DE ZEE
De zee blijft ruisen al is 't strand verlaten. Zij ebt en vloedt naar ingeschapen wet. Zij vult de oceaan en nauwe straten, en wist zich telkens schoon van elke smet.
Zij weeklaagt somber in verwarde maten en keert waar z' eens haar sporen heeft gezet. Zij woelt wanhopig en zij bruist verwaten, maar prevelt later als een stil gebed.
Schreit zij de weedom uit van al de landen, uitsnikkend als zij breekt aan stille stranden, waar iemand naar haar eenzaam klagen hoort?
Getuigt zij van haar Schepper, door Wiens handen zij in de morgenstond de aard omspande, tot aan het uur, als nieuw de Morgen gloort?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 februari 1970
Daniel | 16 Pagina's