8 - 16
Beste meisjes en jongens,
Weer is er een bondsdag voorbij. Wat is het snel gegaan.
Velen zullen, al lang van te voren uitgekeken hebben naar die dag. Hebben jullie het allemaal naar je zin gehad? Verschillende verenigingen zijn vast wel vroeg van huis gegaan om op tijd aanwezig te zijn. Met bus of trein of misschien wel op de fiets.
Allen naar Rotterdam, waar we opgevangen werden door de heer Boer, de koster, die ons een plaats wees en nog meer voor ons heeft gedaan o.a. voor drinken gezorgd en voor koffie voor de bestuursleden. Wij willen hem en zijn vrouw op deze plaats nog hartelijk daarvoor danken.
Ook de kerkeraad van Rotterdam-C. wordt heel hartelijk bedankt. U hebt ons in uw kerkgebouw willen ontvangen. Ik hoop, dat de meisjes en jongens van onze verenigingen goed hebben geluisterd naar hun leidsters en leiders, die het op zulke dagen toch al drukker hebben dan anders, om de banken netjes te houden.
De opening.
Om. 10.45 uur is onze bondsdag geopend door de voorzitter ds. v. d. Noort. We zongen Psalm 25 : 2, de domnee las Markus 10 vers 13—16 en ging voor in gebed. Wij werden. allen hartelijk welkom geheten op deze dag in Rotterdam. In het bijzonder ds. Karens en de heer Golverdingen, de beide sprekers, die ook een lange reis hebben moeten, maken om in ons midden te zijn. Hierna verklaarde de voorzitter ons het gelezen bijbelgedeelte in een kort openingswoord. Moeders brachten hun kinderen tot Jezus, maar volgens de discipelen op een ongelegen tijdstip. Jezus bestrafte hen hiervoor. De kinderen waren bij Jezus wel welkom.
Het is de plicht van ouders, onderwijzers, onderwijzeressen, leidsters en leiders de hun toevertrouwde kinderen naar Jezus te brengen. En. Jezus neemt het anderen zeer kwalijk, wanneer zij kinderen verhinderen tot Jezus te gaan. Het is een bijzonder voorrecht wanneer wij door Gods genade Jezus mogen dienen en Hem erkennen als de Christus. Zoekt Hem vroeg bij dagen en bij nachten, wij zijn nooit te vroeg of te jong, aldus ds. v. d. Noort.
Hierna werd een telegram voorgelezen, dat. aan de Koningin werd verzonden en zongen wij 2 coupletten van ons volkslied.
„De drie jonge1ingen”.
Hierna kreeg ds. Karens gelegenheid zijn verhaal te vertellen. Weten wij nog waar het overging, of zijn we het alweer vergeten? Nee toch, want het was zo mooi. Drie jonge mannen die niet voor een beeld willen buigen. Welke mannen zijn dit? Hun namen, zijn Sadrech, Mesach en Abednego. Het beeld moet voorstellen de grote machtige Nebukadnezar, de heerser van Baby-Ion en het is wel 30 meter hoog en gemaakt van goud, dat schittert in de zon.
Voor dit beeld, dat staat in het dal van Dura, vesting betekent dat, moet iedereen naar het bevel van de koning knielen. Hoor er klinkt muziek door het dal. Dat is het afgesproken, teken waarop iedereen moet knielen en dat doen ze ook. Iedereen? Nee, kijk drie mannen staan nog recht op. Zij hebben in hun hart gebogen voor een ander Beeld, n.1. het uitgedrukte beeld van 's Vaders zelfstandigheid. Het wordt spoedig aan de koning verteld door hun vijanden. Die hebben zij genoeg, want zij zijn onderministers en dat kunnen ze niet uitstaan; Het zijn nog Joden ook. De goden moesten wijzer zijn. Maar God is wijzer. De straf voor het niet knielen is gegooid worden in een heel heet vuur. De drie vrienden weten dat ook en toch zijn ze niet bang, want zij hebben de Heere lief en Hij zal over hen waken dat hen niets zal overkomen. Daar moesten ze al bij de koning komen. Hun wordt gevraagd waarop zij niet geknield hebben. Nu kunnen ze getuigen. van. hun Koning. Nebukadnezar wil hun nog een kans geven, maar zij blijven trouw aan hun eigen God. Wanneer ze dan toch niet voor het beeld willen buigen moeten ze gebonden worden met kleren en al. De oven moet zelfs zeven maal heter gestookt worden en het is zelfs zo erg dat de stokers dood neer vallen. Nu worden Sadrech, Mesach en Abednego in de oven gegooid, maar zij gaan in de mogendheid des Heeren door Zijn liefde. Het Kruis van Christus staat midden in de oven, want ziet daar, er is een wonder gebeurd, vier mannen zijn in de oven. Hoe kan dat nu? Een engel des Heeren is bij hen, zij worden door Hem bewaard. Alleen de touwen waarmee zij gebonden waren, zijn verbrand. Zij mochten uit de oven komen en Nebukadnezar wist nu dat de God van Israël machtiger is dan zijn goden.
Ds. Karens heeft dit verhaal op een boeiende wijze verteld. Meisjes en jongens we-
ten wij nog hoe ds. Karens ons heeft gewaarschuwd voor de overmacht van de wereld. Durven wij er vooruit te komen dat wij de Heere zoeken? Of proberen we er omheen te draaien: e wereld wat en God wat. Wij moeten een sprekend geweten hebben en getuigen in de wereld al is het op een nog zo eenvoudige wijze. Hierna hebben wij gezongen Psalm 105 : 5 en 6, waarna een zegen voor de maaltijd gevraagd werd en de ochtendvergadering met gebed werd gesloten.
's Middags heeft ds. v. d. Noort weer geopend met gebed en ook gedankt voor de gaven die wij tot ons mochten nemen. Hierna kreeg de heer Golverdingen gelegenheid iets te vertellen van
„Razaka een jongen van Madagaskar.”
Razaka is het zoontje van het dorpshoofd van Fihaonana. Zijn vader wil niets van het christendom weten. Hij is het eens met koningin Ranavalona, die alle zendelingen uit Madagasmar heeft weggestuurd.
Als Razaka een klein boekje met Evangeliën niet in het vuur wil gooien, jaagt zijn vader hem de deur uit. Hij komt terecht bij ouderling Ramitraha die de hele bijbel bewaart. Hij is door de zendelingen met de hand. geschreven in de taal van Madagascar. 's Avonds leest de ouderling de christenen er uit voor. In het geheim! Bij een overval geeft Ramitraha die bijbel aan de jonge Razaka. Hij moet de Bijbel bewaren, nu de vijand op de leiders van de christenen jaagt. Zo erg worden de vervolgingen, dat Razaka zich met de bijbel in grotten verbergt. Overdag leert hij stukken uit zijn hoofd, 's Nachts zegt hij die uit zijn hoofd op voor enkele christenen, die naar de grot komen. Ze durven geen licht meer gebruiken! Daarom moet Razaka de bijbelhoofdstukken wel van buiten leren. Koningin Ranavalona heeft al spoedig in de gaten, dat er nog een bijbel moet zijn. Hoe zwaarder de vervolgingen worden, hoe meer christenen er komen. Ze opent een grote jacht op Razaka. God bewaart hem. God zorgt voor Zijn eigen Woord. Soldaten komen, de grot binnen. Ze raken Razaka bijna met hun speren. Maar dan herinneren ze zich dat ze in een grot zijn waar pokkenpatiënten enkele jaren geleden zijn. verpleegd. Ze vluchten!
Een paar jaar later hoort Razaka weer stemmen. Het zijn de stemmen van christenen. Ze klinken blij. Ze roepen hem. De koningin is gestorven. Alle christenen zijn vrijgelaten na een tijd van vervolgingen van twintig jaar. Razaka, door God wonderlijk bewaard, wordt later predikant. Hij kende de Schrift bijna van buiten. Gods Woord houdt stand in eeuwigheid! Naar dit mooie verhaal is met heel veel aandacht geluisterd.
Sluiting.
Ds. Vergunst heeft de sluiting verzorgd door een kort slotwoord te spreken Hij wees er vooral op om Gods Woord biddende te onderzoeken. Ook wenste hij ons een goede reis terug en wenste Gods bewarende hand toe. Hij eindigde met gebed en liet nog zingen Psalm 150 : 1. Weer was er een Bondsdag voorbij en ik geloof wel dat wij er geen spijt van behoeven te hebben dat wij naar Rotterdam geweest zijn. Er zijn nog verschillende verenigingen naar de diergaarde „Blijdorp" geweest waar ze erg genoten hebben.
H. v. Voorst, secretaris.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 juni 1969
Daniel | 16 Pagina's