JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

jeugdfontein

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

jeugdfontein

9 minuten leestijd

Allereerst wil ik jullie in dit eerste nummer van 1971 allen een heel gelukkig nieuwjaar toewensen. Ik hoop, dat het voor jullie allen een goed jaar, maar bovenal een gezegend jaar mag worden. De Heere moge ons bewaren voor rampen en onheilen en geve Hij, dat ook ons jeugdwerk dit jaar zijn voortgang moge hebben. Dat het ook met ons jeugdblad goed mag gaan. Ik hoop, dat jullie ook dit jaar veel post naar mij willen zenden, opdat ik gemakkelijk iedere veertien dagen twee bladzijden kan vullen. Het zou heel goed zijn, dat ook de plaatselijke verenigingen wat meer van zich zouden laten horen; dit alles om de band, die er reeds is nog meer te helpen verbreden.

De vorige keer plaatste ik puzzel 6. De antwoorden hiervan moesten luiden:

1. Eli 2. Rhodé 3. Zacharias 4. Achis 5. Lemuël 6. Ezra 7. Ezechiël 8. Noach 9. Simeon 10. Thomas 11.Etam Noach 9. Simeon 10. Thomas 11.Etam28. Onesimus 29. Bileam

De beginletters vormen, zoals je ziet, tekst: de

„Er zal een ster voortgaan uit Jacob"

Hier komt dan direct puzzel 7. Je ziet allemaal korte teksten, waarin woorden vergeten zijn. De grootte van het woord zie je aan het aantal punten. Zet de gevonden 26 woorden achter elkaar en dan heb je een bekende tekst. De meeste gevraagde woorden kun je vinden in de kerstgeschiedenis. Daar gaan we dan.

1. . . zijn gekomen om Hem te aanbidden.

2 ....de engel des Heeren verschijnt Jozef in de droom.

3. . .geboorte van Jezus Christus was' nu aldus.

4. want wij hebben gezien zijn ... . in het oosten.

5. ... Mijn volk Israël weiden zal.

6. En . .de koning gehoord hebbende.

7. En ....huis gekomen zijnde.

8. Enige wijzen van het

9. Want wij hebben Zijn ster.

10. En zij ......geen kind.

11. En de engel .... weg van haar.

12. Hielden de nachtwacht over . . . kudde.

13. En Hij zal ... . Hem heengaan.

14. En ben uitgegaan om ... u te spreken.

15. ... hij zou ingaan in de tempel.

16. En . . verborg zich vijf maanden.

17. En kwam in het huis van Zacharias.

18. . . groette Elisabeth.

19. En ziet, een engel des Heeren bij hen.

20. Indien het u niet van ..... gegeven ware.

21. In . . dagen van Herodes.

22. Omdat voor henlieden geen v/as in de herberg.

23. Zeggende .... is de geboren Koningder Joden?

24. Boodschapt . . . mij.

25. En als de ouders het inbrachten.

26. Dat hij van de wijzen bedrogen . . .

Deze mooie puzzel werd ingezonden door Peter Hocgendcorn. Hartelijk dank, Peter. En dan nu een vrije vertelling.

TROUWE VRIENDSCHAP

1. Vals beschuldigd

De kerstvakantie was voorbij en Karei en Wim moesten weer r.aar school. Met de feestdagen waren ze thuis gebleven. Ze waren het er alle twee over eens, dat je met de Kerstdagen en jaar-wisseling thuis behoorde te zijn. De zomervakantie was immers lang genoeg cm uit te gaan. Eén ding was jammer; ze hadden zo gehoopt, dat ze in de kerstvakantie fijn hadden kunnen schaatsen, maar daar was niets van gekomen. Het water van de grachten en sloten lag steeds te rimpelen door de

wind. Ook van sneeuwballen en sleetje rijden hadden ze af moeten zien, want het was geen witte Kerst geworden. Toch hadden ze wel genoten van hun vakantie; het was toch heerlijk om een paar weken van schoolwerk verlost te zijn. Maar nu was dat voorbij. Het werk wachtte weer. Nog een half jaar naar de lagere cehcol en dan, ja, dat wisten ze eigenlijk nog niet. Ze wilden zo graag allebei naar dezelfde school, maar dat zou wel moeilijk worden, want Wim kon heel goed leren en Karei kon maar net mee. Van de kleuterschool af waren ze nu al vrienden geweest; iedere dag zag je hen in eikaars gezelschap; zelfs 's zondags gingen ze samen naar de kerk. Zou straks een eind komen aan deze vriendschap? Doch daar dachten de jongens nu niet aan. Zij leefden maar bij de dag en waren benieuwd, hoe het op school zou zijn.

Op een drafje ging het op school aan; op het plein was het al een gekrioel van kinderen. Tijd om mee te gaan spelen kregen Karei en Wim niet, want nauwelijks waren ze op het plein of daar ging de bel al; vlug in de rij en naar binnen.

In de klas was het even rumoerig, want alle leerlingen wilden tegelijk de meester nieuwjaar wensen, maar aangezien de meester maar één rechterhand had, ging dat moeilijk. Tenslotte zat een ieder op zijn plaats. De meester gaf een psalmvers op en eerbiedig klonk het gezang op. Na het gebed hield de meester een toespraakje tot de klas; dat deed hij altijd na de kerstvakantie. Hij wenste hen allen een heel gelukkig jaar toe en hoopte, dat zij allen dit jaar opnieuw gespaard zouden mogen worden. Daarna vertelde hij de geschiedenis van d.e Wijzen uit het oosten. De meester kon boeiend vertellen, maar toch was er niet zo'n aandacht als anders. Hoe kwam dat toch? Waarom keken alle kinderen toch zo dikwijls naar het raam? Wel, uit de donkere wolken dwarrelden eerst wat kleine vlokjes neer en die werden steeds groter. Het sneeuwde. En hoe kan een kind nu stil zitten luisteren als cle eerste sneeuw valt. Wat jammer, dat de vakantie nu net om was. Was het maar een paar dagen eerder gaan sneeuwen. Ook Karei en Wim zaten voortdurend, naar het sneeuwen te kijken; ook zij popelden om naar buiten te gaan. De meester merkte wel, dat er weinig aandacht was en" maakte zijn verhaal maar vlug af. Hij begreep zijn leerlingen wel. Morgen zou het wel beter gaan. Hij deelde vlug blaadjes uit en zei: „Jongens en meisjes, jullie zien het sneeuwen. Schrijf nu allen maar eens een leuk verhaaltje over die sneeuw. Ga je gang maar." Dat was een leuke opdracht. Ijverig ging een ieder aan het werk.

Na dit opstel deden ze nog hun andere taken, totdat de bel vertelde, dat de morgenschooltijd om was. Wat hadden alle kinderen een haast om buiten te komen.

De sneeuwballen suisden door de lucht en niemand dacht er aan om naar huis te gaan. Eerst moesten ze allen genieten van die verse sneeuw. Wat was er een pak gevallen!

Karel en Wim deden ook naar hartelust mee; zij vergaten de tijd, tot Karei riep: „Joh, Wim 't is al kwart voor één. Ga je mee, gauw naar huis, anders krijgen we!'' Daar renden ze weg en hijgend en puffend kwamen ze eindelijk in hun straat. „Tot straks, hoor". Toen Karei binnenstapte waren ze al aan het eten, maar het standje viel mee. Vader kon het wel begrijpen, hij was ook jong geweest.

Een kwartier later stond Karei al in de keuken bij Wim. Wim was ook net klaar en dus konden ze vertrekken. Moeder gaf neg wat waarschuwingen mee, maar die hoorden de jongens al niet meer. Ze wisten trouwens al, dat ze niet op oudere mensen mochten gooien en ook niet naar auto's en fietserj. Dat sprak immers vanzelf; dat was veel te gevaarlijk.

Weer begon het te sneeuwen. Karei en Wim venden het prachtig; hoe meer hoe liever. Zij zagen er alleen het mooie maar van en hadden geen erg in cle moeite, die er voor anderen aan verbonden was.

Op de hoek van de straat stond een groepje opgeschoten jongens. Ieder die langs kwam namen ze onder vuur. Karei en Wim bleven er even bij staan kijken. Ze hadden beter door kunnen lopen, dan waren ze voor veel narigheid gespaard gebleven.

Daar kwam een man aan op een bromfiets. Met moeite kon hij op de weg blijven, met z'n beide voeten op de weg ging hij langzaam vooruit. Die grotere jonger.s mikten ook op hem. De bromfietser kreeg een sneeuwbal midden in het gezicht; hij schrok, verloor de macht over zijn stuur en schoot de weg over, recht op een auto aan, die van de andere kant naderde. Remmen gierden en Karei en Wim zagen de auto glijdend op een lichtmast afgaan, waar hij met een klap tegenaan vloog. Ze gaven een gil van schrik. Het groepje jongelui was uiteen gestoven en verdwenen. Karei en Wim stonden nog met sneeuw in hun handen. Wat moesten zij doen. Ook weglopen? Daar dachten ze niet aan. Zij liepen naar de gevallen bromfiet-

ser toe en wilden hem overeind helpen. Daar was de man echter niet van gediend. Hij begon hen vreselijk uit te schelden; ook de geschrokken chauffeur van de geslipte auto kwam er bij en pakte de jongens stevig in hun kraag. Ook hij begon Karei en Wim geducht de les te lezen. De jongens wilden zich verweren, maar niets hielp. De beiden mannen waren vreselijk boos. Intussen was er een hele oploop in de straat gekomen. Iedereen begon er zich mee te bemoeien en de verwijten, die Karei en Wim aan te horen kregen, waren niet mals. Ze moesten op hun tanden bijten cm niet in huilen uit te barsten. Wat moesten ze toch beginnen? Daar naderde, luid toeterend, een politie-auto.

Twee agenten drongen door de menigte. „Wat is hier gebeurd? ", vroeg de ene agent. „O, ik zie het al. Deze lieve jongetjes zijn zeker zo leuk geweest sneeuwballen naar het verkeer te gooien. En nu ze gepakt zijn, hebben ze het natuurlijk niet gedaan. Dat weten we al. Wij zullen alle gegevens even opnemen en dan deze twee heren wel meenemen naar het bureau. Heeft iemand het zien gebeuren? Ik wil graag de namen van een paar getuigen." Niemand uit het publiek gaf antwoord. Ze hadden zoeven wei een groot woord, maar ze hadden het ongeluk niet zien gebeuren. De andere agent had intussen de schade opgenomen aan de auto en de lichtmast. De bromfietser en de chauffeur mankeerden gelukkig niets en ook de bromfiets vertoonde geen gebreken. „Dat zal jullie centen kosten, jongens. Hoe kunnen jullie tcch zo stom deen? "

Karel zag nu zijn kans schoon om te vertellen wat er nu eigenlijk gebeurd was. „U gelooft ons wel niet, mijnheer, maar dit hebben wij eerlijk niet gedaan. Wij kwamen aanlopen en zagen hier op de hoek een stel jongens staan. Zij gooiden naar iedereen. De mijnheer van de bromfiets kreeg een sneeuwbal midden in het gezicht. Toen raakte hij de macht over zijn stuur kwijt, slingerde na? r de andere kant van de straat en " , , 't Is wel makkelijk, hè de schuld op een ander te werpen", zei de agent. „Komen jullie maar mee; op het bureau komen we wel achter de waarheid".

Wim en Karei moesten wel mee. Ze begrepen wel, dat er niet te praten viel met al die mensen om hen heen. Met een smak viel het portier van de politiewagen achter hen dicht. Daar gingen ze nu. Als een paar misdadigers werden ze opgebracht.

De eerste tijd zeiden ze niets; de tranen stonden bij hen in de ogen. Ze boenden ze weg. Toen zei Wim: „Wees maar niet bang, hoor Karei, er is er Eén Die weet, dat we onschuldig zijn''.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1971

Daniel | 16 Pagina's

jeugdfontein

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 januari 1971

Daniel | 16 Pagina's