Het woord gaat voort
Hij is niet verre ....
Hijis niet verre ...
Ik doe het niet om uwentwij
De Heere brengt Zijn Woord zonder te kijken of de hoorders het wel waard zijn.
Zou Hij dat wel doen, dan zou er nergens meer gepredikt worden. Nergens. Ook in de Gereformeerde Gemeenten niet. Want wie wij ook zijn, elke zondag komen wij allen, niemand uitgezonderd, weer de kerk binnen als ellendige zondaren, die het weer grondig verknoeid hebben. We kunnen dat beamen, er omheen draaien, of het ontkennen. Maar toch i s het zo. Het is genade, niet te peilen zo diep, dat we het elke zondag weer horen van Godswege: „Genade zij u en vrede " Dat zegt die dominee maar niet, want die man kan ons ech' geen genade geven; neen, God zélf betuigt dat Hij weer, tóch weer genade wil geven en genadig wil zijn, dat Hij tóch weer omwille van Zijn Naam (Ik doe het niet om uwentwil, o huis Israëls, het zij u bekend!) wil komen met de prediking van genade om niet tot zulke verdwaasde, dwaalzieke tobbers als wij zijn.
Zo ook in Athene. Daar breekt de Geest Paulus' mond open op de Areopagus: „Gij mannen van Athene " Neen, ook hier kijkt de Heere niet of die mannen van Athene de prediking van het Evangelie wel waardig zijn. Want dat zijn ze pertinent niet. Het is wel het meest ellendige gehoor, dat je je voor een evangelisatietoespraak voor kunt stellen. Ze willen alleen wat nieuws horen! En reken erop, dat hel. intelligente, begaafde mannen zijn, deze denkers. Geen domme jongens! Reken erop clat ze onbarmhartig in hun kritiek kunnen zijn. Stuk voor stuk meesters in de debatteerkunst. Nu kan Paulus daar ook wel wat van. want hij heeft zijn tijd aan de voeten van Gamaliël echt niet verknoeid. Maar hij moet er zich toch wel van bewust zijn geweest, dat hij zijn hoofd in een wespennest stak.
Godsdienstig....
En nu de rede. Of rede 't Is eigenlijk maar een kort toespraakje. Als je het hardop leest ben je in een paar minuten klaar. Een preek hoeft niet lang te zijn om duidelijk en doeltreffend te zijn. Maar al is de toespraak kort, dat wil nog niet zeggen dat hij eenvoudig is. Op een paar moeilijke of belangrijke punten gaan we wat nader in.
In de eerste plaats even dit: het valt een aandachtige lezer direct op, dat de aanpak van Paulus nu een héél andere is dan b.v. toen hij tegen de Joden sprak in de Synagoge van Antiochië (Hand. 13). Daar doorliep hij eerst, heel Israëls geschiedenis, om tenslotte te spreken over Jezus, cle vervulling der belofte. Maar dat kan hij hier in Athene natuurlijk niet. doen. Het is erg onwaarschijnlijk, dat één van deze filosofen de geschiedenis van Israël goed kent. En daarom gaat Paulus dicht bij hen staan, en spreekt ze aan met woorden, die zij begrijpen. De les hiervan voor ons? Dat wij mensen die nog nooit van cle Bijbel hoorden, anders moeten benaderen dan hen. die doorkneed zijn in de Schriften. Ik bedoel niet, dat we ze naar de mond moeten praten, of het Evangelie moeten aanpassen. Dat niet. Maar als ik een voorbeeld mag geven: het is niet verstandig met je totaal ongelovige collega op de eerste de beste dag te beginnen over het verschil tussen het werkverbond en het verbond der genade. Of iets dergelijks Want we ver-
knoeien zoveel door onze ontactische aanpak.
In de tweede plaats: het valt ook onmiddellijk op, dat de toon van Paulus' preek zo mild is. Soms zou je haast zeggen: te mild. Paulus maakt de Atheners wat complimentjes: ik denk aan vers 22 (zij zijn godsdienstig), vers 28 (hij citeert een Grieks dichter). Ook Paulus' uitdrukkingswijze is zeer vriendelijk: „wij moeten niet menen, dat de Godheid goud, of zilver, of steen gelijk zij " (vers 29).
Sommigen hebben zelfs gezegd: Paulus was daar in Athene véél te slap. Vandaar dat er zo weinig mensen gehoor geven aan de prediking (vers 34!). Maar ik meen dat wij dan toch tekort doen aan d.e vrijheid van Gocls Geest. Immers, ook hier werd Paulus door d.e Geest gedreven. Hij was er trouwens de man niet naar, zijn publiek wat te „lijmen". Maar voor deze beschaafde ontwikkelde Atheners zal dit toch echt de toon zijn die hen het meest aansprak: mild, vriendelijk en beschaafd. De Geest des Heeren verstaat de heilige kunst, ons aan te spreken op die wijze, die past bij ons karakter.
Jullie zijn zeer godsdienstig, zegt Paulus. Die uitdrukking „alleszins gelijk als godsdienstiger" (vs. 22) beteken1" zoveel als: in alle opzichten buitengewoon godsdienstig, vroom, 't Zal de Atheners als een compliment. in de oren hebben geklonken, maar het is zeer de vraag of Paulus het ook zo heeft bedoeld. Godsdienstig vaak is de godsdienst Gocls grootste vijand! Namelijk die godsdienst, waar de godsdienstige men.s met alles wat hij heeft en is, in het middelpunt staat.
Dit woord geldt niet alleen de mannen van Athene. Wat kunnen wij vaak met onze godsdienst de Geest in de weg staan... Wij zijn ontroerd van een preek, en verkneuteren ons met dat gevoel. We klagen over onze zonde, en zien dat klagen als een teken van geestelijk leven. We bidden, en trachten ons op te werken tot een gevoel van verslagenheid over onze schuld. Godsdienst, vroomheid: in één woord gezegd: zelfhandhaving. Wij doen wat, wij blijven op de been. Maar als het echt is, dan is God alles en doet de Heere alles, en wij liggen aan Zijn voeten. Dan is het uilmet ons egocentrisch gepraat over onze zonde en over ons „aangenaam gesticht zijn". Dan is het: Zwijg over mij, maar spreek over Hem, Die de eerste plaats in al ons spreken, doen en denken verdient in te nemen.
De onbekende God.
Paulus mag dan vriendelijk zijn, hij gaat toch recht op zijn doel af. In één zin zou je zijn preek misschien zo kunnen samenvatten: Jullie zijn godsdienstig, (vs. 22), maaier leeft slechts één God, Die alles heeft geschapen (vs. 24-27); deze God kennen jullie niet (vs. 23), maar ik verkondig je dat Hij niet ver is van ons allen (vs. 27), en dat Hij de wereld zal gaan oordelen (vs. 31); daar-
om bekeert U! (vs. 30). Nog twee punten moeten we bespreken, hoewel er zeker nog twintig belangrijke en mooie dingen in deze rijke verzen zouden
zijn aan t.e wijzen. In de eerste plaats: voor deze Atheners moet het heel merkwaardig zijn geweest, dat Paulus predikte dat er slechts één God leeft. Voor de heidense wereld is dat in de eerste eeuwen een van de grootste stenen des aanstoots geworden. Dat iemand met. een nieuwe God kwam aandragen, was vrij normaal. De wereld gonsde in die tijd van nieuwe godsdiensten. Maar dat iemand het bestond te zeggen, dat de God in Wie hij geloofde, de enige God was, dat was een ongehoorde aanmatiging. Dat veroorzaakte de felle botsing tussen de dienst aan Christus en de Keizerverering. Nu noemt Paulus deze ene, ware God, de o n-bekende God, naar aanleiding van een altaar in Athene, waarop deze woorden stonden. Deze God kennen jullie niet, zegt Paulus, maar toch dienen jullie Hem. Kan dat dan? Neen, dat kan niet. De Bijbel verstaat onder het woord „kennen" immers een zeer intiem kennen, een persoonlijke omgang. God echt dienen zonder Hem te „kennen" is dus niet mogelijk. Maar Paulus wil zeggen: jullie voelen toch diep in je hart het onbevredigende van al dat godsdienstige gedoe wel aan. Daarom moet dat altaar zijn opgericht. Maar, mannen van Athene, deze God ken ik nu wel. Over Hem predik ik.
In de tweede plaats: Paulus zegt van de Heere, dat Hij „niet verre is van een iegelijk van ons". En om dat te bewijzen uit de literatuur die de Atheners zelf kennen, citeert hij een versregel uit de „Phaenomena" van Aratus, een Stoïcijns dichter, die leefde van 315 - 239 v. Chr. Paulus is zeer goed op de hoogte! Hij zegt in deze verzen als het ware: de Heere heeft Zich in het werk van Zijn schepping zo duidelijk geopenbaard, dat er vanaf de vroegste tijden een voortdurend zoeken naar Hem is. Dat immers behelst alle godsdiensten, daarop zijn alle religies gericht: op het vinden van de ware, enige God, Die de ware, enige rust en vrede schenkt.
Het Woord gaat voor!
Welnu, zegt Paulus. deze Gocl is niet ver, al schijnt Hij vaak onbereikbaar en oneindig ver weg. Maar heel ons leven wordt door Hem gedragen. Hij staat vlak naast ons, maar wij zien Hem niet. Van deze woorden gaat een grote troost uit, vrienden. Want als Paulus dit kon zeggen tegen die door en door heidense Atheners, hoeveel te meer geldt het dan voor ons: Hij is niet ver. Ja, hoeveel te meer, want wij hebben Zijn Woord, zegt de Heere Zelf, in uw mond en in uw hart. Lees die zeer vertroostende hoofdstukken Deuteronomium 39 en Romeinen 10 maar. Het Woord is toch waar, al zien wij het niet. Als wij kreunen in ongeloof: Heere, waar bent U toch? Het is alles zo zwart, zo verschrikkelijk donker, ik maak het zelf elke dag zwarter dan zegt Hij: Ik sta vlak naast je. Gereed en bereid om je tastende hand te grijpen. Ik ben niet verre!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 september 1969
Daniel | 1 Pagina's