Het Woord gaat voort
Gedenkt aan de Gadarenen!
Overgeestelijkheid
Overgeestelijkheid 't Kan vreemd gaan in je leven. Het ene moment aan de rand van de wanhoop; een uur later door Gods genade verlost. Zo verging het de stokbewaarder in Filippi. Bekeerd, met heel zijn huis. Van het ene uur op het andere getrokken uit een onvoorstelbare duisternis tot Gods wonderbaar licht, 't Is bepaald geen overgeestelijke man geworden, deze stokbewaarder. Nu is in onze tijd overgeestelijkheid echt niet zo'n dreigend gevaar. Ongeestelijkheid ligt dichter naast de deur! Maar toch moeten we wel eens op het gevaar van overgeestelijkheid wijzen. Van overgeestelijkheid spreken we, wanneer iemand zó sterk met de geestelijke dingen bezig is, dat alles hier op aarde voor hem of haar heeft afgedaan. Nu hebben we inderdaad de dingen clie bóven zijn te bedenken, niet die op de aarde zijn. Maar dat mag ons nooit voeren tot een ongezonde verwaarlozing van dit leven, 't Klinkt wel aardig, maar ; t is er naast, als mensen zeggen dat je lichaam er niet meer toe doet. Het is niet waar, dat de verborgen omgang met de Heere je dagelijks werk zou moeten belemmeren.
Het kan gebeuren, dat iemand pas na zijn bekering zó vervuld is van , , de dingen die boven zijn", dat alle spreken en denken over de gewone dingen van elke dag hem een doorn in het oog zijn. Een gewoon gesprekje over het weer of iets dergelijks wordt dan ervaren als zondige oppervlakkigheid. Dat is natuurlijk je reinste overgeestelijkheid. Dat legt een ongezonde kramp over je leven. We moeten bidden of de Heere ons aan de ene kant bewaren wil voor een zondig en ongeestelijk opgaan in de dingen dezer wereld, aan de andere kant voor een overgeestelijk „boven de grond lopen", en of hij waarlijk geestelijke mensen van ons wil maken, dat wil zeggen, door Zijn Geest geleide en van Zijn Geest vervulde mensen. Zo een was de stokbewaarder. Want waarom heel die uitweiding over het gevaar van overgeestelijkheid? Omdat het mij zo opvalt, dat de eerste dingen die de stokbewaarder doet na zijn bekering, van die heel gewone, praktische dingen zijn. Als Paulus en Silas hem het Woord hebben verkondigd, gaat hij niet zitten om alles en nog wat van hen te vernemen over het geestelijke leven. Dat zou wel begrijpelijk, maar toch overgeestelijk zijn geweest! Want die twee apostelen zijn geradbraakt en doodmoe. Eerst en voor alles neemt de stokbewaarder water en doeken, en bet hij liefdevol hun wonden en reinigt hun striemen. En als hij dan met zijn huisgezin is gedoopt, brengt hij hen in zijn huis, laat de tafel dekken en bereidt een maaltijd. Want veel te eten hebben Paulus en Silas natuurlijk niet gehad in die gevangenis.
Zij baden hen
Als de morgen aanbreekt, naderen enige mannen het huis van de stokbewaarder. Het zijn stadsdienaars, wij zouden zeggen politieagenten. Zij hebben een boodschap van het stadsbestuur, dat „die mensen" (Paulus en Silas zijn blijkbaar nogal bekend) moeten worden losgelaten. Waarom? Wel, die nachtelijke aardbeving is natuurlijk in heel de stad gevoeld. De hoofdmannen zijn wakker geschrokken en ze hebben alles gehoord van de gebeurtenissen in en bij de gevangenis. De andere gevangenen, clie ook vrij waren gekomen, maar niet ontsnapt, zullen wel weer gevangen zijn gezet. De stadsbestuurders gevoelen wel, dat hier bovenmenselijke krachten aan het werk zijn geweest. Hun hart zal misschien ook nog onrustig hebben geklopt over de onrechtvaardige behandeling, die ze de twee predikers de vorige dag hebben aangedaan. En nu willen zij de hele zaak het liefst maar zo geruisloos mogelijk in de doofpot doen. Hoe eerder ze de stad uitzijn, des te beter.
Maar dit neemt Paulus toch niet. Niet, dat hij zo op zijn rechten staat, hoor. Je hebt vaak van. die „christenen", die vaak hele verhalen vertellen, maar in het leven van elke dag zo hard als een spijker en zo liefdeloos als een steen zijn, zelfs tegenover broeders en zusters. Zo één was Paulus beslist niet. Lees b.v. maar 1 Korinthe 6 : 7. Maar hier ligt de zaak toch anders. Ach, als het nu alleen om zijn persoon zou zijn gegaan, misschien zou hij dan het verzoek van het stadsbestuur nog wel hebben opgevolgd ook. Maar het Evangelie is in het geding. Paulus voelt: enzelfde willekeurige mishandeling als ik gisteren moest on-
dergaan, kan morgen Lydia of deze stokbewaarder overkomen, als de pet van de heren bestuurders maar even scheef staat. En daarom besluit Paulus de hoofdmannen een verrassing te bereiden, waarvan zij duizelen!
Tot hun ontsteltenis horen zij, dat ze gisteren twee Romeinen hebben gegeseld. Dat was een zwaar vergrijp, dat door de Romeinse wet streng verboden werd. Dat kon hun duur komen te staan, als het op verkeerde plaatsen bekend werd. Met de schrik in hun benen begeven de hoofdmannen zich naar het huis van de stokbewaarder. Ze zijn de onderdanigheid en de kruiperigheid zelve, en smeken de apostelen, of zij de stad willen verlaten. Zij baden hen Iets dergelijks lezen wij in Mattheus 8. Daar baden zij (de Gadarenen), of de Ileere Jezus uit hun landpale wilde vertrekken. Dat is een van de ergste dingen, die een mens kan doen: bidden of het Evangelie hem voorbij mag gaan. Het gebed, dat Augustinus vóór zijn bekering eens bad: Heere, bekeer mij, maar vandaag nog niet. Een andere keer. Als ik gelegener tijd zal bekomen hebben!
Vergis je niet: je kunt ditzelfde op talloze andere manieren doen. Je kunt het Evangelie wegsturen. Als een vriend op een gesprek aanstuurt, kun je hem vriendelijk maar beslist te kennen geven, dat je daar niet van gediend bent. Dan doe je als de Gadarenen, als de hoofdmannen van Filippi. Het komt onder ons voor, dat jongelui door de achterdeur „wegpiepen", als door de voordeur ouderlingen stappen voor huisbezoek. Gadarenenmentaliteit, vrienden, en helemaal mis. Als het goed ligt, komen ze om je te helpen, te leren, te bemoedigen. Het weglopen is laf van jezelf, teleurstellend en ontmoedigend voor de ambtsdragers, krenkend en smartelijk voor de Heere... Je kunt bepaalde vrienden, van wie je weet dat ze het graag over de dienst van de Heere hebben systematisch ontlopen. Je doet dan als de hoofdmannen, die begeerden, dat het Evangelie uit hun stad zou gaan. Er staat niets voor niets in het Woord.
Voor kerkgangers, die niet los kunnen komen van de wereld, wier hart in Sodom is, staat het geschreven: Gedenkt aan de vrouw van Lot. Voor mensen, die hun huisbezoek ontlopen, die elk gesprek van hart tot hart saboteren of aan het begin afkappen, die elke zondag het Evangelie vastberaden de deur van hun hart wijzen, geldt het: Gedenkt, aan de Gadarenen, aan de hoofdmannen van Filippi.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 juli 1969
Daniel | 21 Pagina's