Het Woord gaat voort
De woorden der profeten.
De woorden der profeten. Jakobus, de broeder des Heeren, moet nu op de „eerste synode" van de christelijke kerk zijn toespraak houden, die doorslaggevend zal worden. Zijn rede is bijzonder leerzaam. We krijgen een goede kijk op het schriftgebruik der christenen in de oude tijd. Jakobus begint met te herinneren aan de bekering van Cornelius, die reeds door Petrus aan de vergadering is verteld. Dan gaat Jakobus uit de Schriften bewijzen, dat de bekering der heidenen niet alleen naar Gods w i 1, maar ook naar zijn Woord is, dat lang geleden „door der profeten wijzen mond" is gesproken. Hij beroept zich op de slotverzen van de profetie van Amos, 9 : 11 en 12. Daar spreekt de profeet ever een komende tijd van heil, waarin „de vervallen hut van David" weer zal worden opgericht door de Iieere. Dat betekent, dat God het in verval geraakte koningshuis van David eens weer in ere zal herstellen. Welnu, zegt Jakobus: at heeft Hij nu gedaan. Nu, want Hij heeft Zijn Zoon gezonden, Jezus Christus, Die heeft geleden, is gestorven en begraven, en uit de doden opgewekt, Welke is uit den zade D a v i d s. Hoe zou God het huis van David méér in ere hebben kunnen herstellen dan door Zijn eigen Zoon (die ook Davids Zoon was, zie b.v. Psalm 132!) te zetten op Davids glorietroon?
Dan volgt er iets vreemds. Op het eerste gezicht is het totaal niet te begrijpen. Jakobus haalt hier dus Amos aan. Maar wanneer we Amos 9 : 12 vergelijken met Handelingen 15 : 17, dan blijkt dat deze teksten nogal wat verschillen. De aanhaling van Jakobus is wel erg onzuiver. Kent hij zijn Bijbel zo slecht? Dat. kunnen we nauwelijks aannemen. Toch staat er in Amos: Opdat zij (d.w.z. het huis van David) erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom". Maar Jakobus haalt deze tekst aan als: Opdat de overblijvende mensen de Heere zoeken". Dat is niet hetzelfde, en zeker geen letterlijke aanhaling. Hoe is dit te verklaren? Er zijn twee mogelijkheden. De eerste is, dat Jakobus Hebreeuws of Aramees sprak, maar dat zijn v/oorden door Lukas, de schrijver van het boek Handelingen, in het Grieks vertaald zijn; de tweede mogelijkheid is, dat Jakobus in zijn toespraak de griekse vertaling van het Oude Testament citeerde. Dit lijkt misschien nogal onbelangrijk, maar het is echt niet overbodig dit goed tot je door te laten dringen. Immers, soms bemerken we, wanneer de schrijvers van het Nieuwe Testament (vooral Paulus) het Oude Testament aanhalen dat hun vertaling niet bepaald nauwkeurig is te noemen. Het kan je wel eens wat verontrusten. Waren de Bijbelschrijvers dan zo slordig in hun Schriftgebruik?
Neen, dat is niet zo. Om deze moeilijkheid te begrijpen, moeten wij bedenken, dat de christenen van het eerste uur, zoals Paulus en Lukas, hun Oude Testament vrijwel altijd lazen in de griekse vertaling. Deze vertaling heet de Septuaginta, en is ca. twee eeuwen voor de geboorte van de Heere Jezus in Alexandrië ontstaan. Dat was dus voor de eerste christenen de Bijbel, of, zoals zij het noemden, de „Schriften", „Mozes en de Profeten". Welnu, als we nu bemerken dat de schrijvers van het Nieuwe Testament het Oude Testament wel eens wat „vrij" citeren, dan komt dit meestal omdat zij de Septuaginta gebruiken. Dit terzijde.
Jakobus mag dan niet precies de w oorden van Amos gebruiken, hij bedoelt toch wel hetzelfde. Amos heeft het oog op de heerlijke en wereldwijde uitbreiding van het volk van God na de komst van de Messias, en dit wil Jakobus ook zeggen. Doordat hij zich op Amcs beroept, wil hij zeggen: wij bewegen ons in de lijn van het Woord van God. Wat hier gebeurd is (de zendingsreizen), wel, dat is niet, anders dan de vervulling van Amos' profetie. En als wij leven als Jakobus, de broeder des Heeren, bij het Woord van God, dan leven wij ook in Zijn gunst. Het is een zegen, als wij ook in öns leven Gods Woord in vervulling zien gaan; dan zien we tegelijk, dat het „De Heere is, Die dit alles doet" (vs. 17). De oorzaak van zoveel troosteloosheid, ellende en dorheid in ons leven is, dat we God niet zoeken in Zijn Woord.
Wat een heilloze stappen doen wij vaak; stappen die beslissend zijn op de keerpunten van ons leven; en als we dan die stappen onherroepelijk hebben gezet en niet meer terug kunnen, dan, ja dan gaan we misschien eindelijk tot de Heere met de vraag: Heere, is het goed? Wilt U deze stap zegenen? Jawel, maar ondertussen is
het ónze stap, het is ónze weg, waarnaar God Zich heeft te schikken. Dat moet, dat mag zo niet. Geen stap mogen we doen, als we niet weten dat het Woord deze weg wijst. Anders verstikt en verkommert ons leven.
Tenslotte adviseert Jakobus de vergadering, de bekeerde heidenen niet te „beroeren", d.w.z. hen niet t.e dwingen zich te laten besnijden. Nu Christus is gekomen, moeten de Joodse christenen maar leren met hun broeders uit de heidenen om te gaan als leden van hetzelfde lichaam, al zijn die broeders dan ook onbesneden. Nu is de beslissing gevallen. Het pleit is beslecht, nu de zeer geziene „broeder des Heeren" heeft gesproken. Men wéét nu, dat de Heere zélf heeft gesproken. Daarom hebben deze broeders de vrijmoedigheid, om een brief te schrijven aan de gemeente in Antiochië, waarin zij de zeer gedurfde woorden gebruiken: Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht " (vs. 28). Grootsprekerij? Eigendunk? Neen. Deze mannen willen de Geest niet schikken naar hun hand, maar vanuit de goedkeuring des Geestes hebben zij nu óók zekerheid. Het heeft de Geest goedgedacht, en daarom ook ons; niet omgekeerd. Op voorstel van Jakobus wordt nu dus een brief geschreven aan de gemeente van Antiochië, die immers raad had gevraagd. Kort gezegd, komt het advies hierop neer: Broeders, ge behoeft u niet te laten besnijden. Om echter de omgang met de joodse broeders mogelijk te maken, moet ge u wel van enkele dingen onthouden, die deze joden een gruwel zijn. Het zijn vier zaken waarvoor ge u moet wachten: an vlees, dat aan de afgoden is geofferd; van bloed (d.w.z. vlees, waarin het bloed nog aanwezig is); van het verstikte (d.w.z. het vlees van dieren, die door verstikking zijn gedood i.p.v. door slachting); tenslotte vragen wij u te wachten van de gruwel van hoererij". Dat is de verkorte inhoud van de brief die we lezen in Hand. 15 : 23-29.
De scheiding.
Deze brief wordt namens de gemeente van Jeruzalem in Antiochië door twee mannen aan de gemeente daar overhandigd. Deze mannen, het zijn „profeten", zijn Judas en S i 1 a s. Van deze Silas zullen we nog veel horen. Hij wordt de metgezel van Paulus op diens latere reizen. Er ontstaat (begrijpelijk!) grote vreugde in de gemeente van Antiochië, als daar de brief van Jeruzalem wordt voorgelezen. De twee voorgangers Judas en Silas blijven nog een tijdje in Antiochië. Zij gaan ook voor in de samenkomsten van de gemeente.
En dan bevalt het Silas daar zó goed in die prachtige gemeente, dat hij niet meer naar Jeruzalem terugkeert. Hij blijft in Antiochië. 't Moet daar toch wel een gemeente geweest zijn om jaloers op te worden.
Na enige tijd komt bij Paulus het verlangen op, de gemeenten, die zij op hun eerste zendingsreis hebben gesticht te bezoeken, om te zien hoe het daar gaat. Dan volgt er een triest verhaal. Barnabas gaat graag mee, maar hij stelt voor zijn neef Johannes Markus mee te nemen, die hen op de eerste zendingsreis in de steek had gelaten. Moesten zij hem toch nog niet een kans geven? Het voorstel is typerend voor de zachtmoedige en liefdevolle Barnabas, maar bij Paulus valt het direct in verkeerde aarde. Halve helpers zijn tegenwerkers, vindt hij. Maar hiertegen verzet Barnabas zich weer heftig. Ik hoor hem vragen: Paulus, hoevaak hebben jij en ik de Heere niet verdriet gedaan? Telkens heeft hij ons weer in Zijn ontferming aangenomen. En zou jij nu je broeder niet weer willen aannemen? Maar Paulus is onvermurwbaar. En zo ontstaat er een felle woordenwisseling, die uitloopt op een scheiding. Als Markus dan niet meemag, dan hoef je op mij ook niet meer te rekenen, zegt Barnabas tenslotte verbitterd. En zij gaan uit elkaar Dit staat niet opgeschreven ter navolging, al krijg je soms wel eens die indruk als je om je heen ziet. Overigens spreekt de Schrift geen oordeel uit over deze twist. Het is een trieste zonde van twee kinderen Gods. We zullen ons er niet in verdiepen, wie „het recht aan zijn kant heeft", al gaat mijn sympathie in dit geval wel uit naar Barnabas. Dit is zeker: als de beide mannen op dit moment hadden gelééfd uit het woord: „niet meer ik, maar Christus leeft in mij", dan was er geen ruzie gekomen. Zodra het in ons leven wordt „niet Christus, maar ik", dan vallen de brokken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1969
Daniel | 16 Pagina's