Terugblik op de maanreizen
Het leven op aarde is uniek
Tol de topgebeurtenissen van de laatste twee jaar behoren ongetwijfeld de beide geslaagde landingen op de maan. Vooral de eerste landing van de beide astronauten Collins en Aldrin in juli 1969 was bijzonder spectaculair. Het adembenemende schouwspel toen een mens voor het eerst voet op de maan zette, werd door miljoenen via televisie en radio gevolgd.
De kranten spraken van een groot moment in cle geschiedenis van de mensheid. Men noemde deze eerste geslaagde landing op de maan in een adem met de daden van grote ontdekkingsreizigers uit het verleden. Columbus, Magellaan, Drake en Tasman ontsloten continenten voor de mens, doch nu in 1969 volbracht de mens een reis in de wereldruimte, waarbij de reizen van de grote ontdekkingsreizigers uit vroeger tijden in het niet verzonken, Men heeft in 1969 welbewust een begin gemaakt met wat men noemt de exploratie (onderzoek, verkenning) van de ruimte.
De maan is slechts een begin in dit program. Het is eigenlijk slechts een generale repetitie voor toekomstige reizen naar verder afgelegen planeten als Mars, Venus en Jupiter.
Plannen om een bemand ruimtevaartuig naar Mars te zenden bevinden zich in een vergevorderd stadium. Mars zal de eerste planeet zijn waarop de mens landt. Het feit dat Mars veel verder verwijderd ligt dan de maan, zeven maanden heen en zeven maanden terug schijnt geen onoverkomelijke technische moeilijkheden met zich mede te brengen.
Volgens Dr. Georges Müller, een hoge functionaris van NASA, is een vlucht naar Mars in 1981 mogelijk. In 1982 kan men dan Mars bereiken, terwijl het ruimteschip via de planeet Venus in 1983 op de aarde terug kan zijn. Het klinkt allemaal erg ongelofelijk, maar was het denkbeeld van een landing op de maan 25 jaar geleden niet evenzeer fantastisch. Wij weten niet tot welke hoogte in letterlijke en figuurlijke zin de mens in de toekomst zal komen. Wellicht zal hij komen waar hij nu denkt te komen op Mars of Venus; technisch is hij daar op voorbereid. Maar wat dan. Men heeft wel eens gesproken van het begin van de verovering der ruimte die zou zijn ingeluid met het begin der ruimtevaart. Dit is natuurlijk een populair gezegde, waar geen wetenschappelijke grond voor bestaat.
Het heelal is zo groot, dat van die grootheid totaal geen voorstelling kan worden gemaakt., Een man als Newton, de ontdekker van cle zwaartekracht, heeft eens van het gehele kosmische probleem gezegd:
„Mijzelf lijk ik een kind, dat aan het strand van de zee speelt en zich verheugt over een gladde steen of een bijzonder mooie schelp, die hij af en toe vindt, terwijl de grote oceaan der waarheid onverkend voor hem ligt".
Veel onderzoekers van de ruimte hebben Newton's woorden tot de hunne gemaakt. Inderdaad de immense ruimte die zich boven ons welft, gezien en ervaren bij een heldere nachtelijke hemel, maakt klein en nietig. Bedenkt men daarbij de ontzettende afstanden die de mens van de sterren scheiden, dan is het beter niet van een verovering der ruimte te spreken.
Om een enkel voorbeeld te noemen: de meest nabije ster, de Proxima Centauri bevindt zich ongeveer 40 billioen km van ons vandaan, een afstand ongeveer 270.000 malen zover als de zon van de aarde verwijderd is. En zou de mens naar de zon willen reizen, wat natuurlijk onmogelijk is, dat moet hij een afstand afleggen, die 400 keer zover is als de afstand die de Amerikaanse astronauten naar de maan aflegden.
Een belangrijk facet van de maanreis van 1969 was, het aantonen dat cle maan geheel ongelijksoortig als de aarde, totaal geen leven bevat. Natuurlijk wist men dat al, echter is nu bewezen, dat in de meegebrachte maanmonsters niet het minste micro-organisme valt te ontdekken. De maan is een dode levenloze kolos in de wereldruimte, gehoorzamend aan geweldige natuurkrachten die haar baan bepalen als sateliet van onze aarde.
Wat men op de maan niet verwachtte denkt of dacht men wel aan te treffen op Mars en Venus. Maar ook deze verwachting, leven aan te zullen treffen, is door het ruimteonderzoek achterhaald.
De bekende Engelse astronoom James Jeans heeft al in 1933 het denkbeeld geopperd „dat naar alle waarschijnlijkheid het leven op aarde, het enige is, dat binnen het zonnestelsel te vinden is". Sir Jeans vermoeden, en er zijn er meer die dit ver-
moeden delen, werd bevestigd door de verkenningsvluchten van de Amerikaanse Marmer G en 7 die in de buurt van Mars, gegevens naar de aarde seinden, waaruit bleek, dat geen natuurlijk leven op deze planeet aanwezig kan zijn. Atmosferische voorwaarden die nodig zijn om leven in stand te houden, ontbreken namelijk op Mars. Russische ruimtesondes die Venus benaderden gaven voor deze planeet berichten van dezelfde negatieve strekking. Uit al deze gegeven kwamen Amerikaanse ruimtedeskundigen tot de conclusie: „Het leven op aarde is uniek in ons zonnestelsel".! Dr. Norman H. Horwitz en Dr. Roy Cameron, verbonden aan het ruimtelaboratorium te Pasadena U.S.A., achten de mogelijkheid van leven in het zonnestelsel uiterst gering. De planeet die volgens deze geleerden nog enige kans biedt leven aan te treffen, is Ju.piter. Maar deze planeet is weer ontoegankelijk door bevroren gaswolken, die enorm in beweging zijn.
Bovengenoemde conclusie van beide Amerikaanse deskundigen geeft ons veel te denken. Als het leven op onze planeet in de geweldige wereldruimte uniek is, is er clan niet iets aan de hand met onze wereld?
Een andere vraag die ons hier bezighoudt is, wat bezielt de mens eigenlijk, wat drijft hem er toe geld en goed op te offeren in zijn pogingen de ruimte binnen te dringen? Wat schuilt hierachter? welke stimulansen bewegen hem de aarde te verlaten? Is het een buitenaards leven, wat hij denkt aan te treffen op een andere planeet? Is het dit idee, wat hem die geweldige prikkel verschaft? Prof. G. P. Kuiper verklaarde eens rondweg „dat het probleem van leven op andere planeten, bewust of onbewust, voor een groot deel van alle onderzoekingen met betrekking tot de hemellichamen, wel de krachtigste drijfveer is geweest".
Men kan ook zeggen: nadat de mens de zwaartekracht overwonnen had, werd ruimtevaart hiervan een logisch gevolg. Inderdaad, maar hij heeft niet voor dit doel de zwaartekracht overwonnen.
Nationaal prestige en het eventuele vestigen van strategische afweermiddelen op de maan zijn allemaal ondergeschikte argumenten en zijn daarom geen deugdelijk antwoord op de vraag, waarom de mens de ruimte wil binnendringen.
Wij menen dat het bovenaangehaalde citaat van Prof., G. P. Kuiper meer licht op deze vraag werpt. In het vermoeden leven aan te treffen elders in het zonnestelsel, speelt de menselijke nieuwsgierigheid een grote rol. Hij wil zich vergewissen van zijn vermoeden en zijn prognosen van eventueel leven in de ruimte zelf controleren. Men kan bijna geen bericht of artikel over ruimtevaart lezen of men wordt geconfronteerd met de al of niet aanwezige mogelijkheid van buitenaards leven.
Daaruit blijkt hoe dit probleem de geesten bezighoudt.
Uit dit alles komt tevens naar voren, in een hoe grote mate de moderne mens gebroken heeft met de Bijbelse kosmologie, (leer van de bouw van het heelal) die toch uitsluitend van een geschapen leven op deze aarde spreekt. Het kan soms benauwend zijn, hoe gemakkelijk zelfs de christelijke mens van onze tijd breekt met cle Bijbelse wereldbeschouwing.
Daarvan wordt gezegd, dat zij uitstekend was voor de mens uit de tijden der grote ontdekkingsreizen, echter nu, nu de mens de ruimte ontsluit, dient dit wereldbeeld een revisie te ondergaan.
Indien mogelijk zal men toch in de toekomst nog verdere reizen ondernemen, die het oude aan de Bijbel ontleende wereldbeeld geheel onbruikbaar zal maken.
Het indien mogelijk blijft voor ons nog zeer aktueel, want ondanks geslaagde maanlandingen en ondanks plannen voor verdere ondernemingen blijft het Bijbelse wereldbeeld aktueel.
Ruimtedeskundigen bevestigden het zelfs — zij het dan ongewild en onvermoed — toen zij uit de talrijke gegevens van het moderne ruimteonderzoek, het unieke vanhet aardse leven moesten vaststellen. 1).
1) Dit artikel werd met toestemming van redaktie en schrijver overgenomen uit de „Kerkbode der Gereformeerde Gemeenten te Rotterdam en omstreken", 20e jrg. nr„ 17, 26 dec. 1969. We hopen in het volgende nummer het tweede en laatste deel van deze beschouwing te plaatsen. (Red.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1970
Daniel | 16 Pagina's