Het woord gaat voort
De Christus moest lijden
Be Christus moest lijden
Deze maal en de volgende keer vinden we het onderwerp voor onze Bijbelstudie in ^^-fTangèlingëiT 17 : l-TïHöaar staat beschre-""vën" hoe het Woord van Christus voor d.3 eerste maal werd gepredikt in Thessalonica en in Berea. De resultaten op de prediking in deze twee plaatsen vertonen een merkwaardige overeenkomst.
De Schriften spreken van Hem.
In Thessalonica (tegenwoordig Saloniki) begeeft Paulus zich eerst weer. gewoontegetrouw, naar de Joden. Drie sabbatten lang „handelt hij met hen uit de Schriften", zoals er staat. Nu eens volgt Paulus deze methode, d.an weer een andere. Hier in Thessalonica doet Paulus rustig de Schriften (het Oude Testament!) open, en gaat in de Schriften na. hoe daar gesproken wordt van de komende Messias. En dan neemt hij heel in het bijzonder die plaatsen, waar wordt gezegd van de Messias dat Hij zou moeten 1 ij d e n, en daarna opstaan uit de doden. Precies zo ging de Heere Jezus te werk op de wreg van Jeruzalem naar Emmaüs, toen hij aan de moedeloze Kléopas en diens vriend vroeg: „O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? " En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, lezen w-e dat Jezus hun uitlegde in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was. Dit was dan ook voor Paulus de beste methode. Deze Joden in Thessalonica aanvaarden do Schriften als het Woord van de levende God. Velen zien reikhalzend uit naar de vervulling van Gods beloften over d.e Messias. Nu, zegt Paulus, deze beloften z ij u vervuld, in die Jezus, Die ik aan U verkondig!
Paulus weet wel, dat het voor deze Joden ontzettend moeilijk zal zijn, te geloven dat die timmermanszoon uit Nazareth, met wie het zo triest afliep, nu de zo langverwachte Messias is! Voor vele Joden is het een vreemde gedachte, dat d.e Messias zou moeten 1 ij d e n. Velen verwachten een Messias, Die eindelijk al de vijanden van Gods volk zou verpletteren, en zijn Israël een heerlijke toekomst bereiden. En inderdaad, dat heeft de Heere Jezus ook gedaan, maar wel héél anders dan de doorsnee Jood in Paulus' dagen het zich had voorgesteld. F, n daarom opent Paulus nu de Schriften, en laat hij zien, dat het Oude Testament op vele plaatsen ervan spreekt, dat de Messias moest lijden. Welke plaatsen zou Paulus hebben genoemd? Het is buitengewoon verrijkend voor je Bijbelkennis en je inzicht in de Schrift, als je eens probeert dat zélf na te gaan!
En bid om opening van je ogen. Heel het Oude Testament is doortrokken van Christus, van Zijn heerlijkheid, Zijn liefde, maar ook van Zijn lijden. Neen het is echt niet „op" met b.v. Psalm 22 en Jesaja 53.
De vruchten op deze prediking zijn niet schaars. Velen geloven. Nu is het heel merkwaardig, dat die Joden, die niet geloven, nijdig worden, ja zelfs jaloers. Die geestelijke jaloezie (de Statenvertaling noemt het „nijdigheid") is heel gevaarlijk. Je loopt er ook tegenwoordig wel tegenaan. Je kunt geloof ik nog beter te doen hebben met een door en door wereldse fabrieksarbeider, die alleen maar grinnikt om het geloof, dan met een „nette, godsdienstige man", die in zijn hart vijandig en jaloers is op elk spoortje van geestelijk leven. Als je niet oppast, krijg je nog meer klappen op je hoofd van de „godsdienst", dan van de wereld. Die jaloezie is wel te verklaren. Elk kind van God, als er tenminste iets van God bij is, zal opvallen. Het zal duidelijk zijn, dat des Heeren volk een gelukkig volk is. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat Gods kinderen zich heel de dag huppelend en glimlachend voortbewegen. Zulke mensen zijn er ook wel, maar het is alleen maar vermoeiend om daarmee om te gaan. Neen, wij hebben niet gemaakt vrolijk of geforceerd blij te doen. Maar het is ook niet goed, als wij, zodra het gesprek op de dingen van Gods koninkrijk belandt, geprangde zuchten gaan slaken en een treurig gezicht trekken. Dan krijgen we net zo'n karikatuur van het geloofsleven als het „juichend christendom" geeft. O, het kan wel eens stormen, het wordt wel eens nacht in het leven van Gods kmderen, maar daar moeten we maar niet mee te koop lopen. Als de Heere echt werkt in onze harten, dan zal het toch ook gezien worden dat wij ons in Hem verheugen met
een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1 : 8). We hadden het erover, dat die jaloezie van de Joden in Thessaloniea wel te verklaren is. Ze zien hoe gelukkighet Evangelie maakt, en ze voelen heel goed, dat zij dat geluk missen. Maar dan moet het ook uit zijn met het geluk van die Christenen! En ze nemen hun toevlucht tot een bijzonder laag middel.
Rellen!
Er liep ook in die tijd nogal wat gespuis rond op straat. Er is niets nieuws onder de zon. Er zijn nogal wat „bezetters" en protesterenden en demonstranten tegenwoordig, die nauwelijks weten waarom ze iets bezetten, waartegen ze protesteren of demonstreren. Er zijn heel wat lieden, wie het weinig of niets interesseert wat er op het spandoek staat dat ze meedragen, als ze maar een agent kunnen molesteren of een auto omgooien en in brand steken. Wel, zulke figuren waren er 1300 jaar geleden in Thessaloniea cok al. Meestal niet zóveel, want de overheid was niet zo lief in die dagen.
De .loden zoeken wat van deze jongens op, en rinkelen wat met geld. En dan worden deze lieden plotseling zéér verontwaardigd en aggressief tegen zekere Paulus en Silas, die ze overigens nog nooit gezien hebben, maar dat doet er niet toe. En héél d.e groep zwermt uit, mengt zich in de straten onder het volk en weet binnen korte tijd een formeel oproer te doen ontstaan. De Joden leiden de zaak bekwaam. Ze weten de meute door de stad te sturen, naar het huis waar Paulus en Silas logeren. Tot hun grote woede en teleurstelling zijn de mannen claar niet meer. Dan die Jason, die Paulus' en Silas' gastheer was geweest, maar meegenomen. Enkele christenen, die juist bij Jason in huis waren, worden in het voorbijgaan ook in hun kraag gegrepen en meegesleurd. En dan trekt heel de optoch, razend en tierend tegen de broeders, weer door de stad, naar het gebouw van de stadsregeerders. Maar de Heere trekt méé. Hij doet Zijn Woord gestand: „Des Heeren engel schaart een onverwinbre hemelmacht rondom hem, die Gods wil betracht; dus is hij wel bewaard".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 augustus 1969
Daniel | 16 Pagina's