Christus onttroont de machtigen (2)
Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken (Lukas 1 : 52a)
Maria zingt in dit vers haar geloofslied: de voornamen, de machtigen worden van de tronen afgetrokken. Rome geeft Maria een plaats als „koningin des hemels", als „middelares". Wat een brutale vermetelheid! Maria heeft cloor genade leren kennen, dat zij van haar troon — en die eigen troon heeft ieder mens, u ook lezer(es) — moest afstappen.
Zeker, na haar lofzang, die ze zelf ook méér bewonderd dan begrepen heeft, is ze toch weer op een „troon" geklommen. Zij was tenslotte „de moeder" van Jezus. Maar de Heere Jezus heeft voor Maria, voor U en mij middelen om ons van die „troon" te verlossen. Dat is voor Maria een heel smartelijke zielservaring geworden, zoals het dat voor iedereen is. „Die stout zijn op hun macht, heeft Hij versmaad, veracht, gestoten van de tronen".
Wanneer Jezus twaalf jaar is en Hij na drie dagen door Maria in de tempel wordt gevonden, is zij heel verontwaardigd. Ze zegt: Kind, waarom hebt Gij ons zó gedaan? Uw vader en ik, hebben U met angst gezocht! Dan zit Maria weer op een „troon", waarin zo duidelijk 't vlees spreekt.
Na jaren is Maria die troon nog lang niet kwijt. Maar ze heeft immers van die troon gezongen? Inderdaad, maar al bezit men door genade „genade", daarom is een mens niet van zijn vleselijke troon geheel verlost. Wij „tronen" veel liever, dan dat we op onze knieën liggen: Heere wat wilt Gij dat ik doen zal?
Laten we nooit vergeten, dat de mens in het paradijs koning was en Eva kóningin. Adam regeerde met zijn hand over alles wat God geschapen had. Toen is dat koningschap tot in de wortel bedorven. En zo lang de mens niet uit Adam is afgesneden, stoelt hij of zij op de troon van een verbroken werkverbond. Van nature weten we niet dat die troon een doorn is in de ogen van Hem die hoog woont. Luister naar wat Ethan zegt: „God is op 't hoogst geducht in Zijnen Heil'gen raad. En vrees'lijk boven 't heir, dat om Zijn rijkstroon staat. Wie is als Gij, o Heer, o God der legerscharen. Wie is aan U gelijk? Wie kan U evenaren? "
Farao had het goed bekeken, toen hij tegen Jozef zei: Gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen, alleen op deze troon zal ik groter zijn dan gij! Zijn wij die „farao" al tegen gekomen in de stad „Mensenziel"? Leest U vooral het boek „De Heilige Oorlog' van Bunj'an.
Op de bruiloft te Kana is Maria haar troon niet kwijt. De bruiloft is in volle gangen de wijn is op. En Maria? Ze gaat regeren. Ze gaat naar Jezus toe en zegt: De wijn is op. Alsof Jezus dat niet wist.
Ziet u, die troon, die scepter, geven wij zo maar niet prijs. Het is ons bestaan. Jonge lezer(es), wij regeren liever dan dat we geregeerd wórden. Vandaar: de crisis in het gezag op vele terreinen. Jezus antwoordt Maria: Vrouw, wat heb Ik met u te doen? Mijn ure is nog niet gekomen. Zeker zij bedoelde het goed, maar Jezus werd voor Maria's troon geroepen. En Hij ziet het hart aan. Onze aard is om wanneer de Heere de ene troon afbreekt direkt een andere troon op te kruipen. Hebben we daarover nu smart en droefheid?
Het zit een mens in het bloed. Op een goede dag gaat Maria Jezus opzoeken. Veel mensen omringen Hem. Zij kan niet bij Hem komen en geeft de boodschap door dat zij Jezus spreken wil. Maria denkt dat dat voldoende zal zijn om de schare te bevelen ruimte te maken. Maar Jezus zegt: Wie is Mijn moeder en wie is Mijn broeder? En Zijn hand uitstrekkende over Zijn discipelen zegt Hij: Ziet, Mijn moeder, en Mijn broeders.
Petrus zit eenmaal zo hoog op de troon, dat hij Jezus gaat verbieden (Matth. 16 : 22). En Petrus Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen, zeggende: eere wees U genadig, dit zal U geenszins geschieden. Wat een troon. Reken er maar op, dat Simon hoog erop gezet werd door Satan. Met een ladder van honderd sporten.
meditatie
Maar Jezus weet alles. Van de troon van Simon blijft niets over: Satan, ga achter Mij!
In cle zaal waar Jezus het Pascha houdt, zit Hij niet op een troon, hoewel Hij er ten volle recht op heeft. Dan is Christus Knecht. Hij verricht het werk van slaven. Wie? Jezus! Hij is bezig om de voeten van Zijn discipelen te wassen. Twaalf discipelen zitten op tronen. De één al hoger dan cle ander. Wat gelukkig dat de Heere hen eraf krijgt!
Zo ook bij Maria. Aan de voet van het kruis is zij van haar troon afgebracht. Het zwaard dat Simeon drie en dertig jaar geleden had zien glinsteren, ging door haar ziel. Daar verliest Maria Jezus als Kind, d.w.z. naar het vlees. Daar krijgt ze Hem terug als haar Redder en Zaligmaker. Daar wordt het voor Maria: „Dat elk, als kind, aan. U gelijk', en in zijn doen uw beelt'nis blijk."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 januari 1970
Daniel | 15 Pagina's