Groei naar het huwelijk
ln verschillende brieven komt de vraag naar voren of we eens enkele goede boeken willen noemen over onderwerpen als de omgang van verloofden en de voorbereiding tot het huwelijk. Zo terloops hebben we jonge ouders al , , Hoe vertellen we het onze kinderen? " van prof. Waterink aangeraden. Deze keer willen we iets zeggen over een prachtig boekje van Dr. W. Aalders: „Man en vrouw schiep hij ze", uitgegeven bij Voorhoeve in Den Haag. Dit werkje omvat eigenlijk drie hoofdstukken; het eerste gaat over de omgang tussen jongens en meisjes, het tweede over het huwelijk en het derde over de ongehuwden. In dit artikel willen we iets weergeven van het eerste hoofdstuk. Omdat dr. Aalders zo bijzonder goed de kunst verstaat zijn gedachten duidelijk onder woorden te brengen, citeren we hem meestal letterlijk, zonder dat we dat telkens met aanhalingstekens aangeven.
De mens is geen dier.
Dat ik mij allereerst richt tot de jonge mensen, tot de jongens en meisjes, is vanzelfsprekend. Want om in de volwassenheid opgewassen te zijn tegen de zware en hoge opgaven van het man-en vrouw-zijn, daarvoor is een langdurige voorbereiding nodig. Het zijn immers niet als bij de dieren de ontwaking der sexuele driften en de geslachtsrijpheid, die een mens volwassen maken. Het man-en vrouw-zijn omvat oneindig veel meer dan kinderen te kunnen verwekken en ter wereld brengen. Het huwelijk is naar zijn wezen iets anders dan paring.
Het heeft dan ook een diepe zin, dat om de sexualiteit en do lichamelijke werkelijkheid de sluier van de schaamte ligt. Het dier kent die schaamte niet; wèl de mens. De schaamte bewaart de mens ervoor om het lichaam en de driften alleen „dierlijk" te beleven. In de schaamteloosheid ontwaardigt men het lichaam en leeft men als de beesten. Het is slechts de diepe, zuivere en hechte gemeenschap van het huwelijk, die de schaamte opheft. En de huwelijksgemeenschap is vóór alles een geestelijke zaak!
De voorbereiding tot de volwassenheid van man en. vrouw draait dus vooral om twee vragen:1) is de mens geestelijk zo ver gerijpt, dat hij in staat is tot gemeenschap? Kan hij van een „ik" tot een „wij" worden? Kan hij loskomen van de instinctieve ik-bepaaldheid en een ander mens in zijn leven opnemen? 2) Is de mens innerlijk zo gegroeid, dat hij weet heeft van de strijd tussen lichaam en geest, en is hij enigermate geoefend in de onderwerping van de instinctieve driften aan geestelijke waarden?
De jaren die aan de volwassenheid voorafgaan, zijn dus zeker geen nutteloze jaren. Ze kunnen juist zeer belangrijk zijn en van beslissende betekenis voor het toekomstige levensgeluk. Daarom is het zo jammer om jongens en meisjes deze tijd met zoveel ongeduld en haast te zien doorleven, in het verlangen om maar zo spoedig mogelijk te mogen delen in alles wat het volle leven een mens te bieden heeft. Alles heeft zijn eigen tijd, en het is wijs om niet op de tijd vooruit te lopen. Hoe groot is de zegen, die ligt in het geduldig profijt trekken van de rij pingsmogelijkheden van de jaren der jeugd.
Juist in zijn jonge jaren heeft de mens, méér dan in enige latere levensperiode, een ontvankelijkheid en teerheid van geest, die hem in staat stelt om de elementaire levenswaarden diep in zich op te nemen en zich eigen te maken. Wie het onschatbare voorrecht heeft in een goede omgeving te mogen opgroeien en daar met voorbeeld en woord onderricht te worden „in de vreze des Heeren" en in de liefde en achting tot de medemens, die heeft bij het volwassenworden een scholing achter de rug, waarin de grondslagen van het karakter zijn gelegd en waarvan men de zegenrijke vruchten plukt in de vaak zoveel moeilijker, verwikkelder en veeleisender verhoudingen van het latere leven.
Die voorbereiding is onmisbaar. Zonder haar is elke vriendschap en zeker elk huwelijk tot mislukking gedoemd! Want, vanzelf ontstaat gemeenschap niet en nooit. Wat een leugens liggen er daarom in al die amusementsversjes en romannetjes, die het huwelijk sentimenteel verheerlijken als een droom van genot! Zoals elke
gemeenschap is ook het huwelijk een moeizame, geestelijke verwerving, een zware opgave, een harde strijd. Gemeenschap is een tempel, waaraan vaak jaren gebouwd moet worden en die zijn fundamenten heel diep in de bodem van ons leven heeft liggen.
Gemeenscnap vooronderstelt innerlijke persoonlijkheid, karakter, zielsbeschaving. Zij vraagt concentratie van het gevoelsleven, sterkte van wil, trouw aan het gegeven woord, diepte van hart. En waar kan dat anders in een mens gewekt worden en groeien dan daar, waar de grenzen en beperkingen in de omgang der geslachten in acht wordt genomen? Het voortijdig grijpen naar heimelijke intimiteiten, het spel der hartstochten, het toegeven aan de weekhartigheid der verliefdheid maken het onmogelijk dat het karakter rijpt. Neen, wanneer men leert, om in plaats van te grijpen naar de onmiddellijke vervullingvan zijn wensen, zich te beheersen in zijn gevoelens en gedragingen en woorden, eerst dan groeit men uit tot een sterke en bezonnen persoonlijkheid; eerst dan rijpt het leven tot grote en echte liefde.
De waardering van ons lichaam.
Nu willen wij nadenken over de voorbereiding in het lichamelijke leven tot de volwassenheid en het huwelijk. Van hoeveel betekenis is het, dat ouders hun kinderen helpen de juiste verhouding te vinden tot de lichamelijke werkelijkheid! Niet spreken met het kind over deze dingen betekent het kind alleen laten met gevoelens, die het niet de baas kan, en die soms een totaal scheve voorstelling over het lichaam en de sexualiteit kunnen doen ontstaan. Leids hen voorzichtig en tactvol binnen in de wereld van het lichaam met al haar mogelijkheden en gevaren. Wijs hen de weg door dit labyrinth.
Tot de volwassenwording behoort het om als mens de juiste verhouding tot het lichaam te vinden. Wij moeten leren om ons lichaam niet te verachten als iets minderwaardigs, maar het ook niet te overschatten als het één en het al. Het wordt in de Bijbel zo mooi uitgedrukt: Verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden" (Rom. 13 : 14), d.w.z. we moeten ons lichaam verzorgen, maar niet tot begeerlijkheid. Verzorging van het lichaam is niet alleen toegestaan, maar zelfs geboden. Echter niet tot prikkeling van de vleselijke lusten. Dit vraagt van ons een verantwoorde lichamelijke levensstijl.
Daartoe behoort zeker ook de wijze, waarop wij ons kleden. Het kleed is er ook om de waardigheid en gratie van het lichaam te onderstrepen en de menselijke persoonlijkheid tot uitdrukking te brengen. En een kleding, die zo geraffineerd mogelijk de vormen van het lichaam suggereert en de ongedisciplineerde zinnelijkheid van de mens opwekt, is een verloochening van de geestelijke bestemming van d.e mens. Zij verlaagt het lichaam tot lijfelijkheid.
Hoe belangrijk de eerste ontwakingstijd van het lichaam ook is, bij het naderen van de volwassenheid vermenigvuldigen zich de vragen en moeilijkheden. Vooral bij de jongen en d.e man kan de sexuele drift een kwelling worden, die hem in diepe nood kan brengen. Hoeveel strijd moet er niet gestreden worden om de hartstocht te weerstaan. Men vervalt zo licht tot geheime gewoonten in het toegeven aan de onreine lust. En het gevolg is knagend zelfverwijt, schuldgevoel en eenzaamheid.
Bij het meisje zal dit probleem zich zó meestal niet voordoen. De lichamelijke rijping zal bij haar vooral tot uiting komen in het verlangen, om óók iets te leren kennen van die geheimzinnige wereld van het onbekende en vaag vermoede contact met hei andere geslacht. De strijd van het meisje is erin gelegen, om aan dit verlangen naar „avontuur" niet toe te geven, maar' afstand te bewaren. Slechts dat meisje wordt geheel vrouw in zuiverheid en diepte van hart, en tegelijk een sterke persoonlijkheid, die haar waardigheid niet prijs geeft in een oppervlakkig spel van sentimentaliteiten en intimiteiten, maar zich rein en trouw bewaart voor het laatste grote vertrouwen. Daar is een sterk karakter en een grote zielebeschaving voor nodig. Temeer waar het verlangen om te trouwen diep in haar hart leeft en zij angst en twijfel in zich kan voelen opkomen, of het huwelijk wel voor haar is weggelegd. Door en door onwaar en misleidend is de redenering, dat de inspanning om onze geestelijke waardigheid tegenover de macht van het lichaam te handhaven, tegennatuurlijk en schadelijk voor de gezondheid zou zijn! Dat deze strijd spanningen oproept is zeker. Maar gaat de rijping' van de menselijke persoonlijkheid niet altijd gepaard met offers? De jonge mensen willen deze strijd strijden. Wat zij echter van de ouderen vragen is, dat men het hen telkens opnieuw zegt, dat deze strijd de moeite waard is om gestreden te worden en dat men hen duidelijk maakt wat het doel en de zin van die strijd is.
G. en S. T. v. Malkenhorst,
Bleulandweg 298, Gouda.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1969
Daniel | 14 Pagina's