KERKMUZIEK (slot)
Dorisch, lydisch.
Reeds in de 4e eeuw werden de eerste wetenschappelijke grondslagen van de kerkmuziek vastgesteld.
Ambrosius van Milaan gaf aan de eerste vier kerktoonaarden hun samenstelling, en bovendien namen naar de Griekse provincies in Klein-Azië, n.1. dorisch, phrygisch, lydisch en mixolvdisch.
Deze namen vinden we nu nog in sommige psalmboekjes en in bijvoorbeeld het koraalboek van J. Worp boven de psalmen. Deze kerktoonaarden, of toonladders, zijn reeksen van 8 tonen, waarvan de samenstelling voor iedere kerktconaard weer verschillend is. Wanneer we dus van een dorische melodie spreken (de melodie van Psalm 33 bijvoorbeeld), dan bestaat deze melodie uit tonen die genomen zijn uit de dorische reeks van 8 tonen. De overige kerktoonsoorten, zoals hypo-dorisch, jonisch enzovoort, werden in later eeuwen ontwikkeld door Paus Gregorius en de Zwitser Glareanus.
Met of zonder begeleiding.
In de eerste eeuwen na Christus werd er in de kerk gezongen zonder begeleiding. En niet alleen de gemeente, maar ook de later ingevoerde koorzang was a capella. Van verschillende kerken en kloosters is het echter bekend, dat ze in de 9e eeuw een orgel(tje) bezaten. Aanvankelijk waren deze orgeltjes verplaatsbaar, men spreekt dan van een portatief, later kregen de orgels een grotere omvang en gaf men ze een vaste plaats, en worden dan positief genoemd.
Het is bekend dat de kerk der Reformatie naast het afschaffen van tal van gebruiken uit de Roomse Kerk, ook de orgels het zwijgen oplegde. De gemeentezang werd echter in ere hersteld. Calvijn schreef hiervan: „Wij wensen dat de psalmen in de kerk worden gezongen, zoals wij daarvan in de oude kerk een voorbeeld hebben; en volgens het getuigenis van Paulus, die zegt dat het goed is om te zingen. Het zingen van de psalmen kan onze harten tot God opheffen". Het is dan ook geen wonder dat Calvijn alles in het werk stelde om tot een psalmberijming te komen, die geschikt was om door een gemeente gezongen te worden. De berijming van het Geneefse psalmboek is van Clement Marot en Theodore de Bèze, de melodieën van Louis Bourgeois en Maistre Pierre.
Zingen na de Reformatie.
In 156(5 werden naar dit voorbeeld de Psalmen, bewerkt door Datheen, in Nederland uitgegeven. Een uitgave, die zich ondanks veel kritiek, tot op deze dag wist te handhaven. Op deze wijze ging men dus in de Nederlanden naar het voorbeeld van Genève, op hele en halve noten, de psalmen zingen, vanzelfsprekend ook hier zonder orgel. De Dordtse Synode van 1574 had immers het orgelspel verboden, en latere synodes drongen er op aan dat de orgels weggenomen zouden worden. Maar de synodes gaven ook andere richtlijnen voor het psalmgezang. Waar scholen waren, moest de schoolmeester de kinderen de wijzen leren, dan konden de ouderen met de kinderen meezingen. Maar veel scholen waren er helaas niet in die dagen, zodat de richtlijn gegeven werd om bij het ontbreken van een school, een voorzanger aan te stellen. Het kwam ook voor dat men helemaal niet zong, zoals in Jutphaas in 1619, waar geen voorzanger was, omdat de koster niet kon zingen en de predikant een valse stem had. Wellicht was Jutphaas in deze tijd geen uitzondering.
Gebruyck van ’t orgel in de kercken.
De strijd om de orgels duurt echter voort. In 1634 beroept Voetius zich op de synodebesluiten om d.e orgels te verbannen, wat niet verhindert, dat in 1637 het orgel van d.e Hooglandse Kerk te Leiden weer gebruikt wordt voor begeleiding van de gemeentezang. Enkele kerken volgen, maar de stoot tot een algemeen gebruik gaf Constantijn Huygens met zijn boekje „Gebruyck of Ongebruyck van 't orgel in de kercken der Vereenighde Nederlanden" in 1641. Nu blijkt pas duidelijk hoe groot de chaos was. Huygens schrijft o.a.: „Inderdaad, het laat zich onder ons veeltijds aanhoren, als of er meer gehuild of geschreeuwd, dan menselijk gezongen wordt". Bovendien geeft hij richtlijnen voor het orgelspel. Het voorspel moet dienen om de gemeente „de toon in de mond te leggen", verder zegt hij er van: „10 of 20 maten min of meer vooruit, fuugsgewijs gezet op het thema der melodie". Rake opmerkingen die een juiste typering geven van het kerkelijke orgelspel, en die ook nu nog (of juist nu? ) aktueel zijn.
Rond 1773.
Er heeft zich nog heel wat afgespeeld op het kerkelijke erf rond het orgel, de organisten en niet in het minst de zang der gemeente. In 1773 kwam de bekende berijming tot stand. Men kan er van zeggen dat de psalmen beter zingbaar werden. Ongeveer tegelijkertijd waren er echter verschillende , , musici" die weinig eerbied hadden voer de melodieën van het Geneefse Psalter, zoals blijkt uit de titel van een uitgave van 1775: „De CL Psalmen met de Lofzangen naar de nieuwste Dichtmaat, als bevallige Ariaas, in den Italiaanschen smaak, opnieuw samengesteld en op Muzijk gebragt, door Mr. J. Verschuere Reynvaan, Practiserend Advocaat". Alsof ook de psalmwijzen niet tot het erfgoed der vaderen behoren.
Kerkmuziek in onze gemeenten.
In onze gemeenten verschilt de kerkmuziek niet zoveel van die uit de tijd van Huygens. Orgelspel voor en na de dienst, voor-, tussen-en naspelen waren ook toen reeds in gebruik. We zijn in de ogen van velen ook in dit opzicht oer-ouderwets. Maar is een ruimere plaats voor de kerkmuziek in de liturgie dan de maatstaf voor de waarde die men er aan toekent? Zou ook hier de kwaliteit niet belangrijker zijn dan de kwantiteit? Dit houdt niet in, dat er reden is om alles maar te laten zoals het al zolang is.
Er ligt hier voor iedereen in onze gemeenten een taak. Van de 150 Psalmen kunnen we er hooguit 100 zingen, de andere 50 zingen we niet, omdat het bijvoorbeeld zo'n moeilijke wijs is. Maar er moet natuurlijk wel een goed orgel staan, want bij een onzeker geluid kun je nu eenmaal niet goed zingen. En een goed orgel vereist een organist, die wat verder gekeken heeft dan het Koraalboek van Worp, want hij moet de Lofzang Gods op verantwoorde wijze kunnen begeleiden. Om met Augustinus te spreken, hij moet begeleiden, als d.e gemeente zingend bidt.
Kerkmuziek, dat de Heere ons lere, hoe wij deze schone kunst tot Zijn eer dienen te beoefenen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1969
Daniel | 16 Pagina's