jeugdfontein
Zo jongelui, hier zijn we weer. Omdat ons nummer rond de Kerstdagen in jullie brievenbus valt, wijken we deze keer van ons programma af. Mej. M. Blonk te Woerden was zo vriendelijk voor deze rubriek een kerstverhaal te schrijven.We krijgen voor één keer extra ruimte daarvoor! Het verhaal gaat over twee jongens, die Nee, ik verklap het niet. Ga het maar gauw lezen. Je kunt het ook best voorlezen aan de jongere broertjes en. zusjes. Hartelijk dank, mej. Blonk, voor uw verhaal!
Dan heb ik nog iets. In het volgende nummer komt de uitslag van de grote puzzle, die we een paar weken terug hebben geplaatst. Wie komt er als winnar uit de bus? Je leest het de volgende keer!
Het kerstfeest van Joost en Gertje
„Die nare juf!"
„Hoe kan ze dat nou toch doen. Hoe kan ze nu dierare Gert daarvoor nemen. Ik begrijp er niets van!"
Boos stampt Joost met zijn been op de grond.
„Ik vind het verschrikkelijk. Die nare, nare Juf. Waarom heeft ze dat nu toch gedaan!"
Wat was er toch gebeurd, dat Joost van de bakker zo verschrikkelijk boos was op de juffrouw? De juffrouw was heus wel een prettige, aardige juf. Joost van de bakker woonde in Keidorp. Het was een héél klein dorp. Er waren maar een paar straatjes. Het middelste straatje, de Hoofdstraat, was gemaakt van hele grote, bolle keien. En daarom heette het dorp Keidorp.
Het was zo klein, dat er maar één kerk was en één school. Alle mensen die er woonden, gingen naar die éne kerk en alle kinderen gingen naar die éne school. De school was niet groot, want er was maar één juf en één meester. De juffrouw heette juffrouw Riemdijk en bij haar in de klas zat Joost van cle bakker, die nu zo vreselijk boos was.
Joost was de grootste en de knapste van de klas. En hij bedacht altijd hele leuke spelletjes. Iedereen in de klas luisterde naar Joost. Hij had ook nog twee vriendjes in de klas. De éne heette Piet en de andere Hans. Deze drie — Joost, Hans en Piet — zag je altijd bij elkaar.
In de klas bij juffrouw Riemdijk zat ook Gertje. Op de voorste bank bij het raam zat hij. Hij was de kleinste van de klas en een ronde, bolle dikkerd. Van Gertje wisten de kinderen heel weinig, want hij kwam altijd vreselijk laat op school en na schooltijd rende hij hard weg. Hij zwaaide met zijn arm, riep „daaag' en weg was hij.
Gertje woonde een eindje buiten het dorp aan een klein laantje. Daar stond maar één huis en dat was het huis van Gertje.
Maar wat was er nu toch gebeurd, dat Joost zo verschrikkelijk boos was? De juffrouw had de bijbelse geschiedenis verteld. Ze had verteld over Maria, bij wie een engel kwam om te vertellen dat er een Kindje geboren zou worden. Door dat Kind zouden boze, ongelukkige mensen weer gelukkig kunnen worden.
Toen de juffrouw uitverteld was, zei ze: „Nu moet ik jullie ook nog wat vragen. Over een paar dagen is er kerstfeest voor cle kinderen in de kerk. Dan mogen er drie jongens uit de klas Lukas 2 opzeggen. Ieder een stukje. En wie zou dat nu eens graag willen doen? Die mag zijn vinger opsteken". '
De kinderen keken elkaar aan en ze kregen een kleur. Zo maar in de kerk staan en een heel stuk uit de Bijbel opzeggen? Nu, dat moest je maar durven hoor!
Maar al gauw kwam er één vinger omhoog. Dat was cle vinger van Joost. Natuurlijk, want Joost was de grootste en cle knapste. Joost durfde altijd zo veel en daarom, durfde hij nu ook wel.
En toen kwamen al heel gauw de vingers van Piet en Hans. En er kwam nog een vinger. Van wie? Ja, van wie? De vinger van Gertje kwam ook omhoog. En toen kwamen, er een heleboel vingers.
„Ja", zei de juffrouw, „nu zie ik er zo veel, nu weet ik niet meer wie ik nemen
moet Ik zal Joost maar nemen, want die kwam het eerst. En dan, ja, laat ik eens kijken, ook Piet maar en Gertje ook nog".
Joost keek verschrikkelijk donker. Hoe kon. de jui dat nu doen? Die kleine Gert zou misschien, niet eens durven. Waarom had de juffrouw Hans niet genomen. Dan waren zij met z'n drietjes geweest. Drie vrienden, dat was leuk!
In de klas durfde hij niets te zeggen, maar toen ze buitenkwamen Je hebt het al gehoord. Hij stampte van kwaadheid en zo ging Joost naar huis.
Gertje had het gelukkig niet gehoord en ook niet gezien. Hij rende extra hard naar huis. Zo blij was hij, dat de juf hem gekozen. had.
Hij moest altijd direct uit school thuis komen. Weet je waarom? Gertjes vader was al een hele lange tijd ziek, al maanden. Ze hadden een grote kippenhouderij. Niet zo'n moderne, waar de kippen in heel kleine hokjes zitten, maar een ouderwetse: alle kippen konden buiten lopen.
Als Gertje thuis kwam, moest hij met z'n mama direct kippen gaan voeren. Moe was heel blij, dat Gertje haar hielp. Al de eieren moesten, geraapt worden en in grote dozen gepakt. Dat is een heel werk! Daar waren ze een poos mee bezig. Een grote vrachtauto kwam af en toe de dozen ophalen.
Als Gertje klaar was, ging hij alles aan z'n vader vertellen. Die zei dikwijls: „Fijn, dat ik zo'n grote knecht heb, nu ik zo ziek ben."
En Gertje vond het werk eigenlijk wel leuk, want hij hield van kippen. En de kippen van hem. Ais Gertje eraan kwam met zo'n grote bak kippevoer, rammelde hij er wat mee. Dan kwamen alle kippen naar hem toe. En ze liepen kakelend om Gertje heen. Wat vond hij dat prachtig.
Als Gertje s 'avonds in bed lag, bad hij elke avond of de Heere zijn vader beter wilde maken. En hij bad om nog iets. Dat was een stil geheimpje. Dat wist niemand dan de Heere alleen en Gertje. Boven zijn bed hing een mooie, grote plaat. Daarop stond de Heere Jezus met de kinderen, die Hij de handen oplegde en zegende. Onder de plaat stond: Laat de kinderkens tot Mij komen.
En weet je, wat Gertje elke avond weer vroeg als hij naar die plaat keek? „Heere, wil U mij ook zegenen, net als die kinderen. En wilt U mij een nieuw hart geven". Dat wilcle Gertje zo graag. Hij wist wel, dat hij een verkeerd, lelijk en boos hartje had. Als je aan. Gertje gevraagd had: „Wat wil je liever hebben, een hele mooie spoortrein of een nieuw hartje? " dan zou hij gezegd hebben: een nieuw hart! Daarom vroeg hij ook elke avond of de Heere Jezus hem zegenen wilde. Daarom had Gertje ook zo graag de tekst opgezegd in de kerk.
De juffrouw had het wel gezien hoe Gertje geluisterd had toen ze over het Kindje vertelde, dat komen zou om boze en verkeerde mensen weer gelukkig te maken. En ze had ook wel gezien aan zijn gezicht hoe graag hij de tekst wilde opzeggen en daarom had ze hem gekozen.
Joost wist dat natuurlijk niet. Joost was alleen maar boos, omdat de juf Hans niet had gekozen.
's Middags moesten Joost, Piet en Gertje even nablijven. De juf had voor elk een briefje klaargemaakt. Daarop stond wat ze moesten leren. Joost kreeg het eerste briefje. Hij moest vers één tot acht opzeggen. Een heel stuk hoor! Er stond in dat Jozef en. Maria naar Bethlehem gingen en dat het Kindje geboren werd.
Het tweede briefje was voor Piet. Hij moest lezen over de engel die bij de herders kwam en. over de engelen die zo mooi zongen. Dat was ook een heel groot stuk.Gert kreeg het laatste stuk: van vers veertien tot twintig. Daarin stond dat de herders naar Bethlehem. gingen.
De juffrouw vroeg aan Gertje: „Vind je het niet jammer, dat jij het laatste stukje gekregen hebt? " Maar Gertje zei: „Nee juf, nee hoor, dat vind ik juist het mooiste stukje".
Nou dat vonden de andere jongens maar raar. Het eerste stuk was toch veel mooier. Dat ging over de geboorte van de Heere Jezus. En dat de engelen zongen was ook veel mooier. Die Gertje was toch een vreemde jongen.
De juf zei: „Gertje, waarom vind jij jouw stukje het mooist. Hij kreeg een kleur." Ja... ik... ja", stotterde hij. Maar opeens kwam het: „Juf, omdat daarin staat dat ze het Kindje vonden en dat ze het aan alle mensen gingen vertellen".
Toen vond Gertje het op eens zo raar, dat hij dat zo maar gezegd had. Hij pakte zijn briefje op en rende de klas uit. Toen de anderen, buiten kwamen, zei Joost: „Zie je wel, dat Gert een rare jongen is. Ik snap er niets van dat de juf hem gekozen heeft."
Bij hun huis kwam de vader van Joost hem al tegemoet. „Fijn, dat je er bent, Joost. Ik. heb nog een werkje voor je. Je mag een doos met gebakjes bij de burgemeester brengen." Nu, dat vond Joost leuk. De
vrouw van de burgemeester was een heel aardige mevrouw. Als je daar gebakjes bracht, pakje ze een schoteltje uit de kast en dan mocht je er zélf eentje uitzoeken. Fijn was dat! Zijn vader bakte wel veel gebakjes, maar die waren voor de klanten en niet voor hem!
Joost haalde zijn fiets uit de schuur, de doos met gebak uit de bakkerij. Zijn moeder kwam naar buiten: „Zul je goed oppassen Joost en voorzichtig doen? Het heeft een beetje gesneeuwd. Die bolle, ronde keien van cle Dorpsstraat zijn zo vlug glad". „Ja Mam, ik kijk wel uit hoor", zei Joost. Maar erg voorzichtig was hij niet. Hij trapte er fiks op los. De burgemeester woonde een eindje buiten het dorp in een heel mooi huis met een gróte tuin er voor. En voor die tuin, langs de weg, lag een brede sloot met een bruggetje erover.
Toen Joost vlak bij de burgemeester was, kwam er een grote vrachtauto aan met eieren. De chauffeur had ze gehaald bij Gertje thuis. Joost zag de auto net te laat. Hij reed zo harcl en zo voor over! Nu moest hij ineens remmen en uitwijken op die glibberige keien. Hij begon te slingeren Daar viel hij. Een zwaai en hij plompte in de sloot. Verschrikkelijk! Zijn fiest en de doos met gebakjes bleven op de kant liggen.
Ijskoud was het water en Joost lag er midden in. En er was niemand in de buurt. De chauffeur van de vrachtauto had hem niet gezien. Zou Joost nu verdrinken in dat koude water? Hij spartelde en spartelde! O, gelukkig, daar voelde hij nét nog een paal van het bruggetje. Hij trok en trok, want, o, zijn schoenen zaten vast in de modder van de sloot. O, gelukkig, hij kon het randje van de brug grijpen en zich omhoog werken.
Daar stond Joost weer op de kant. Wat was hij koud. Hij bibberde. Hij rende naar huis. Dat was nog een heel eindje. Ijskoud werd hij.
Zijn moeder schrok heel erg. „Jongen, toch, je had wel kunnen verdrinken. Trek gauw droge kleren aan. Ik maak een paar warme kruiken. En clan ga je lekker in bed". Ze liep naar de kast om droge kleren te pakken. Ze liep naar de keuken om water op te zetten voor de kruiken. En even later werd Joost in bed gestopt.
Ring , daar ging de telefoon. Dat was mevrouw van de burgemeester. Ze vroeg, waarom ze geen gebakjes gekregen had. Dat was waar ook. Daar hadden ze nog niet aan gedacht. Ze waren zo geschrokken van Joost.
Pa draafde vlug naar boven en vroeg: „Joost, waar zijn de gebakjes gebleven? " „O, " zei Joost, " die staan nog op de kant". „En waar is je fiets? "
„Die ligt ook nog op cle kant".
Vader pakte vlug zijn fiets en reed er heen. Daar lag de fiest van Joost onder in de wegkant. En cle gebakjes? Een grote hond had net de laatste opgegeten
Vader pakte de fiets en ging vlug terug naar huis om. nieuwe gebakjes te halen, 't Was wel erg van de gebakjes, maar als Joost eens verdronken was? Wat zou dat erg geweest zijn Als hij nu maar niet ziek wordt, dacht vader. Joost was zo vreselijk koud geworden.
En dat gebeurde ook werkelijk. Joost sliep die nacht bijna niet en hoestte erg. 's Morgens had hij hoge koorts en de dokter moest komen. Die zei: „Ja, dat is bijna longontsteking. Hij zal een weekje in bed moeten blijven. Ik zal hem een drankje geven. Stop hem. er maar lekker onder". O, wat vond Joost dat erg. Nu kon hij zijn tekst niet opzeggen in cle kerk en hij kon niet naar school.
Zijn vader vertelde het de volgende dag aan de juffrouw. Die vond het erg jammer. De kinderen ook, want zij hielden allemaal van Joost. Maar er was niets aan te doen. Dan moest de juf mar een ander kiezen.
„Nu moet Hans het maar doen" zei ze, want die heeft ook al vlug zijn vinger opgestoken". Toen werd het niet Joost, maar Hans en. Piet en. Gertje. Niet Joost, die zo vreselijk, boos geweest was. En Joost had ook iets heel lelijks gedacht: „Ik wou dat Gertje maar een beetje ziek werd en de tekst niet op kon zeggen en dat Hans het dan mocht doen". Dat was erg lelijk. Niemand wist het, maar de Heere wél! Nu was Joost zélf ziek.
De laatste middag voor het kerstfeest, moesten Hans, Piet en Gert komen om te repeteren. De juffrouw zei: „Ik moet natuurlijk horen of jullie het goed kennen." Het ging heel goed. De juf was erg tevreden: „Als jullie het morgen in cle kerk zo doen, dan vind ik het fijn. Gertje had ook heel hard geleerd, want het was moeilijk om zo'n lang stuk u.it je hoofd op te zeggen. En hij moest natuurlijk eerst altijd zijn werk bij de kippen cloen. Daarna kon hij pas gaan leren.
De volgende dag werd in de kerk eerst het kerstverhaal verteld. Toen kregen ze allemaal chocolademelk met lange beschuitjes. En daarna moesten de drie jongens naar voren komen om Lukas 2 op te zeggen.
Eerst was Hans aan de beurt, want die was in de plaats van Joost gekomen. Toen kwam Piet en daarna Gertje. De juffrouw had gezegd: „Jullie moeten goed hard praten. Anders kunnen de mensen het niet verstaan en dat is ook niet aardig."
Ze waren alle drie wel een beetje verlegen. En ze hadden een rode kleur! Maar het ging toch heel goed. Toen Gertje aan de beurt was en vers zestien moest opzeggen: „Ze kwamen met haast en vonden het Kindeke", toen straalden de ogen van Gertje. Wat waren die herders gelukkig, dat zij het Kindje gevonden hadden. Gertje verlangde er naar, dat hij oók het Kindje vinden mocht. Weet je wat ik denk? Dat Gertje, die elke dag om een nieuw hart gebeden had, eigenlijk al een nieuw hartje had. Want als je zo verlangt om het Kindje te vinden en als je zo graag een hartje wil hebben dat de Heere vreest, dan geloof ik dat je al een nieuw hartje gekregen hebt.
En Joost? lag thuis op z'n bed. Zijn moeder was een poosje bij hem komen zitten en had hem voorgelezen uit de kinderbijbel. Over de wijzen uit het Oosten. Die wijzen kwamen van heel ver om het Kindje te vinden. Ze kwamen in Jeruzalem. De priesters wezen hen wel de weg, maar zelf gingen ze niet kijken. De priesters waren mensen die het heel goed wisten, maar naar de Heere Jezus gingen ze niet. De wijzen gingen wel.
Joost moest aldoor denken aan alles wat er gebeurd was. Wat had hij lelijk gedaan over Gertje. Hij dacht: „Ik ben net als de priesters in Jeruzalem. Ik wilde graag voor in de kerk staan. Ik wilde voor alle mensen die tekst opzeggen. Maar Gertje deed het zo graag, omdat het over het Kind ging dat geboren was. Dat was heel anders dan bij mij".
O, wat had Joost een spijt, vooral van die lelijke gedachte. Wat vond hij dat erg. Stilletjes onder de dekens bad Joost om vergeving. Wat zou hij ook graag alles aan Gertje vertellen! Hij zou vragen of Gert niet boos op hem wilde zijn. Maar Gertje was er niet. Die was in de kerk. Daar vertelde de juffrouw nu een mooi verhaal. Daarna kregen alle kinderen nog een boekje en een krentebol en een reep chocolade. En Hans en Piet en Gertje kregen ieder een mooie plaat, omdat zij zo hun best hadden gedaan.
Toen Gertje met die plaat naar huis liep, dacht hij: „Ik moest die plaat maar bij Joost brengen, want die is nu ziek. Joost wilde ook graag bij het Kerstfeest zijn en de tekst opzeggen en dat kon nu helemaal niet".
Hij liep naar het huis van de bakker en trok aan de bel. Daar kwam de moeder van Joost al. Gertje vroeg: „Mag ik deze plaat bij Joost brengen? " Dat was best. Joost hoorde gestommel op de trap en wie kwam daar aan? Gertje! Dat had Joost nu juist zo graag gewild. Gertje kwam zijn mooie plaat bij hem brengen.
Nu vond Joost alles nóg erger. De tranen kwamen bijna voor de dag. Hij pakte de hand van Gertje en zei: „Jij bent nu mijn allerbeste vriend en ik heb erg lelijk gedaan". Joost vertelde alles. Gertje werd gelukkig niet boos, maar zei: „Ik doe zelf ook heel veel lelijke dingen." Zo werd het voor Joost en Gertje een héél goed Kerstfeest. Want kinderen die bedroefd zijn over v/at ze gedaan hebben en die giraag een nieuw hartje willen hebben, daarvoor is nu juist het kerstfeest. Het feest van de Zaligmaker.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 26 december 1969
Daniel | 16 Pagina's