De Hongerwinter
In de herfst van 1944 loopt het oorlogsfront dwars door ons land. Het gebied ten noorden van de grote rivieren betrekt echter zijn brandstof (hoofdzakelijk steenkolen) uit Zuid-Limburg. Door het front wordt de verbinding met Zuid-Limburg verbroken en dit terwijl de winter in aantocht is en brandstof zo nodig is voor de woningen, ziekenhuizen enzovoort.
Bovendien geeft de regering op 17 september vanuit London opdracht tot de spoorwegstaking. Dit is een slag voor de bezetter. Zij laat echter uit Duitsland 4000 man spoorwegpersoneel komen en brengt het treinvervoer met veel moeite op gang. De brandstof die intussen weer vervoerd wordt komt echter in eerste instantie bij de Duitsers terecht., Met moeite wordt een deel van de kolen bemachtigd voor de centrale keukens, de bakkerijen en aanvankelijk ook nog voor de ziekenhuizen.
Er is voor d.e gewone burgers niets. Dit betekent geen warmte voor de winter die in aantocht is. Er is geen elektriciteit meer. Geen lamp meer aan, stofzuigers en strijkbouten werken niet meer. In d.e steden rijdt geen tram meer.
Het voedsel voor de grote steden in het westen moet goeddeels komen uit het noorden en oosten van het land. Graan voor het brood en aardappelen. Er liggen in deze gebieden nog genoeg voorraden. Als strafmaatregel tegen de spoorwegstaking besluiten rijkscommissaris Seys - Inquart en Wehrmachts-generaal Christiansen alle vervoer van voedselvoorraden naar het westen te verbieden. Op 8 november worden de transporten weer toegestaan. Zes weken heeft West-Nederland echter moeten teren op de toch al kleine voorraden. Daar komt nog bij dat roof en razzia's door de Duitsers hand over hand toenemen. Alleen in Rotterdam worden er van de 70.000 mannen tussen de 17 en 40 jaar al 50„000 weggevoerd. In het westen blijven er echter nog 3.500.000 mannen, vrouwen en kinderen over. Willen ze per persoon drie kg. aardappelen per week, dan betekent dat een aanvoer van tienduizend ton!
In oktober worden de porties per persoon drastisch verlaagd. Maar zelfs dit hongerrantsoen vergt nog een aanvoer van drieen-half duizend ton aardappelen en meer dan twee-en-half duizend ton graan.
Slechts een kwart hiervan kan worden aangevoerd.
Duizenden mensen staan in lange rijen bij de centrale keukens te wachten.
Even erg als de honger is de koude. De meeste scholen sluiten of geven slechts enkele dagen per week les. De mensen gaan zichzelf behelpen. In de grote steden worden vele duizenden meters houtbestrating afgebroken, onbewoonbare huizen worden gesloopt, 's Nachts worden de bomen gerooid en zelfs de houten dwarsliggers van de tram uit d.e straten gebroken. Er wordt gegraven of men goud aan het delven is. Wat men vindt is zelfs nog veel belangrijker dan goud: brandstof, dat betekent: een beetje warmte.
Januari. Er zijn in die maand veertien dagen met sneeuw. Er staat een ijskoude noordoostenwind. Men is op hongertocht gegaan en trekt met een fiets zonder banden of met een kinderwagen bij honderden naar het platteland. Naar de boeren om hier nog iets eetbaars te bemachtigen. Immers thuis wachten de kinderen, de bejaarden, de zieken. Allen zonder eten. Geld is niets meer waard, de meeste boeren vragen dan ook sieraden, serviezen en zilveren voorwerpen. Schrijnende dingen gebeuren er. Een moeder uit een van onze grote steden vertelt zelfs: „Mijn kindje werd ziek en ik vroeg bij een schatrijke boer om onderdak voor haar. „Nee" zei hij, „ik wil met oorlog en vluchtelingen niets te maken hebben". Hier en daar wordt gelukkig wel geholpen, maar de toestand wordt steeds erger. In weer en wind staan de mensen in de rijen voor eten.
Er is zelfs geen morren meer, geen onnodig woord, slechts een zwijgend gedrang om voedsel. Eén klacht: voedsel.) Mannen, vrouwen, kinderen vallen neer langs de weg, uitgeput. Kinderen liggen huilend in hun bedjes te bedelen om wat eten. In kleine wiegjes sterven pasgeborenen. Zo sterft ons volk van honger, ellende en uitputting. Het is nauwelijks onder woorden te brengen hoe verschrikkelijk de toestand was. Vijftienduizend mensen zijn in die ene winter van honger en koude omgekomen. Toen kwam eindelijk eind april de geallieerde luchtvloot op een onvergetelijke dag om voedsel te droppen, als manna uit de hemel. Z.K.H. Prins Bernhard vertelt hierover het volgende: „Mijn gehele staf
en ik hebben in de laatste weken van de capitulatie in eind april en begin mei 45 de grootste, allergrootste spanning geleefd om nog zoveel mogelijk Nederlanders te redden van de vrij zekere hongerdood. Ik vergat zelfs op 30 april de verjaardag van mijn vrouw, want we waren dermate vol van wat ons te doen stond: transporten, droppings en dergelijke regelingen meer". Nooit zullen wij die dit wel of niet meegemaakt hebben, dit mogen vergeten! Denken we hieraan nog in onze tijd van welvaart en overvloedig eten? Leven we zo dat we iedere dag weer blij en dankbaar zijn voor alles wat we ontvangen?
J. M
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 mei 1970
Daniel | 20 Pagina's