rit kregen, maar nu was het toch heel wat prettiger dan een uur geleden. Het ging nu ook veel rustiger; de jongens letten ook goed op. Toen ze in de buurt van hun school kwamen riepen ze ineens: „Dat zijn ze!". Hun begeleidster begreep hen direct. Daar op de hoek van een plein stond weer een groep jongelui. De sneeuwballen vlogen door de lucht; op alles en iedereen werd gegooid. Dit waren de jongens, die Wim en Karei zo in de narigheid gebracht hadden. Ze wisten het zeker.

Juffrouw Vermeulen reed kalm door. Wat moest zij doen. Zij had geen mobilofoon in haar auto, anders had zij zich direct met andere politiewagens in verbinding kunnen stellen. Zij dacht even na en zei toen: „Jongens, ik breng jullie niet naar school., We moeten eerst zorgen, dat we dat stelletje branieschoppers te pakken nemen.

We rijden snel terug; misschien zien we onderweg nog wel een politiewagen". Nauwelijks had zij dit gezegd of daar zagen ze al een bekende blauwe wagen. Juffrouw Vermeulen reed er achteraan en gaf toen met haar claxon een teken. Direct minderde de politieauto vaart en even later stond de wagen stil. De Volkswagen werd er achter geparkeerd. Vlug stapte juffrouw Vermeulen uit. De jongens volgden haar voorbeeld. Direct zagen de jongens, dat ze te doen hadden met dezelfde agenten, die hen die middag hadden meegenomen. Dat trof dus geweldig. Met enkele woorden vertelde juffrouw Vermeulen wat er aan de hand was. De agenten begrepen het direct. Er moest snel gehandeld worden. Een plan werd opgemaakt; andere auto's werden opgeroepen. Van verschillende kanten zou men tegelijk het plein oprijden en proberen de ergste raddraaiers in de kraag te grijpen. De jongens en hun begeleidster behoefden hier niet aan mee te werken; zij werden bedankt en konden nu dus doorrijden naar school. Eerlijk gezegd, hadden de jongens helemaal geen zin meer om naar school te gaan.

„Och juffrouw", zei Wim, „het is de moeite niet meer om naar school te gaan. Laten wij ook even over dat plein rijden. Wij zouden toch wel graag willen zien hoe het afloopt".

En ja hoor, dat ging door. Hun chauffeuse reed een paar blokken rond en toen ging het terug naar het plein. Ze kwamen net op tijd. Van drie kanten zagen ze een politieauto het plein oprijden. De sneeuwballen werpende jongelui schoten alle kanten uit, maar het mocht voor allen niet baten. Enkelen wisten wel te ontsnappen, maar dat was niet erg, hun namen zouden de anderen wel zeggen. Wim en Karei zagen hoe er zes jongens op niet al te zachte manier gegrepen werden. Zij moesten mee. De politiewagens reden weg en ook de auto met Karei en Wim erin. Juffrouw Vermeulen vroeg of ze nog een keertje mee wilden gaan naar het bureau. De jongens begrepen wel waarom.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1971

Daniel | 16 Pagina's

jeugdfontein

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 februari 1971

Daniel | 16 Pagina's