HET WOORD GAAT VOORT (10)
Saulus wordt Paulus
Say lus wordt Paulus
Tweeërlei kinderen.
Saulus noemt Elymas, de tovenaar, een „kind des duivels", zo zagen we vorige keer. De Bijbel spreekt slechts van tweeërlei kinderen: kinderen van God en kinderen van de duivel. We zouden daar nog even over spreken. Iedereen, clie niet de verzoenende kracht van Christus' bloed in zijn of haar leven heeft ervaren, is een kind van de duivel. Dit klinkt hard; het is ook hard, maar onze ogen ervoor te sluiten betekent geestelijke struisvogelpolitiek bedrijven. Levensgevaarlijk is het ook, te redeneren van Gods kant uit, zo van: de wedergeboorte kan best reeds in je leven hebben plaats gegrepen, zonder dat de betekenis van Christus voor je hart is geopenbaard. Als we zo spreken, spelen we met vuur, erger nog: met kostbare mensenzielen. We moeten goed beseffen dat het hier niet genoeg is, uit het „Sodom deizonde" te zijn geleid; alleen dit kan het gericht Gods verdragen, dat wij ons geborgen weten in het „Zoar der behoudenis", dat wij weten in Wie wij geloofd hebben: in de Ileere Jezus Christus. Dit legt over ons leven een geweldige, maar ook heilrijke spanning: daarnaar, naar deze volle verzekerdheid des geloofs, hebben wij allen te staan, en naar niets minder.
Waar ik tenslotte nog even aandacht aan wilde schenken i.v.m. de uitdrukking „kind. des duivels", is dit: een „kind van de duivel" staat niet in dezelfde relatie tot zijn „vader" als een kind van God. Het is pertinent verkeerd, hier fatalistisch te redeneren op deze manier: God heeft een bepaald aantal mensen verkoren tot geloof, dat zijn nu Zijn kinderen. De rest der mensheid heeft Hij aan de duivel overgelaten, dat zijn nu de „kinderen des duivels". Deze redenering schakelt elke gedachte aan schuld aan 's mensenkant uit. Immers: kinderen van God worden wij uit loutere, grondeloze genade en ontferming des Heeren, maar kinderen van de duivel zijn we nooit zonder ons eigen toedoen. Het is zo dat de satan zich van mijn hart meester kan maken, jawel, maar ik mag nooit vergeten, dat ik altijd eerst zelf de deur van m'n hart openzet cm hem binnen te laten. Het is niet zo, dat ik, arme zondaar, door die valse duivel overrompeld word, en dan zondig - neen, heel mijnverdorven hart staat open en is vatbaar voor zijn influisteringen. Ik ben wel eens bang, dat met. name de Pinksterbeweging dit laatste nogal eens vergeet als men spreekt over „gebondenheid door satan" en over zonde. Verlossing door het bloed van Christus is in deze kringen, vrees ik (ik hoop dat het anders is!) méér een bevrijd worden van de machten van satan dan een gewassen worden van zonde en vrijgesproken worden van schuld. Maar ik dwaal af!
Die ook Paulus genaamd is...
Omdat Saulus achter de stem van Elymas de stem van de satan zelf hoort, is zijn reactie zo scherp. De Heere zelf zet tegenover een Elymas, kind des duivels, vol van alle bedrog en arglistigheid (vs. 10) een Saulus, kind des Heeren, vol van de Heilige Geest (vs. 9)! En de botsing die volgt is hard. Hevig is het verwijt dat Saulus de tovenaar maakt: hij „verkeert de rechte wegen des Heeren".
En daarom: de hand des Heeren is tegen hem! Wee ons, wanneer de hand des Heeren tegen ons is. De slagen die dan vallen komen hard aan. Maar als Zijn hand met mij is, dan spring ik met mijn God overeen muur. Het is voor ons als het goed is, zo belangrijk hoe Gods oog staat en wat Gods hand doet. Omdat Elymas het werk des Heeren trachtte te vernielen, wordt hij gestraft. Hij heeft gestreden tegen het Licht der wereld, welnu, dan zal hij het „licht der wereld" niet zien voor een tijd. Blijft hij dan strijden tegen Gods genade, blijft hij de rechte wegen des Heeren verkeren, dan zal hij geen licht meer zien in der eeuwigheid.
Sergius Paulus is verpletterd over deze ontwikkeling der gebeurtenissen. Hij is verslagen over de leer des Heeren, staat er. Vreemd! Wij vinden de „leer" nu meestal niet direct iets, om verslagen over te zijn! In d.e eerste plaats komt dit, omdat wij bij „leer" direct denken aan een of ander leerstellig systeem over dogmatische zaken. Dat is niet juist. In de Bijbel is de „leer" nog iets, dat kracht en leven ademt, de „leer des Heeren", is elke onderwijzing die van God uitgaat, het is heel de Schrift. De ganse Schrift is eigenlijk Thora, leer, onderwijzing, Wet. In de tweede plaats: zijn wij vaak niet zó gewend ge-
raakt aan de verkondiging en het onderwijs des Heeren, dat we er eenvoudig niet meer verslagen over kunnen worden? We hebben het alles al zo vaak gehoord. Het is Tweede Kerstdag 1968, nu ik dit artikeltje schrijf. Het benauwt me elk jaar bij het Kerstfeest weer, hoe bekend, hoe „gewoon" (!) Lukas 2 voor je kan gaan worden. Je weet het allemaal al en je leest ijskoud heen over de ontroerende, diep-aangrijpende inhoud van dit hoofdstuk.
Het wordt een sleur maar wat een wonder dat wij een God hebben, Die met Zijn Heilige Geest zelf ons dit hoofdstuk wil gaan voorlezen, en het zó laat klinken in onze oren, dat het wordt, als hadden wij het nog nooit gehoord! Dan worden ook wij verslagen over de leer des Heeren.
Er staat ook dat Sergius Paulus gelooft. Je kunt er natuurlijk hele beschouwingen over gaan houden, wat voor geloof dat geweest is, of hij alleen maar geloofde omdat hij dat teken gezien had, of wel of hij de Heere Jezus Christus als zijn Zaligmaker had aangenomen. Dergelijke bespiegelingen zijn zinloos. Je komt er toch niet uit.
Ik geloof persoonlijk, dat de woordkeuze van de tekst er wel op duidt, dat het geloof van de stadhouder oprecht is. Verder ben ik eerlijk gezegd een beetje blij, dat er niet meer bij staat. Het bewaart ons maar voor het maken van schema's. De Schrift is erg sober, we constateren het alweer.
Tenslotte nog een belangrijk puntje uit de geschiedenis van Sergius Paulus en Elymas: in vers 9 lees je, dat Saulus ook Paulus genaamd is. Tot dusver was hij Saulus genoemd, en wij deden dat ook. Nu gaat Lukas hern Paulus noemen en wij zullen hem ook hierin maar volgen. Er is over deze naamsverandering al heel wat gespeculeerd.
Bijvoorbeeld: omdat Sergius Paulus zijn eerste „bekeerling" was, gaat Saulus nu diens naam dragen. Dit is erg onwaarschijnlijk. Ook Calvijn wijst deze exegese af. De meest waarschijnlijke verklaring is deze: vrijwel alle vooraanstaande Israëlieten in de diaspora droegen in die tijd twee namen, een Griekse (of Latijnse) en een gewone Hebreeuwse. Welnu, Paulus zal Saulus' „internationale" naam geweest zijn. Lukas gebruikt de naam pas op de eerste zendingsreis. Het wordt de naam van de „apostel der heidenen".
Heel onmerkbaar neemt nu ook Paulus het leiderschap van het zendingsteam over van Barnabas. Let maar eens op het opvallende verschil in de volgorde der namen van de zendelingen tussen vers 7 en vers 13!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 januari 1969
Daniel | 16 Pagina's