„Mijn Gebed" tot de „Zoon des Mensen"
Als ik me niet vergis, is de rage weer enigszins voorbij. De rage voor het al heel spoedig tot tophit geworden grammofoonplaatje „Mijn Gebed' van D. C. Lewis. De tekst, uitgeknipt uit de krant, zit echter nóg in heel wat schoolagenda's, vooral van meisjes. Ook in die van Ger. Gemeente-meisjes.
't Is ook zo'n geweldige melodie, zo heerlijk romantisch en sentimenteel. En dat orgel! En Feike Asma, die zo spelen kan, dat je er warm van wordt! En die trompet, die je de tranen in de ogen doet krijgen! Nou ja, die woorden daar komt het toch eigenlijk niet zo op aan! Och, er staan een paar ruwe woorden in, zoals „rotdag" en „gepest", maar verder valt er toch weinig op aan te merken?
Inderdaad maakt het een heel vreemde indruk als dergelijke woorden in een gebed gebruikt worden. Ik geloof niet dat zulke taal je in een echt gemeend gebed tot God over de lippen komt. Maar het is toch niet m'n hoofdbezwaar. Wat dan wel?
Een onkerkelijk iemand stapt een willekeurige kerk binnen. Er wordt op het orgel gespeeld, de organist maakt gebruik van een. bepaald register — de trompet —, er is behalve de bezoeker niemand aanwezig. De man heeft een nare dag gehad: een rotdag, zoals hij zelf zegt, waarop hij door zijn collega's is gepest. Hij vertelt in zijn gebed aan God — in de korte tekst twaalf maal „Heer" genoemd — dat hij hier bijna elke week komt, maar begrijp me goecl, alleen maar voor de muziek! De bezoeker bekent dat hij „nergens aan doet", hij is niet Hervormd of Katholiek. Hij komt nooit voor de zondagsdienst of voor de preek in de kerk. Nogmaals: alleen het orgel met die fascinerende trompet trekt hem naar de kerk toe. Hier vindt hij eventjes rust in de jacht van het leven. Haast ongemerkt komt hij clan tot een geheel. Zo ongeveer is de situatie.
Valt het nu met dit „gebed" nog wel mee? Is er echt zo weinig op aan te merken? De kern is ongetwijfeld, dat de bezoeker alleen maar in de kerk komt voor de muziek, maar niet voor de preek. Denk hier eens over na. Ik weet wel, vele preken van moderne predikanten zijn zozeer verworden. tot oppervlakkige, religieus getinte praatjes, dat ze het aanhoren nauwelijks waard zijn. Maar we moeten bij de preek toch niet aan een ménsenwoord denken, maar aan het V/oord van God, gesproken door een mens. De preek komt, als het goed is, met gezag van boven op ons af. God wil door middel van dit woord Zijn wil bekend maken. De prediking mag het Woord ontsluiten. En daar trekt deze bezoeker zijn neus voor op! Zo is het toch, nietwaar? Stel je voor, Heer, ik kom niet voor dat saaie preekje, alleen voor de muziek. Met andere woorden: ik heb helemaal geen behoefte aan Uw Woord, o God. Ik heb helemaal geen behoefte aan redding uit mijn verlorenheid; ik heb Jezus helemaal niet nodig; ik dop m'n eigen boontjes wel; Gods Woord hoeft voor mij geen lamp voor de voet en licht op het pad te zijn; Jezus vergoot Zijn bloed wel voor zondaren, maar voor mij hoeft het niet. Dat zegt deze man, zo ernstig, zo edel en zacht gestemd door de bekoorlijke klanken van het koninklijk instrument, toch eigenlijk? Zeg nu niet: dit is overdreven; want déze conclusie moet je toch wel uit zijn woorden trekken?
Daarom: wég met dit plaatje, wég met cle tekst ervan uit de schoolagenda's!
Er staat boven dit stukje: „Mijn tot de „Zoon des Mensen". Gebed"
Middelbare scholieren uit Delft moesten toch echt wel staken toen cle vertoning van de film „De Zoon des Mensen", op instructie van het schoolbestuur, niet verder kon doorgaan. Er is veel ophef gemaakt over deze film van Dennis Potter. Er is gelukkig ook ernstig tegen gewaarschuwd en geprotesteerd. Ik hoef er daarom niet nader op in te gaan. Alleen dit: Jezus wordt in deze film alleen maar gezien als méns (Zoon des Mensen), die dan ook nog twijfelt aan zijn. roeping tot Messias („Ben ik het, ben ik het? "); die door Petrus aanvankelijk wordt beoordeeld als een waanzinnige; wiens leven, eindigt in de bittere dood van het kruis, zó suggererend dat Jezus' clood voor niets is geweest. De film is godslasterlijk genoemd; en deze uitdrukking is beslist niet te zwaar geladen.
Wat heeft nu „Mijn Gebed" met de „Zoon des Mensen" te maken? Heel wat, want als Gods Zoon zó naar beneden wordt gehaald, dan kan er toch niet anders dan zó'n „gebed" ontstaan? Beide zijn verschijnselen van hetzelfde: het totale gebrek aan
eerbied voor God, Zijn Woord en Zijn Kerk!
Jongelui, het valt in 1970 niet mee om staande te blijven, om een christen te zijn.
Je wordt van alle kanten aangevallen. Er blijft maar één middel over: het gebed, zonder sentimentele franje, in waarachtige ootmoed, hongerend en dorstend naar het Woord van God, waar we niet buiten kunnen (ook al blijft D. C. Lewis er voor thuis), en gemeenschap met Jezus Christus (ook al wil Dennis Potter je een Jezus aanbevelen die alleen maar een ontgoocheld idealist was).
Klem je maar vast aan het Woord: dat is een beter houvast dan deze plaat en deze film!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1970
Daniel | 16 Pagina's