het GEBED van salomon
Gec.f mij geen overvloed, en laat mij niets ontbreken. Maar voed mij, Heer, met 't brood van mijn beschoren deel. De mens houdt 't leven niet bij 't geen hij heeft te xreel, Maar bij 't geen nodig is om 't leven aan te kloeken.
Licht zou ik zat van spijs deez' lastertale spreken: Wat heb ik God van doen? mijn god is buik en keel. Weer van mij het gebrek, opdat ik niet en steel. Die nood door diefstal keert, blijft van uw gunst versteken.
Dies Heer, zo lang ik in het kommerdal zal leven, Zo wilt mij matelijk mijns levens nooddruft geven. Gij weet wie dat ik ben, Gij leent mijn bros gemoed.
De rijkdom maakt de mens verwaand en opgeblazen. De schrcle armoe kan de kloekste ziel verbazen. Genoeg ir, op de aard' het wenslijkst aardse goed.
(1661-1728)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1969
Daniel | 16 Pagina's