De worsteling
Hij huiverde; toen hij gebeden had En weder door de droge beek wou gaan, Zag hij een Engel vliegen langs de maan. En vleuglings hield een schaduw hem omvat, Er, boog hem achterover en hij viel. Iets zachts, dat langs zijn oogen borstelde, Verblindde hem; hij sloeg en worstelde, En sloeg, en blies in een gezicht, en viel Met. de Engel brandend om zich heen gewonden. En in dien witten nacht heeft hij zijn zonden Zoo zeer beleden en zoo zeer geboet, Dax hij niet voelde hoe zijn heup verwrikte, Maar om cle zegen van den Engel snikte . . . Toen hinkte hij den morgen tegemoet.
Willem de Mércde (1887-1939)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 januari 1970
Daniel | 16 Pagina's