Brief uit Merksem
Kontakt met jongeren
Beste vrienden.
Deze keer wil ik u eens niet wat schrijven over onze evangelisatiearbeid in Merksem en Antwerpen, maar nu eens over het kontakt, dat we hier hebben met veel jongeren uit onze gemeenten in Nederland. Velen van hen zijn echte vrienden, maar ook trouwe helpers voor ons geworden in de tijd, dat we hier zijn. Wij zijn vorig jaar begonnen elke maand een groep van 10 a 12 personen uit te nodigen om een weekend in Merksem door te brengen en hiervan is tot nu toe een gretig gebruik gemaakt.
Soms, vrijdagsavonds al, maar meest 's zaterdags, komen ze binnendruppelen, de één per trein, anderen per auto en sommigen zelfs liftend. Ieder heeft een slaapzak bij zich en de meisjes mogen zich nestelen op de bovenste verdieping en de jongens kunnen hun moede ledematen uitstrekken op veldbedden in de grote kelder. Toen het deze winter erg koud was, kon ik het niet over mijn vaderlijk hart verkrijgen om ze in die koude kelder te laten slapen en mochten ze hun bivak opslaan in het verwarmde kerkzaaltje. Daar beneden is het 's avonds meestal spoedig rustig, maar boven in de nok van het huis, kwetteren de parkietjes nog wel eens tot lang na het middernachtelijke uur, wat ze tot mijn grote verwondering de volgende morgen weer in hetzelfde tempo voortzetten; dit in tegenstelling tot de jongens beneden, waar er nogal eens bij zijn, die duidelijke verschijnselen van ochtendziekte vertonen. Gelukkig behoort dat na het nuttigen van het ontbijt spoedig tot het verleden. De zaterdagmiddag en soms een gedeelte van de avond wordt besteed aan het verspreiden van lektuur, o.a. de Kruisbanier en verschillende folders. De verdere zaterdagavond wordt doorgebracht met samen zingen met begeleiding van een meer of minder begaafde organist op ons pijporgeltje en verder een bespreking over één of ander bijbels onderwerp. Aan het einde van de dag worden er nog enige psalmen gezongen, een hoofdstuk uit de bijbel gelezen en een zegen voor de nacht gevraagd, waarna als het goed weer is nog een korte wandeling volgt, en dan allen naar de kooi. 's Zondagsmorgens allen om 8.30 uur aan tafel en daarna elkaar helpen om tafels af te ruimen en alles op zijn plaats te zetten voor de kerkdienst, die om 10 uur aanvangt. Na de kerkdienst blijven de meeste kerkgangers, waaronder ook dikwijls hollandse schippers, die in Antwerpen of in Merksem in de havens liggen, samen koffie drinken en wordt er nog wat nagepraat.
Als alle kerkgangers vertrokken zijn, gaan we aan tafel en nuttigen samen de echte hollandse soep, die mijn vrouw 's zaterdags heeft klaar gemaakt.
Na de maaltijd gaat de één wat rusten, de ander wat lezen, anderen wat met elkaar praten tot er om 3 uur thee gedronken wordt. Ongeveer 4 uur gaan we ons gereed maken om naar Antwerpen te gaan, waar de dienst om 5 uur aanvangt. De meeste jongeren gaan dan nog vóór de dienst naar het St. Jansplein en trachten kontakt te krijgen met mensen die zich daar bevinden. Er wordt een uitnodiging of een folder uitgereikt, een gesprek aangeknoopt en soms lukt het iemand te overreden om te komen luisteren, maar dit gaat heus niet altijd.
Na de dienst in Antwerpen terug naar Merksem om de broodmaaltijd te gebruiken. Als daarna alles is opgeruimd wordt er een kring gemaakt, drinken we koffie en mogen dan dikwijls tot nuttige, leerzame en openhartige gesprekken komen. Ja, mag er nog wel eens eerlijk en onbevangen verteld worden, wat er zo van binnen omgaat. Je hebt in zo'n gezelschapje natuurlijk inpakkers en uitpakkers. Nouja, ze moeten er beiden zijn. Allemaal tegelijk spreken gaat niet en allemaal tegelijk zwijgen zou ook benauwend zijn. En nu moet ik terug denken aan jaren geleden. Mijn oude moeder was een geoefende Christin, kruis en druk waren haar in haar leven niet besnaard, maar ze had ook veel genade van de Heere ontvangen en ze was een vrouw, die door alle eigen vroomheid, door haar bekering en door haar bevinding, kortom door alles was heengezakt om alleen te mogen rusten op het volbrachte werk van die Enige Rotssteen, Wiens werk alléén volkomen is. Zij kon zo bemoedigend en eenvoudig spreken met jonge mensen en ze altijd vol liefde wijzen op dat
enige nodige. Ze was tot haar 82ste, haar sterfjaar, helder van geest en als er dan weer eens jonge mensen bij haar op bezoek waren geweest, dan hoor ik haar nog tot mij zeggen: „O, ik ben al zo blij als ik wat hoor ritselen."
Welnu vrienden, dat ben ik ook hoor! Ik verheug mij ook als ik zo nu en dan het geritsel verneem van zo'n jonge ram die met zijn hoornen in de struiken verward zit. Ik kan er niets aan doen, maar ik houd wel van die spartelaars. O, ik weet het ook wel, we beleven een bange tijd, een doorvloeiend vals christendom, een feest vieren als de Koning niet in de stad is, en ik hoop en bid dat onze jonge mensen hiervoor bewaard mogen blijven en dat de Heere ze maar veel ontdekkend licht van Zijn Geest mag schenken. Maar anderzijds behoeft men toch heus de luiken nog niet te sluiten omdat God dood is, men vervalt zo licht in uitersten, maar laten we wel bedenken dat „zwaar" ongeloof net zo Godonterencl is als „licht" ongeloof.
Neen, vertelt het maar, ook tegen onze jonge mensen. Hij leeft, Hij leeft tot in alle eeuwigheid. En Hij heeft beloofd: „En ziet, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld." Dat heeft Hij Zijn kerk beloofd. Hij zal ze door alle wereldweeën heen bewaren en vermeerderen tot aan het einde der wereld. En hoe het zijn zal in die tijd tot de voleinding, dat kunt u genoegzaam lezen in het Woord van God. Maar Hij houdt getrouw Zijn Woord temidden van een ondergaande wereld.
En daarom, laat ze maar komen naar dit onherbergzame oord. De spelonk van Adullam lag ook midden in een kaal, onvruchtbaar rotsgebergte, maar het was een vergaderplaats van alle man die benauwd was, en alle man die een schuldeiser had, en alle man, wiens ziel bitterlijk bedroefd was. Maar 't voornaamste was, dat David in die spelonk verbleef en hij werd tot een overste over hen.
En die nu door genade die Meerdere David tot een Overste mag verkiezen, die moet op zoek gaan naar die spelonk van Adullam, maar die ligt voor het natuurlijk oog verborgen hoor! Saul kon hem met al zijn speurhonden niet vinden.
Doch als je naar die spelonk zoekt, weet je waar je dan op moet letten?
Dat is, waar Saul het meeste getier maakt, daar is de spelonk niet ver vandaan.
En jonge mensen, nu moet je maar niet teveel luisteren naar het wapengekletter van Saul, maar spits je oren maar of je het psalmgezang uit de spelonk kunt horen en let op! daar zingen ze: „Ai, hoor naar hen, die in gevangenis kwijnen; Laat hun gekerm voor Uw gezicht verschijnen; Bevrijd hen, die, gedreigd met doodsgevaren, op Uwe hulp met smekend ogen staren!" Ga maar op dat geklank af en dan wens ik allen:
Behouden aankomst in de spelonk en een gezegende ontmoeting met DAVID.
Jullie vriend,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1970
Daniel | 16 Pagina's