Vraaggesprek over het jeugdwerk
Blik achter de schermen
„'k Zou zeggen, zodra jeugdwerk een modeverschijnsel wordt, moeten we ermee ophouden. Dit werk behoort blijvend voort te komen uit de innerlijke overtuiging, dat we hebben te doen wat onze hand vindt om te doen".
Dat is een uitspraak uit het onderstaande vraaggesprek, dat ik in de maand oktober heb gevoerd met onze jeugdwerkleider, dhr.; Golverdingen uit Amersfoort. Vaak wordt er gevraagd: „Wat doet hij allemaal? Waar gaat hij naar toe? " enz. Door het stellen van allerlei vragen heb ik geprobeerd U eens achter de jeugdwerkschermen te laten kijken.
Vandaar dat we bij Kapelweg 79 hebben aangebeld, waar de familie Golverdingen woont in een leuk vooroorlogs hoekhuis met een goed onderhouden tuin.
We worden verwelkomd, in eerste instantie, door de twee dochtertjes van onze jeugdwerkleider. Na een kort gesprekje vooraf — we kennen elkaar al langer — gaan we naar de werkkamer, die er erg aardig uitziet. In een stalen boekenrek staan veel oude jaargangen van „Daniël!" en boeken over het jeugdwerk. Hoe kan het ook anders!
In de buurt van zijn bureau staan op een aparte tafel een type-en stencilmachine. In de vensterbank staan een aantal foto's prettig gegroepeerd. In het voorbijgaan vallen me zijn trouwfoto op en een foto van Ds. G. H. Kersten.
„Een man van grote betekenis, waarvan we ook nu nog kunnen leren", zegt mijn gastheer, wanneer ik de foto aanwijs. Na wat gepraat over de kamer, het mooie uitzicht en het volgende nummer van „Daniël", beginnen we aan het gesprek over het werk van onze jeugdwerkadviseur. We zitten aan een stalen tafel. Vanaf mijn plaats heb ik nog juist het zicht op een langwerpig wandkleed met de tekst: „Hij zal zegenen, die de Heere vrezen: de kleinen met de groten."
Jeugdwerkadviseur.
Wat is in het algemeen een jeugdwerkleider? „Ik zou zeggen, niet dat wat het woord zegt. 't Is niet een man die belast is met de leiding van het werk. Dat blijft de taak van het bestuur. Hij is veel meer iemand, die adviezen geeft aan het héle jeugd-werk. Als zodanig ben ik gewoon in dienst van het Bondsbestuur; men noemt het ook wel jeugdwerkadviseur. Dat drukt de bedoeling het beste uit."
Hoe komt het nu dat er in onze kring o p-e e n s behoefte is aan een jeugdwerkadviseur?
„Het woordje „opeens" lijkt me niet juist. Het is namelijk zo, dat die behoefte er al een jaar of zeven is. Het Bondsbestuur had toen al de indruk, dat het nodig was, dat er iets gedaan werd aan voorlichting aan de besturen van de verenigingen, kadervorming, en aan het maken van studiemateriaal. Alleen het probleem was, dat de bestuursleden van de Bond hun handen al vol hadden en waar moest het geld voor een „fulltimer" vandaan komen". (Wacht een poosje)
„Even er tussendoor: Het aantal verenigingen is de laatste acht jaar meer dan verdubbeld. In 1961 waren er dertig, nu ongeveer zeventig."
Alles op papier.
Kun je wat vertellen over je verhouding
tot het Bondsbestuur? „Het gaat in grote lijnen als volgt. Het werk wordt van te voren met het Bestuur besproken; er worden voorstellen gedaan, die later uitgewerkt worden. Iedere maand krijgt het Bestuur een werkverslag. Daarin staat waar ik geweest ben en wat ik gedaan heb. Ook dit interview!" (We lachen er hartelijk om, )
Wie zal dat betalen?
Hoe wordt nu al'es betaald? „Er is een wettelijke regeling op de jeugdvorming. Als je aan de voorwaarden van die regeling voldoet, dan ontvang je voor het in dienst nemen van mensen en voor het onderhoud van een kantoor, subsidie. Eigenlijk is dat dezelfde regeling als bij het christelijk onderwijs. Alleen wordt bij een christelijke school alles voor 100% gesubsidieerd; bij het jeugdwerk ongeveer 50%". En de rest dan?
„Die andere 50% moet komen uit de c o n-t r i b u t i e s van de verenigingen en, voor het overgrote deel uit k e r k e 1 ij k e bijdragen. De meeste gemeenten maken een bepaald bedrag per dooplid over.
Enkele gemeenten houden elk jaar een k o 1 1 e k t e voor het jeugdwerk en daar moeten we naar toe. De werkzaamheden breiden uit, dan is er ook meer geld nodig".
Ben je een aparte figuur?
Er zijn mensen die denken, dat het benoemen van een jeugdwerkleider gebeurd is, omdat het in de mode is.
„Ik zou zeggen, zodra het een mode-verschijnsel wordt, moeten we er mee ophouden. Dit werk behoort blijvend gedaan te worden vanuit de innerlijke overtuiging, dat we voor de jeugd hebben te doen wat onze hand vindt om te doen. Waar het in je vraag om gaat is dit: Het karakter van het werk is veranderd. In die zin, dat de besturen meestal vrij jong geworden zijn, het aantal besturen groter geworden is en de vragen, waarmee we in aanraking komen meer en moeilijker zijn dan voorheen. Daardoor is de behoefte aan voorlichting groter. Het gaat ons erom dat de jongelui, in de weg van de middelen, te behouden bij de zuivere leer van de Schrift en de belijdenisges c h r i f t e n."
Er is dus geen „aparte figuur" gemaakt? „Nee beslist niet; ik ben geen aparte figuur". Ik voer eenvoudig de taken uit die het Bondsbestuur mij opdraagt. In de wijze van aanpakken heb ik grote vrijheid".
Twee belangrijke dingen.
Wat zie je als het belangrijkste aspekt van je opdracht? (Na even nadenken). „Er zijn volgens mij twee belangrijke dingen. Dat is enerzijds het geven van vorming en voorlichting geven aan de bestuursleden via de kadercursussen, brochures en schetsen; anderzijds, het bevorderen van oprichten van nieuwe verenigingen en het zorg dragen voor verantwoord studiemateriaal. Deze zaken zijn mij met name opgedragen en m.i. hoogst noodzakelijk".
Een keer in de twee jaar.
Wat beteken je voor de plaatselijke jeugdvereniging?
„Ze kunnen adviezen krijgen over onderwerpen en boeken. Willen ze iets ondernemen, b.v. leden werven, dan kunnen ze een beroep op me doen.
Dan kom ik op een avond om dat plan te helpen voorbereiden. Ik wil proberen één keer in de twee jaar elke vereniging een bezoek te brengen.
'k Ben altijd bereid dan een inleiding te houden en na afloop even met het bestuur na te praten. Vaak woon ik ook de bestuursvergadering bij als dat gevraagd wordt.
Werden er veel adviezen gevraagd in het afgelopen jaar?
„Nou dat varieert. In het seizoen ligt het aantal adviezen tussen de 15 tot 25 per maand".
Alleen een handreiking.
Ben je niet bang, dat we, door al het georganiseer van boven af een gedeelte van de verantwoordelijkheid van de plaatselijke vereniging afnemen?
„Nee, ik zeg altijd: „Het materiaal dat we uitgeven, hoef je niet te gebruiken". Het is alleen een handreiking. Wil iemand het benutten, dan vinden we dat bijzonder fijn. Zegt iemand: „Nee, dat zoek ik liever zelf uit", dan is daar ook geen bezwaar tegen. Het blijft een volledige vrije zaak. Een advies dat ik geef, kan men desgewenst naast zich neerleggen" (Nou, nou!)
Over de drempel.
Door je werk kom je veel in kontakt met diverse kerkeraden. Kun je daarover iets vertellen?
„Wat het bezoeken van de kerkeraden betreft, dat vindt alleen maar plaats als er om gevraagd wordt. Tijdens zo'n gesprek komt de gehele jeugd van de gemeente ter sprake: de georganiseerde en ongeorganiseerde. Vaak mondt zo'n gesprek uit in
het meer aandacht geven aan de bestaande verenigingen of in het oprichten van een nieuwe vereniging.
In het afgelopen jaar heb ik ook enkele malen geadviseerd bij de oprichting van een jongensclub. Ook adviezen met het oog op zondagsschoolwerk komen vrij regelmatig voor.
Het voor Deputaatschap Jeugdzorg.
Je gaat alléén naar kerkeraden waar advies gevraagd wordt en niet naar de andere?
„Informeel is er natuurlijk veel kontakt met ambtsdragers. Maar een bezoek aan een kerkeraad wordt uitsluitend gebracht op uitnodiging. Trouwens, het stimuleren in het algemeen is een taak van het Deputaatschap voor Jeugdzorg. De Deputaten kunnen kerkeraden op de noodzaak van jeugdwerk attenderen en daarbij verwijzen naar de jeugdwerkleider.
Hoe is de verhouding tot de Jeugddeputaten?
„Heel goed".
Kan je iets vertellen over de kontakten van Bond en Deoutaatschap?
„Er is intensief kontakt met het bondsbestuur. Een kéér per vier maanden is er een bespreking van het. gehele werk. Dat gebeurt aan de hand van een overzicht. De problemen worden besproken en er worden richtlijnen vastgesteld.
Kerkeraad - Jeugdvereniging.
We gaan nog even terug naar de verhouding tot de kerkeraden.
Hoe zie je de verhouding tussen de jeugdvereniging en de kerkeraad?
Ons jeugdwerk staat niet op zichzelf.
Elke vorm van jeugdwerk in de Gereformeerde Gemeenten is kerkelijk gebonden. Dat betekent dat D.V. elke vereniging onder toezicht staat van de kerkeraad. In enkele gemeenten is er een jeugdoud e r 1 i n g benoemd, die speciale kontakten onderhoudt met de verenigingen. De ideale verhouding is, dat de gehele kerkeraad stimulerend optreedt in het jeugdwerk door het tonen van belangstelling voor het werk, door het geven van adviezen en het geven van financiële „steun", als dat nodig is. Aan de andere kant moei de vereniging zich goed bewust zijn, dat ze voor al haar werk verantwoording schuldig is aan de kerkeraad".
Gespreksgroep.
De wijze van vergaderen op de verenigingen is, vergeleken met 20 jaar geleden, behoorlijk veranderd, dacht ik?
„Je kunt niet alle verenigingen over één kam scheren., Er zijn vergadervormen die tot verstarring kunnen leiden. Daarom is het goed om een nieuwe aanpak te proberen. Dat kan een zekere verfrissing geven. Alleen moet je niet zeggen, dat is dé manier. Er zijn ook verenigingen die nog op voortreffelijke wijze werken met de aanpak van zo'n dertig jaar geleden. In andere streken van ons land voldoet die manier al lang niet meer, daar werkt men met d.e gespreksgroepen. Ik zou willen zeggen, als een manier van vergaderen je bevalt, handhaaf hem dan en breng er zo nu en dan wat variatie in aan; merk je dat de belangstelling terugloopt, probeer dan iets anders". (Mevr. Golverdingen komt binnen met een dochtertje om te vragen of we al komen eten).
Noem eens wat.
„Ik dacht, als dat nog niet toegepast wordt, met name aan gespreksgroepjes, omdat dan niemand een vraag-of een spreekangst hoeft te hebben.
Je kunt de groepjes vragen laten bespreken of je kunt per groep vragen laten verzamelen, die door de inleider worden beantwoord.
Wat blijft en verandert.
Zijn de onderwerpen die behandeld worden op de verenigingen veel veranderd in de afgelopen jaren?
„De onderwerpen rondom de B ij b e 1 zijn niet veranderd. Anderzijds is het zo, dat iedere tijd zijn eigen specifieke vragen meebrengt. In 1930 b.v. was het tjv.-probleem er niet. Nu is het goed dat over zo'n onderwerp voorlichting gegeven wordt. Verder kun je zeggen dat aan de problemen van het maatschappe-1 ij k leven iets meer aandacht gegeven wordt."
Jeugdwerk l: an een middel zijn, waardoor jonge mensen — onder Gods zegen — bewaard blijven bij Schrift en belijdenis. De zin van het verenigingsleven.
Wat blijft ondanks alle veranderingen volgens jou de zin van het verenigingsleven? „De feitelijke zin is in de éérste plaats: het onderzoek van de Heilige Schrift. In het Woord wordt met klem daartoe aangespoord: „Onderzoekt de Schriften". We mogen nooit vergeten, dat de Heere middel-lijk werken wil.
Een tweede punt is, dat er een grote behoefte aan kontakt bestaat. Wij
vormen in deze wereld een steeds kleiner wordende minderheid. De samenleving kenmerkt zich door een steeds verdergaande ontkerstening. De zuigkracht van de wereld wordt steeds groter. Juist daarom moeten we elkaar tot een hand en een voet zijn.
Kontakt met elkaar is één van de wegen die kunnen bijdragen tot het behouden van een bijbelse levensstijl. Daarmee zijn we bij het derde punti Er zijn altijd vragen waarmee jonge mensen zitten.
Het met elkaar praten over deze vragen onder goede leiding is heel nuttig en verhelderend.
Lidmatenkring.
En de ouderen dan? ..Die kunnen samen een lidmatenkring of bijbelkring vormen onder kerkelijke leiding. Maar dat is een onderwerp apart.
Blik in de toekomst.
Nog één vraag: Hoe zie je de toekomst van ons verenigingsleven?
„Het is ons niet gegeven iets over toekomst te zeggen. Alles ligt in Gods hand, ook dit werk. We kunnen alleen zeggen, dat de kerk geen gemakkelijke tijd tegemoet zal gaan: te midden van de afval trouw blijven aan de leer der Schrift. Dat wil niet zeggen dat we ons terug moeten trekken in een een verkeerd isolement: wel in, maar niet van de wereld. De geschiedenis leert, dat de tijd van verdrukking niet de slechtste tijd is voor de kerk. Hoe de toekomst ook zal zijn, God houdt Zijn kerk in stand. Dat is de troost van de ware christen. De opdracht die de Heers vandaag geeft, heeft Luther treffend onder woorden gebracht, toen hij zei: „Als ik wist dat de Heere Jezus morgen zou wederkomen, zou ik vandaag nog een boom planten".
Hartelijk dank voor je medewerking aan dit vraaggesprek. Namens de lezerskring van „Daniël" wensen we je veel wijsheid, toe en plezier in je werk.
I, A. K.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 december 1969
Daniel | 16 Pagina's