Op het zingen van de leeuwerik
Met wat snelle wakkre vlerken vliegt de kleine leeuwrik op, vrolijk zingend naar de zwerken en des hemels hoge top! 't Aardig beestje rept zijn vleuglen en zijn heldre stem te zaam: 't kan ze beide niet beteugelen, 't is hemzelf zo aangenaam.
't Is alsof het God daar boven hartlijk met zijn zoet gezank tracht te prijzen en te loven; 't is alsof 't Hem vrolijk dankt, omdat Hij nu alle dingen in deez' zoete lentetijd, doet met nieuwe vreugd ontspringen door de wereld breed en wijd.
Zoekt het zijne spijs op aarde, 't is met zoveel zorgen niet; 't zal ook nimmer zulks aanvaarden, eer het zingt zijn morgenlied. Zijnen God te mogen zingen, 's morgens vroeg en al de dag, gaat hem toch vóór alle dingen, zo men hier bemerken mag.
Trage ziel, die heel onlustig tot de lof des Heeren zijt, op: dit beestje maakt u lustig; 't roept: 't is tijd, tijd, tijd, tijd, tijd. Dringt van d' aard' en d' aardse dingen onverhinderd door de lucht, om uw Schepper lof te zingen. Geeft Hem uwer lippen vrucht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 mei 1970
Daniel | 16 Pagina's