Eigenzinnige kinderen
Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend. (Luc. 7 : 32b.)
Hoe ontroerend is het, als Christus uitroept: Waarbij toch zal Ik dit geslacht vergelijken? Neen, het is niet zo, dat de Opperste Wijsheid geen beeld zou kunnen vinden, waarmee Hij het snood gedrag Zijner hoorders zou kunnen vergelijken. Aanstonds immers spreekt Hij een treffende gelijkenis uit.
Doch Christus stolt deze vraag om hen te doen gevoelen, dat verharding van hun hart zo erg is, dat er nauwelijks woorden voor zijn. Zij zijn als kinderen, die op de marktplaats zich verzameld hebben om te spelen. Welk spel zullen ze gaan doen? Nu is het de kinderen eigen om in hun spel de grote mensen na te doen. Wie heeft er nooit „schooltje" of „kerkje" gespeeld? Hier willen sommige kinderen bruiloftje spelen. Aanstonds beginnen ze op hun houten fluitjes te blazen in de verwachting, dat de anderen mee zuilen doen. Het spel mislukt echter. De fluitspelers doen wel hun best, maar de anderen hebben geen zin om te dansen. Wat nu? Wel, als jullie geen zin hebben in een vrolijk spel, laten wij dan begrafenisje gaan spelen. Wij zullen klaagliederen zingen, en dan moeten jullie op de borst slaan en wenen. Maar ook dit spel valt in het water. De anderen hebben ook hier geen zin in. Verwijtend roepen de speelïustigen uit: Jullie willen ook niets? Want wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst en wij hebben klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend. Welnu zegt Christus, zo is het nu ook met dit geslacht. Zij zijn gelijk aan die eigenzinnige, koppige kinderen, waarmee niets te beginnen valt. Op allerlei wijze zijn ze bearbeid tot bekering, dcch alles stuitte af op de hardheid van hun hart. Hij zond tot hen de boetgezant Johannes de Doper. Hoe vlijmscherp was zijn prediking, hoe sober zijn leven. Doch de hemelse treurmuziek van Johannes had niet tot gevolg, dat zij op de borst gingen slaan, en wenend over hun zonden begonnen te roepen: O, God, wees mij zondaar genadig. Integendeel. Vol ergernis keerden zij zich van hem af. Is dat preken? Is dat Evangelie? Hij preekt je in de put. Hij heeft de duivel. Ja, dat. zegt men ook nu, als Gods knechten in hun ontdekkende prediking, de vrome mens niet sparen. Zulk een prediking is te scherp, er zit geen gunning in. Dat is geen evangelie!
Dan komt Christus. Hoe verschilde Hij van Johannes. Hij at met tollenaars en zondaars, en wat blijde boodschap bracht Hij de zachtmoedigen. Neen, Christus heeft in wezen geen andere boodschap gebracht dan Johannes. Het was bij de Heere Jezus niet enkel evangelie, maar ook wet, zoals het bij Johannes niet enkel wet was, maar ook evangelie. Ook Christus heeft Zijn: „Wee U" laten horen. En toch was de preek van Johannes meer een klaagzang, terwijl Christus' prediking meer overeenkomst had met het fluitspel. En de uitwerking? Moesten zij van Johannes' klaagzang niets hebben, het fluitspel van Christus bekoorde hen ook niet. Johannes was hen te zwaar en Christus was hen te licht. Bij Johannes vonden ze teveel oordeel en bij Christus teveel genade. Er kwam geen bekering.
Eigenzinnige kinderen waren het, waarmee niets te beginnen was. En hoe is het met ons? Wat al arbeid der liefde heeft de Heere aan ons ten koste gelegd: Schrikkelijke bedreigingen klonken in onze oren. Of is ons niet aangezegd, dat het de goddelozen kwalijk zal gaan? Dat wij te doen hebben met een heilig en rechtvaardig God, die te rein van ogen is, dan dat Hij het kwade kan aanschouwen en die de schuldige geenszins onschuldig houdt? Is het ons niet aangezegd, dat onze God een verterend vuur is en een eeuwige gloed, bij wie de zondaar niet wonen kan? Hoe vaak heeft de Heere klaagliederen laten zingen en hebt u geweend? Heeft de prediking van Gods gerechtigheid uw hart geraakt? Kwam er een heilzame schrik? Doch er zijn niet alleen klaagliederen gezongen, er is ook op de fluit gespeeld. Was het geen liefelijk fluitspel toen u werd gezegd, dat zelfs u nog zalig kon worden? Toen u werd toegeroepen: Wie is slecht, hij kere zich herwaarts? Ja, zo waarachtig als Ik leef, zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze, maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich be-
meditatie
keert en leeft. Wat bent u menigmaal gelokt en genodigd. Ja, er is op de fluit gespeeld. Hebt u gedanst? Sprong u op van vreugde? Riep u verwonderd uit: Kan ook ik dan nog zalig worden? Wat erg, als noch de klaagzangen, noch het fluitspel ons hart raakten. Erg, als wij de raad Gods tegen onszelf blijven verwerpen. Is het dan niet eigen schuld, als wij verloren gaan? Ach, laat u nog waarschuwen. Straks toch wordt niet meer op de fluit gespeeld. Dan blijft er voor u niets anders over, dan een eeuwig klagen in de plaats, waar wening is en knersing der tanden. O als de schrik des Heeren u niet bewegen kan tot het geloof, hoor dan voor de laatste maal het fluitspel van het evangelie: Wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 juli 1969
Daniel | 11 Pagina's