Een week in Merksem
Aankomst
Het is 12 uur. Met enkele jonge mensen zijn we zojuist aangekomen op het station in Antwerpen.
Het volkswagenbusje staat al te wachten en brengt ons vlug door de drukke straten naar ons einddoel: Merksem.
Ons werk voor de evangelisatie gaat beginnen. Alles is eerst nog vreemd. We hebben nog geen idee, wat er eigenlijk van ons wordt verwacht.
Eerst worden er druk handen geschud en doen we moedige pogingen om al de namen te onthouden. We merken direkt op, dat de sfeer hier goed is. Er wordt opgewekt gepraat aan tafel en de nieuwkomers worden al wat wegwijs gemaakt.
Na het eten leest een van de jongens een gedeelte uit de Bijbel en eindigt met ons. Hierna geeft hij een psalm op waarvan we enkele verzen zingen. Dit gebeurt na elke maaltijd. Fijn, dat in deze onrustige, gejaagde wereld nog tijd is om psalmen te zingen. Het is jammer dat in onze gezinnen dit zo weinig meer gebeurt. Zelfs op zondag is dit voor veel gezinnen een uitzondering.
Strooien
Wie in Merksem is geweest, weet wat „strooien" is. Je moet nu beslist niet aan zwarte piet denken of iets dergelijks. Strooien is meer verwant aan het werk van de postbode.
Twintigduizend folders liggen klaar om te worden verspreid. Hiermee worden de mensen uitgenodigd om onze evangelisatiesamenkomst te bezoeken. Op zo'n samenkomst houdt één van onze predikanten een korte preek en wij zingen daar enkele liederen.
Merksem is in wijken verdeeld. In groepjes van vier trekken we erop uit. Elke groep krijgt een plattegrond van z'n wijk en een dik pak folders om huis aan huis te verspreiden. Dit noemen we „strooien". Als je eenmaal bezig bent, zie je alleen maar brievenbussen, of je ziet er geen, en clan schuiven we de folder onder de deur door,
Ik heb me afgevraagd, waarom zoveel brievenbussen zo onmogelijk laag zitten. Een huisarchitekt zou er goed aan doen, bij het tekenen rekening te houden met het doel van een brievenbus.
De straatprediking
Voor de middag staat de op het programma. straatprediking
Voordat we weggaan, vragen we een zegen over ons werk. Dan gaan we de straat op. Dit werk is ook voor ons nog helemaal vreemd. Op de hoek van de straat staan we stil en kijken wat onwennig rond. We zingen eerst enkele liederen. Hier en daar wordt een gordijn weggeschoven. Verderop proberen enkele mensen achter de gordijnen onopgemerkt te luisteren. Dan wordt in enkele korte woorden de boodschap van het evangelie verteld. Een enkele voorbijganger blijft staan. Wij beseffen nu iets van de ernst van ons werk. In deze huizen wonen mensen die bijna allen R.K. zijn, Van jongsaf aan hebben wij gehoord, dat de zaligheid te verdienen is. Nu wordt hen verteld, dat ze die om niet kunnen krijgen. Is dit voor ons al niet vaak een moeilijk te verwerken boodschap
De zon is weggegaan en dreigende donkere wolken bedekken de blauwe hemel. In de verte rommelt de donker. De eerste druppels vallen. De prediking gaat nog voort. Enkele deuren gaan open. Moedige mensen wagen zich in de deuropening om te luisteren. We zingen nog enkele liederen en dan worden alle luisteraars uitgenodigd om zondag in de kerk te komen, om meer van het evangelie te horen.
Colportage
Een volgende dag staat colporteren op het programma. Het is opmerkelijk stil aan tafel. Ieder weet welk werk wacht. Colporteren is wel het moeilijkste werk wat we hier doen, maar-het is ook het mooiste werk.
In groepjes van twee gaan we op pad. We hebben enkele Bijbels bij ons en een stapel boekjes met het evangelie van Johannes. De Bijbels moeten we proberen te verkopen, maar het evangelie van Johannes mogen. we weggeven.
Gewapend met dit materi; > al gaan we op pad. Het begin is erg ontmoedigend.
„Geen interesse", hoor je de ene keer. „Ieder wordt zalig in z'n eigen geloof", krijg je dan weer als antwoord.
Soms krijg je geen antwoord en wordt de deur weer dichtgesmeten. Iedere keer als we op de bel drukken, denk je: „Zou de deur opengaan? Wat moet ik zeggen? Be-
gin ik verkeerd en gaat daarom de deur zo gauw dicht? "
Maar het moeilijkst is het wel daar waar interesse is, waar de mensen wel willen luisteren. Dan moet je vertellen waarom en waarvoor je komt. Dan moet je spreken over de rijkdom van de Bijbel.
Over de noodzaak om God te leren kennen in dit leven en d.e toekomende toorn te ontvlieden. Veel mensen, zijn teleurgesteld in de R.K. kerk. „Het gaat er alleen om het geld", zeggen ze. Wat is het clan heerlijk om zulke mensen te zeggen dat de Heere de genade om niet wil geven.
„En. gij die geen geld hebt, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk". „En die dorst heeft, kome en die wil, neme het water des levens om niet".
Aan een ander adres wordt een Bijbel verkocht; we behoeven niet eens veel te zeggen. Dit is wel een hoogtepunt van het colporteren. Gods Woord brengen onder deze mensen is het eigenlijke doel van ons werk. We hebben goed gevoeld, dat we zelf geen deur kunnen openen en ook geen harten, zelfs niet de deur van ons eigen hart. Eén voor één komen de groepen weer terug op de Oude Barreellei. Ieder brengt verslag uit. Sommigen komen moedeloos terug. Anderen hebben goede kontakten gehad. Enkele bijbels zijn verkocht. Als we dat horen, krijgen we weer moed om verder te gaan. Dit werk geeft vaak aanleiding tot mooie gesprekken met elkaar. We hebben dezelfde problemen, we hebben dezelfde moeilijkheden, gehad onderweg. Dit werk met het Woord dwingt je jezelf af te vragen: „Wat betekent de Bijbel voor mij" Ook in de dagsluiting wordt deze vraag ons gesteld. Met enkele sobere woorden worden we erop gewezen, dat we zelf ook nodig hebben, wat we anderen aanprijzen.
We moeten in ons enthousiasme onze eigen ziel niet vergeten, opdat voor ons niet gelden zal wat geschreven staat in Matth. 7 : 23: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw naam. geprofeteerd", en dat Hij tegen ons zou zeggen: Ik heb u. nooit gekend."
Kinderevangelisatie
Het is warm. Veel kinderen vermaken zich in de speeltuin naast het park. Het bekende volkswagenbusje rijdt het park in. Het busje stopt en in een oogwenk is het omringd door een. groep kinderen.
Het flanelbord wordt neergezet onder een grote boom. De kinderen gaan zitten in het grasveld. De juf begint. Op het flanelbord verschijnt de profeet Jona, die wegvlucht voor God. Op kinderlijke wijze vertelt de juf, die zelf kleuterleidster is, het verhaal. Geboeid kijken de kinderen naar het schip in de storm. Een boze moeder haalt haar kind weg uit de groep. Enkele nieuwsgierige kinderen komen, aarzelend dichterbij. Op het flaneibord in de verte zien ze de stad Ninevé. Vanaf een hoge berg kijkt Jona toe. Met sobere woorden wordt verteld, dat ook deze kinderen de eis van bekering geldt, net als de mensen van Ninevé. Het verhaal is uit. Enkele bekende liedjes worden gezongen. De kinderen die vandaag voor het eerst luisteren, doen hun best het versje te leren. De kinderen die het kennen, krijgen een plaatje.
Ook de kinderen die goed geluisterd hebben krijgen er één. Enkele op een afstand meeluisterende moeders krijgen een boekje met het evangelie van Johannes, waarin ook zulke mooie verhalen staan.
De kinderevangelisatie is heel onopzettelijk. ontstaan. We waren met een groep in het park. Veel kinderen uit de speeltuin kwamen, luisteren. Een kleuterleidster zei: „Morgen kom ik terug en vertel jullie een verhaal".
Sinds die dag is de kinderevangelisatie een vast onderdeel van ons programma.
Het afscheid
Het is vrijdagavond. Voor een gedeelte van onze groep is het de laatste avond. De week is omgevlogen. Met enige spijt denken we eraan, dat we weer weg moeten. Morgen zullen anderen onze plaats innemen.
Het afscheid zal niet onopgemerkt voorbijgaan. Een diaken van de gemeente spreekt een kort woord. „Jullie zijn wegwijzers geweest deze week", zegt hij in de mooie vlaamse taal. „Jullie hebben anderen de weg gewezen. Er zijn wegwijzers die de weg nauwkeurig aanwijzen, maar die zelf altijd aan de kant van de weg blijven staan. Andere wegwijzers gaan zelf mee. Gidsen noemen we zulke mensen. Wat zijn jullie geweest, levende gidsen of clode wegwijzers? "
Dat was de vraag die we meekregen. Voor ons is het werk weer voorbij.
Drie of vier weken wordt op deze wijze gewerkt in Merksem. Wat de vrucht van ons werk is, weten we niet; maar dit weten we wel, dat de Heere zelf gezegd heeft: „Mijn Woord zal niet ledig tot Mij wederkeren. Het zal doen hetgeen Mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zende."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1970
Daniel | 16 Pagina's