Bijbel en wetenschap (3)
In het vorige artikel zagen we reeds een groot gedeelte van de middeleeuwse theologie ineenstorten. Er zijn echter meerdere aanvallen gedaan, waaraan ik nu voorbij ga.
Newton.
Eén naam zou ik toch willen noemen, die in de ontwikkeling van de natuurwetenschap zo'n grote plaats innam. Die man is een zekere Newton. Hij heeft sterk beklemtoond, dat alles te beredeneren is; dat alles in wetten is vast te leggen. Onder zijn toedoen ontdekte men overal wetten en wetjes. Het meest bekend is dat wel geworden op het gebied van de — hoe kan het anders — natuurkunde en biologie.! In dit verband komt ook het begrip evolutie naar voren. Door dit te aanvaarden, is er geen plaats meer voor het wonder; is er geen plaats meer voor schepping in Bijbelse zin en gaat u zo maar door.
Ontwortelde theologie.
Onmiddellijk denken we nu ook aan de theologie. Hoe ging het daarmee?
Wanneer het bovenstaande volledig wordt aanvaard, kan men tot de conclusie komen, dat er geen God meer is. Zover ging men niet. Men ontkende nog niet, dat er geen God was. God had de wereld geschapen, maar er toen zijn handen vanaf getrokken. God is weg. In deze tijd zegt men het anders, dieper ingrijpend, n.1. God is dood, is afwezig.
In de Verlichting, de eeuw van de Rede, zijn de uitgangspunten voor het denken van onze tijd in feite al geformuleerd. De verlichtingsmens is deïstisch. In onze tijd zijn we een stap verder en zijn we atheïstisch.
Het deïsme houdt in, dat God de wereld wel geschapen heeft, maar er zich verder niet mee bemoeit.! God is de klokkemaker, die de klok (de wereld) gemaakt heeft en het nu volgens vastgestelde wetten laat aflopen.
In nevelen.
De wetenschap heeft niet stil gezeten. De resultaten zien we dagelijks om ons heen en dat niet alleen, maar ook de enorme wetenschapsontwikkeling op alle terreinen. Wij hebben te maken met pogingen tot het maken van mensen in reageerbuisjes, met ruimtevaart, met computers en weet ik niet al.
Wij, als leken staren hoog op tegen de wetenschapsman. We voelen ons in de handen van een chirurg bijna als een onmachtige; een psychiater kijkt door ons heen, alsof we een stuk glas zijn. Waar ligt de grens?
Prof. Huizinga zegt ergens: , , De wetenschap gaat op weggetjes, waarvan we kunnen zeggen, eindigen ze wel? , maar het is zeker, dat deze onloochenbare en positieve vooruitgang, die verdieping, verfijning, verzuivering kortom verbetering betekent, het wetenschappelijk denken in een staat van crisis heeft geleid, waaruit het inzicht nog in nevelen gehuld is".
Toch wil de wetenschapsman vooruit; hij kan niet meer terug.
Vooruitgang?
Maar vanwaar dan die crisis?
De oorzaak zou kunnen liggen in het feit, dat het begrip vooruitgang, dat aan wetenschap verbonden wordt een hachelijk ding is en een dubbelzinnig begrip. Het kan immers, dat het een vooruitgang is van de vooruitgang, maar ook een vooruitgang in de teruggang.
We kunnen zeggen: wat worden we groot, maar is er werkelijk reden om trots te zijn? In de vorige eeuw was men bijzonder optimistisch. Een enkele schakel ontbrak nog, maar dan stonden we ook aan de top. Natuurlijk is er ook nu nog sprake van optimisme en van hooghartige trots, maar in de kernlagen van de wetenschapskringen kunnen we een angst bespeuren, een vertwijfeling, een vraag naar: hoe ver kunnen we gaan?
Tweemaal een grens.
Bij de top van ons weten en kunnen staan we in twee opzichten voor grenzen, die wij niet overschrijden kunnen. Ons weten wordt omspoeld door de oceaan van het mysterie. Ons kunnen ziet zich begrensd door de onmacht om ooit de weg te vinden tot waarachtige levensverandering. Het ontzaglijk technisch vermogen van de mens schijnt veel minder een zegen te zijn dan een vloek, omdat de mensheid wellicht moreel niet sterk genoeg is om over de krachten te beschikken die zij zelf ontwikkeld heeft.
De reeds genoemde prof Bavinck zegt het zo: „In tal van opzichten gelijkt de mensheid een kind, dat ter onzaliger ure de beschikking gekregen heeft over een wapen dat veel te sterk is, dan dat hij het op de rechte wijze zou kunnen gebruiken".
Bijbel en wetenschap.
Voor een belangrijk deel is de huidige wetenschap geboren tijdens de reformatie. Hoe dacht nu de reformatie over de verschuivingen die toendertijd aan de gang waren? Allereerst moet dan opgemerkt worden, dat de reformatie tot doel had een hervorming en zuivering van de bestaande kerk, uitgaande van de Schrift als hoogste norm, waarbij aan de maatschappij beslist niet voorbij gezien werd. In de eeuw na de reformatie heeft men de gereformeerde theologie met alle kracht tegen de opkomende dwalingen verdedigd.
Soms gebruikte men daarvoor een wijsgerige methode die aan de middeleeuwen herinnerde. Dat bevorderde o.m. het ontstaan van een langzaam groter wordende kloof tussen de theologie en een wetenschap, die de Schrift niet als gezaghebbend voor alle levensterreinen wilden aanvaarden.
Het wordt nu echter tijd deze verkenning af te sluiten met wat Groen van Prinsterer zei, die midden in de ontwikkeling van de wetenschap stond, zoals wij er nu in staan.
In de voorrede van zijn boek „Ongeloof en Revolutie" schrijft hij daar: „Wiens (God) waarschuwend woord: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken, ten huidigen dage, na zoveel opgeblazenheid ener onchristelijke wetenschap en politiek, in de ij delheid van haar glinsterende waterbellen gezien wordt; " Het is slechts een citaat. Groen bedoelt hier veel meer, maar het is niet dienstig in dit verband een groter citaat te geven.
Een ander woord dat Groen veel gebruikte is een Bijbelwoord uit Spreuken 1 : 7a:
„De vreze des Heeren is het beginsel der wetenschap";
Let wel: het beginsel, dus niet de wetenschap zelf., Maar vanuit de vreze des Heeren is het beginsel gegeven tot wetenschapsbeoefening.
Bijbel en wetenschap. Zij hoeven niet in conflict te komen. Zij mogen niet in conflict komen. Het is onze taak de wetenschap en haar resultaten op haar revolutionaire krachten te beproeven.
Waar het dus op aankomt is het geloof in God en Zijn Woord. Dat is De zekerheid, waarmee ik begonnen ben.
Geloof in de Heere Jezus en gij zult zalig worden.
Alle wetenschap moet tenslotte gefundeerd zijn in het geloof. Het kleine scheepje van onze menselijke kennis, ligt alleen rustig en vast tegen de stormen van de twijfel, wanneer het geankerd ligt in het geloof dat wij staan in een redelijke, zinvolle wereld, gedacht door Een die in oneindige wijsheid alles in verband met elkaar formeerde (Bavinck).
Geloof en gij zult leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1970
Daniel | 16 Pagina's