JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Het Woord gaat voort

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Woord gaat voort

Heel zijn huis geloofde

8 minuten leestijd

Doe uzelf geen kwaad !

Snellijk. Dat is eigenlijk het woord, dat mij bij het lezen van het zesentwintigste vers van Handelingen 16 het sterkst treft. Over het stadje Filippi ligt de nacht. Stil staan de huizen te dromen. Ook rondom de stadsgevangenis is alles rustig. In het huis van de cipier ernaast slaapt men ook. De „stokbewaarder" zelf is rustig naar bed gegaan, niet bevroedend, dat de morgen wel héél anders zou zijn dan hij zich bij het ter ruste gaan heeft voorgesteld. De poorten en de grendels van zijn gevangenis zijn hermetisch gesloten. Geen enkele misdadiger zal ook maar de kleinste kans krijgen te ontsnappen, tenminste, zo meent hij. Maar als je om middernacht eens langs cle poort van de gevangenis zou hebben gelopen, en je zou dan je adem ingehouden, je oor tegen de poort hebben gedrukt, dan zou je een hoogst merkwaardig geluid hebben gehoord. Je zou uit de diepten het lofgezang hebben beluisterd van die twee bebloede, geradbraakte mannen, Paulus en Silas! En voor je van je verbazing zou zijn bekomen, zou je adem in je keel zijn gestokt van vreselijke schrik. Want wat is dat!?

Zonder enige waarschuwing, zonder voorafgaand zacht gerommel, terwijl alles heel rustig en stil is een machtig gedreun! De huizen van Fiiippi sidderen. De aarde beeft, kraakt, golft, scheurt kapot. Mensen en dieren gillen in doodsangst. We sterven! Maar de Heere God, die met Zijn machtige Hand de fundamenten der aarde beroert, zoekt niet de dood van deze radeloze, weerloze mensen en dieren. Hij zoekt maar één ding: twee van Zijn kinderen, die uit hen ellende roepen tot Hem, die dwars door hun ellende heen zingen, en Hem toch getrouw achten, Die het beloofd heeft, Die het ook doen zal, die twee kinderen moeten los. Nu, onmiddellijk. Op het horen van hun lofzangen wordt de Hemelse Vader zelf met innerlijke ontfermingen en. barmhartigheid bewogen, en dan beweegt Hij ook de aarde! En dan dat woord „snellijk"! Je leest ook zoiets bij het Pinksterfeest. Daar geschiedde haastig 1 ij k uit de hemel een geluid, gelijk als van een geweldige gedreven wind Als de Heere de tijd gekomen acht om Zijn kinderen te verlossen, dan draalt Hij niet.

Zo was het met Pinksteren. Zo was het bij Paulus en Silas. Zo is het nog. We kunnen denken: nu hoort de Heere niet meer. Nu zink ik weg in de wanhoop, de twijfels, cle angst, de droefheid. Nu blijft er alleen maar over een schreeuw om hulp, een noodkreet om verlossing. „Heere, ik zink!" En dan is daar snellijk Zijn Hand. Hij laat misschien het water tot je lippen komen, maar niet over je hoofd. Zo is het, en zo zal het ook zijn. Zo zal het zijn, in de laatste dagen, als Gods Kerk cle wanhoop nabij is. Als de duivel uithaalt in zijn grimmigheid voor zijn laatste klap. Dan, als niemand erop rekent, zal God zeggen: nu is het genoeg. Dan zal snellijk de hemel scheuren, ja, reken erop, dat het dan snel zal gaan, als de stem van de archangel zal dreunen!

Alsof ze van bordpapier zijn, zo gemakkelijk springen de deuren van Filippi's stadsgevangenis open. In enkele ogenblikken kunnen alle gevangenen zich vrij bewegen! En nu een tweede wonder, waar we gauw overheen lezen. Er loopt niet één gevangene weg! Niet een, hoewel zo'n oude gevangenis toch echt geen recreatieoord was. De Heere zelf houdt hen op hun plaats, want Zijn werk is nog lang niet klaar hier. Daar is nog een stokbewaarder, die ontzettend geschrokken, bevend over al zijn leden, naar de gevangenis komt stormen. En als hij ziet, dat alle celdeuren open staan, dan beseft hij: dit gaat me mijn leven kosten. De overheid was in die dagen echt niet vriendelijk voor cipiers, die zo maar even een hele gevangenis lieten leeglopen. Al kon hij er niets aan doen, er zou een schuldige worden gezocht, en dat zou hij worden, dat weet hij feilloos zeker. En dan wordt het hem teveel. In zijn wanhoop grijpt hij zijn zwaard, en hij wil zich erin storten, als hij uit het donker een krachtige stem hoort roepen: „Doe uzelf geen kwaad, want wij zijn allen hier!" Als de man, die natuurlijk z'n oren niet geloven kan, om licht gevraagd heeft, en ziet, dat het waar is wat Paulus roept., is hij zichzelf niet meer meester: sidderend

valt hij voor de apostelen op zijn knieën, en wanneer hij de mannen naar buiten heeft gebracht, is zijn eerste vraag: „Lieve heren, wat moet ik doon, opdat ik zalig worde? "

Zalig worden

Wij vinden die vraag natuurlijk heel gewoon. Wij vinden vaak heel de Bijbel zo gewoon, dat wij ons over niets meer verbazen. Want het is natuurlijk helemaal niet zo'n gewone vraag. Het is in de eerste plaats al vreemd, dat de stokbewaarder deze vraag stelt aan die twee gevangenen. Wat weet hij per slot van rekening van hen? Ja, er werd in Filippi wel heel wat over de twee mannen gesproken, maar wat ze nu eigenlijk precies predikten, dat wisten er echt niet zoveel. Maar de stokbewaarder is door de laatste gebeurtenissen zó in het hart gegrepen, dat hij er niet aan twijfelt, of deze gevangenen zijn dienstknechten Gods. Hij heeft a.h.w. hier recht in de ogen van Gods majesteit geblikt. En tegenover deze God voelt de man plotseling zijn schamelheid en ellende, en weet hij zich verloren. En daarom stelt hij deze vraag. Weet je, wat ik ook merkwaardig vind aan zijn vraag? De stokbewaarder wil weten, wat hij moet doen om zalig te worden! O, wat zit dat ons toch in het bloed. Wat te willen doen voor onze zaligheid. Wat zouden wij deze bevende man voor antwoord hebben gegeven op zijn vraag? O, let er toch eens op, dat Paulus hem niet terugstuurt naar zijn huis met de opmerking: „Wat je moet doen om zalig te worden? Daar moet je maar veel om bidden." Neen, het antwoord van Paulus en Silas is kort en bondig. Geloof in de Heere Jezus Christus! Als ik diep in mijn hart kijk, dan vindt mijn verdorven hart dat antwoord van Paulus toch wel een beetje gladjes, een beetje „licht", een beetje al te gemakkelijk. Kom nou, Paulus, gaat dat dan zo maar? Wat een dwaze mensen zijn we toch, dat we niet zien of niet willen zien, dat dit antwoord nu net het enige antwoord is, dat echt verlossing biedt. Het is alsof cle apostelen zeggen: „Wat jij moet doen om zalig te worden? Jij moet niets doen. O, wat zou het er treurig uitzien, als jij nog wat zou moeten doen! 't Zou reddeloos verloren zijn. Neen, arme man, er is er Eén, Die alles heeft gedaan wat er voor God te doen was. Een. en niet meer dan Een. Maar die Ene heeft het clan ook volkomen gedaan. En nu verkondigen wij je, dat je alleen kunt zalig worden cloor cp die ene Naam te betrouwen. Dan gaat jouw naam er finaal aan. Alles van jou gaat dan overboord. Maar als je dan niets en niemand meer overhoudt dan die ene Middelaar Gods en der mensen, dan hou je ook ruimschoots genoeg over. Dan neemt geen hel je cle zaligheid meer af. Al zou dan alles en. iedereen op deze wereld in je oren schreeuwen, dat je erbuiten staat, dat je bedrogen uit zal komen, dan zal de verhoogde Christus al die schreeuwers het zwijgen opleggen. Voor het forum van de ganse wereld zal Hij je in de jongste dag aanzien, en Zijn liefdevolle ogen zullen het zeggen: al geloofde niemand er wat van, Ik wist toch van je af."

Zó stel ik me voor, dat het geweest zal zijn, teen Paulus en Silas het Woord des Heercn spraken tot de stokbewaarder en zijn gezin. En dan gebeurt het: heel zijn gezin, zijn huis gelooft. Heel zijn huis wordt gedoopt. Hoe vind je dat? Ook alweer min of meer bekend, gewoon? 'k Zal eens een voorbeeld geven! Morgen komt er iemand binnenlopen bij je. Nauwelijks zit hij in een stoel, of hij steekt van wal: „Da's toch óók wat, zeg! Gisteravond is toch heel het gezin van de Pietersens, je weet wel, onze buren, tot God bekeerd. Wat zeg je daarvan? " Wel, ik vrees, dat er heel wat van ons zouden zijn, die hun schouders op zouden halen en wat zouden mompelen over een ingebeelde hemel. Maar hier is het waarachtige en eeuwig getrouwe Woord van God. En dat Woord zegt ons, dat God hele gezinnen wil bekeren, hoofd voor hoofd. Wat een troost voor hen die worstelen voor Gods troon om de redding van hen, die hun zo lief zijn. Hier in Handelingen 16 ziet God ons allen aan, en zegt: Ja, Ik werk gadeloze wonderen. Gelooft gij dat?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1969

Daniel | 11 Pagina's

Het Woord gaat voort

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1969

Daniel | 11 Pagina's