Het Woord gaat voort (16)
zo kunt gij niet zalig worden !
Eindelijk terug.
De eerste zendingsreis van Paulus en Barnabas is ten einde. De reis heeft hen gevoerd over Cyprus en door Klein-Azië. Vooral in Azië is het Woord soms met zeer rijke vrucht gepredikt. Nu gaan de zendelingen „op huis aan". Nou ja eigenlijk hebben de mannen niet eens een eigen thuis. Waar woont Paulus nu in feite? In Jeruzalem? Nee, In Tarsus? Hij is er geboren, ja, maar hij komt er vrijwel nooit. Als hij niet op reis is (en wanneer is hij dat niet? ), dan verkeert hij blijkbaar nog het liefst in Antiochië, die heerlijke, van geestelijk leven en zendingsijver bruisende gemeente in Syrië. Maar nu komt er dan een tijd, waarin de frontstrijders zich mogen terugtrekken op het „thuisfront". Dat doen ze, maar niet alvorens ze in elke pas gestichte gemeente ouderlingen hadden verkozen. Lees maar Handelingen 14 : 23. Dat ging gepaard met „opsteken der handen". Wc zullen dat zo moeten verstaan, dat de zendelingen deze ouderlingen kozen, en niet de gemeente. Dat „opsteken der handen" slaat dus niet op een soort hoofdelijke stemming door de gemeenteleden. De gemeente was nog zo jong, en het geestelijk onderscheidingsvermogen zo zwak, dat de twee predikers zélf voorlopig de verkiezing maar behartigden. In de meeste gevallen waren die ouderlingen de mannen, die het eerst aan de oproep tot bekering gehoor hadden gegeven, de zgn. „eerstelingen". Ook deze verkiezing gaat nu weer gepaard met dat „bidden en vasten". Geen overbodige zaak bij zoiets belangrijks als een verkiezing van ambtsdragers!
Zodra de zendelingen dan eindelijk in Antiochië zijn gearriveerd, laten ze daar de
gemeente samenroepen. Als dat gebeurd is, nemen zij het woord en vertellen hun ongetwijfeld ademloos luisterende vrienden, „wat grote dingen God met hen gedaan had".
Daaruit blijkt al welke strekking hun relaas heeft gehad. Neen, daar is met geen woord gerept over „Paulus' goeie preek in Antiochië", of over „Barnabas' krachtige taal in Dcrbe", of iets van dien aard. God de Heere, Die hen heeft doorgeholpen, krijgt al de eer. En het grootste is, dat Hij de heidenen de deur des geloofs geopend heeft. Ja, want dat was toch het doel van hun reis geweest! Wat een heerlijke avond zal dat zijn geweest, die „zendingsavond" in Antiochië! Ik stel me voor, dat het gebouw, waarin de gemeente was samengekomen, aan het eind van de avond heeft gedreund van de lofzangen, Gods naam ter eer.
Een domper op de vreugde.
IIet is een blijde tijd voor Paulus en Barnabas, Ze blijven lange tijd in do kring van deze gemeente, die hun in korte tijd zo lief geworden is. Ze versterken de broeders en zusters door hun verhalen en door hun prediking. Do gemeente is vervuld van blijdschap, want allen voelen: hier gaat de Geest Zijn onnavolgbare, maar heerlijke gang. En dan valt er ineens een inktzwarte schaduw over al dit licht. Je proeft alleen het verschil in sfeer ai, wanneer je de laatste verzen van hoofdstuk 14 en dan de eerste van hoofdstuk 15 leest. De atmosfeer verkilt. Hoe komt dat toch, dat de vrede, en de oprechte blijdschap, de éénheid in de Heere, altijd maar zo kort duurt, als ze er al is? Jc bent op een vergadering. Het gesprek is fijn, de band is goed, ja, er is zelfs iets te bespeuren van de aanwezigheid van de Heilige Geest. Dan zegt er opeens iemand iets. 't Kan best nog rechtzinnig zijn ook wat hij zegt, hoor.
Maar het valt als een steen in een rimpelloze vijver. En wég is alles! Wé begrijpen elkaar niet meer, het gesprek loopt vast, de liefde loopt weg uit onze harten. Iemand waagt nog een wanhopige poging, maar hij stuit alleen maar op onbegrip, wantrouwen en tweedracht. Wie kent zulke situaties niet? En d.e duivel loopt weg, in z'n handen wrijvend van plezier. Het is kapot!
Iets dergelijks gebeurt in Antiochië. Op zekere dag komen er een paar mannen aan in d.e stad, die zich bij do gemeente voegen en de samenkomsten bezoeken. Het zijn Joden uit Judea. Hun boodschap is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: „Jullie heidenchristenen (ze bedoelen eigenlijk gewoon heidenen!), als jullie je niet Iaat besnijden, dan geven we voor jullie bekering geen cent. Dan kunt ge niet zalig worden! Wèg is de vrede in de gemeente. Hevige consternatie! Ja, wat wil je: de zaligheid staat op het spel. Als Paulus en Barnabas echter horen wat er gaande is, zijn ze onmiddellijk gealarmeerd. Hier gaat het maar niet om een ondergeschikt punt, maar om het hart van het Evangelie, gevoelen ze. En ze gaan buitengewoon fel in tegen do woorden van de pasaangekornen Joden. Het kwaad is echter al geschied: er is een groeiende tweedracht ontstaan. Hoe kan dat nu zo plotseling? Als we dit goecl willen verstaan, dan moeten we beseffen dat het Christendom uit het Jodendom is voortgekomen. Aanvankelijk waren alle christenen joden! En nu is het echt wel begrijpelijk, dat er voor die joden, die christenen geworden waren, enorme problemen rezen. Velen bleven vasthouden aan de ceremoniële wetten, omdat het hen nog niet duidelijk was, dat met het werk van Christus die wetten hun vervulling hadden gevonden.
Sommigen was dit wel duidelijk. Dat gaf al wrijvingspunten. Nog moeilijker lag het met het probleem van de besnijdenis. Echt acuut werden de moeilijkheden pas toen de Heilige Geest zeer duidelijk te kennen gaf, dat het Evangelie óók aan heidenen moest worden gepredikt. Tot dusver moest elke heiden, die volwaardig Israëliet wilde worden, zich laten besnijden. Moest elke heiden, die volwaardig Christen wilde worden, zich nu óók laten besnijden? Zie, hier kwamen de problemen. Voor een echte Israëliet was omgang met de „onbesnedenen" een gruwel. Maar een c h r i s t e n-Israëliet, die met een onbesneden christen in aanraking kwam, zag zich vaak voor grote gewetensconflicten gesteld. We hopen in de toekomst nog wel te zien, hoe Paulus staat tegenover het besnijden van heidenchristenen. Soms laat hij het wel doen, meestal niet. Dat is dus wat ingewikkeld, maar daar komen we vanzelf nog op. In dit geval is hij echter resoluut: met alle kracht die in hem is, verzet hij zich tegen het groepje „Judaïsten" (dat zijn o.a. christenen, die aandringen op het blijven onderhouden van de gehele Wet van Mozes). Waarom is hij zo fel? Wel, omdat hij voelt dat de rnotieven van deze onruststokers (want dat zijn het) niet zuiver
zijn! Hun eis tot besnijdenis komt niet voort uit bewogenheid of uit een zwak, niet zuiver oordelend geloof, maar uit geestdrijverij, ja, zij verloochenen zelfs de Heere Jezus Christus als enige Zaligmaker! Zij zeggen immers: „Als ge u niet laat besnijden, zo kunt gij niet zalig worden!" Je moet ook eens opletten, dat Lucas hen geen broeders noemt. Hij heeft het over „sommigen, clie afgekomen waren van Judea".
Het zijn geen echte christenen, óf zij hebben van het christelijk geloof een bitter klein beetje begrepen. Zulke mensen zijn er nog. 't Zijn niet de gemakkelijkste. Zo hebben vaak heel veel, maar nóóit do liefde. Hun godsdienst bestaat uit doen en laten (vooral dat). Het „indien gij niet (vul maar in) zo kunt gij niet zalig worden" ligt hen voor in de mond. Maar nooit vullen ze in: „Indien gij niet in de Heere Jezus gelooft als de enige Middelaar". Nee, het wetticisme is nog niet dood; het zal ook niet sterven zolang deze wereld bestaat. Laten we onszelf beproeven. We moeten niet denken dat God Zijn Zoon zóveel heeft laten lijden, om dan nog toe te staan dat wij een andere grond voor onze zaligheid zouden willen leggen dan die gelegd is, nl. Jezus Christus en Die gekruisigd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1969
Daniel | 16 Pagina's