JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

HET WOORD GAAT VOORT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET WOORD GAAT VOORT

7 minuten leestijd

(7)

Bidden en vasten

Christenen

Eindelijk mag Saulus dan aan het werk gaan in die van geestelijk leven bruisende gemeente van Antiochië. Barnabas, zo zagen we vorge keer, is hem komen halen in Tarsus en heeft hem geïntroduceerd in Antiochië. Gods belofte wordt heerlijk vervuld! Ook hier weer. Hij had beloofd: „Ik zal u ver tot de heidenen afzenden", en zie, na zoveel jaren wachten sticht God de eerste heidengemeente en Saulus mag er heen. Het was een bijzondere gemeente, die van Antiochië. Als ik zo eens lees wat er in Handelingen 11 van deze gemeente staat geschreven, dan zou ik er haast jaloers op worden. „Een groot getal geloofde" (Vs. 21) „en er werd een grote schare den Heere toegevoegd" (vs. 24) „zij leerden een grote schare" (vs. 26) De kerkelijke situatie in Nederland in het jaar onzes Heeren 1968 zou er bij een vergelijking met die in Antiochië in het jaar 45 bepaald niet best afkomen. En door heel de kerkgeschiedenis heen loopt de lijn van het verlangen, het heimwee naar de prille begintijd van het Christendom, toen heel het leven der gemeenten nog bruiste van de vervulling met de Heilige Geest, toen nog geen schisma's hadden plaatsgevonden, toen het hart van de jonge Kerk nog zo warm klopte van verwachting van de wederkomst des Heeren: Maran-atha! „Kom, Heere", of „de Heere komt!" Ik wil niet idealiseren. Dat heeft geen zin. Die eerste tijd was ook moeilijk. De misverstanden omtrent de inhoud van het Evangelie waren vaak enorm, lees maar een willekeurige brief van Paulus. En de eensgezindheid was wel groot, maar verbitteringen kwamen toen ook al voor: Paulus tegen Petrus, Paulus tegen Barnabas, twisten in de gemeente van Korinthe. En toch ik geloof dat de Kerk toen over het algemeen vuriger was, dichter leefde bij de Heere. De Kerk had toen wat zij nu vaak pas weer krijgt als er vervolgingen uitbreken. Ik zou het zo willen zeggen: er was minder meeloperij. Tegenwoordig kun je rustig tot de gemeente behoren, zonder dat dit je inkomsten, vrijheid of zelfs leven in gevaar brengt. Voor de eerste christenen was een kerkgang een daad van zeer ingrijpende betekenis: het zette vaak je hele bestaan op het spel!

Dat kerkgang sleur zou kunnen worden, was in de meeste gevallen ondenkbaar. En daarom: naar een vervolging mogen we weliswaar niet verlangen. Een verdrukking brengt onvoorstelbaar leed met zich mee. Maar toch meen ik, dat de kerkgeschiedenis bewezen heeft, dat elke vervolging louterend werkt. Alle meelopers vallen af.

„Historisch geloof" wordt ontmaskerd als ongeloof. En een ieder wordt dan voor de onontkoombare keus gesteld: waar is het mij om te doen? Om de Heere of om mijn eigen hachje? De moeilijkste tijden voor de Kerk zijn niet de tijden van vervolging. Dan wordt zij immers in de armen van de Heere gedreven. Dan roept zij uit de nood tot God, en dan beleeft het geloof zijn hoogtepunten. Neen, de moeilijkste tijden voor de Kerk zijn tijden als die, waarin wij nu leven. Tijden van welvaart, van rust, van vrijheid. Tijden waarin het mogelijk is boordevol onverschilligheid

naar de kerk te gaan en de prediking van het Evangelie aan te horen. Maar genoeg hierover.

Er is nog één ding, dat onze aandacht vraagt. In Antiochië worden de discipelen (d.w.z. de gelovigen) voor het eerst Christenen genaamd! Dat is wonderlijk. Waarom wordt de christennaam nu pas ingevoerd? Wel, tot nu toe had men de gelovigen gezien als een joodse sekte, zoals er zoveel waren. Immers: het Evangelie was slechts gebracht aan Joden en proselieten! Maar nu de boodschap der Verzoening ook aan heidenen is gebracht, kan de nieuwe „sekte" niet meer gezien worden als een onderdeel van het Jodendom. De heidenen horen al spoedig, dat de discipelen het vaak hebben over een zekere Jezus Christus. Welnu, wat ligt meer voor de hand, dan hen Christenen te noemen? En zo worden de gelovigen nóg genoemd, en het is hun een erenaam, omdat deze naam erop wijst, dat zij door het geloof lidmaten van Christus, en alzo Zijn zalving deelachtig zijn, opdat zij Zijn naam belijden, en zichzelf tot een levend dankoffer Hem offeren. (Heid. Cat. vr. 32).

Toen zei de Geest

De gemeente van Antiochië groeit snel. Er is reden om aan te nemen, dat één der heidenen, die hier bekeerd worden, ook de jonge dokter Lukas is geweest. Het spreekt vanzelf, dat er voor de geestelijke leidslieden van deze jonge gemeente handenvol werk is.

Wie zijn die leidslieden? Het is niet zo, dat er een predikant is, die wordt bijgestaan door een kerkeraad, bestaande uit ouderlingen en diakenen. De ambten tekenen zich in deze tijd nog niet zo duidelijk af. Er waren veel meer ambten dan nu. Handelingen 13 spreekt over „profeten en leraars". Er zijn er vijf. Wat moeten we ons voor voorstelling maken van deze „ambten"? De leraars zijn het gemakkelijkst thuis te brengen.

Zij geven onderricht aan degenen, die zich willen laten dopen, en ook aan de gemeenteleden, over de hoofdinhoud van de boodschap der Verzoening. Je zou kunnen zeggen: dat is hun beroep. De profeten hebben een heel andere taak. Het kan tijdens een dienst der gemeente gebeuren, dat zo'n profeet plotseling opstaat en een „profetie" geeft. Pas op: een profetie behoeft niet persé een toekomstvoorspelling te zijn. Het is veel meer een bekendmaking van de wil des Heeren in een bepaalde situatie. Als de gemeente ergens over in het ongewisse verkeert — doen of niet doen? — dan kan de profeet het beslissende woord spreken op gezag van de Heilige Geest.

Om even de lijn naar deze tijd door te trekken: als het goed is, vormt de prediking zoals wij die kennen, een soort kombinatie van lering en profetie, dus van onderricht in het Woord en van bekendmaking van de wil des Heeren. Maar het zou te ver voeren daarover door te gaan. Er zijn dus in Antiochië vijf van deze „profeten en leraars" (Hand. 13). Genoemd worden Barnabas en Saulus; die kennen wij al. Verder Simeon (bijgenaamd Niger, d.w.z. de zwarte), Luciu.s van Cyrene en Manahen. De laatste is samen opgevoed met Herodes de viervorst, d.i. Herodes Antipas, de moordenaar van Johannes de Doper. Er staat van deze vijf geschreven, dat zij „de Heere dienden en vastten".

Wat moeten we ons hier nu weer bij denken? Het „dienen van de Heere" ziet hier waarschijnlijk op het gebed. Het is hun begeerte de Heere te kennen in alles wat zij voornemens zijn te doen. En zij vasten! Wat zou er veel over dat vasten te zeggen zijn! Het is bij de reformatorische christenheid wat in discrediet geraakt, dat vasten, waarschijnlijk doordat de Rooms-Katholieke Kerk er zo'n karikatuur van heeft gemaakt, ja, het zelfs als verdienste zag. Toch is het merkwaardig, in art. 66 van de Dordtse Kerkorde te lezen: „In tijden van oorlog, pestilentie, dure tijd, zware vervolging der kerken en andere algemene zwarigheden, zullen de dienaars der kerken de overheid bidden, dat door hare autoriteit en bevel, openbare v a s t d a-g e n en biddagen aangesteld en geheiligd mogen worden". Die biddagen kijken ons niet zo vreemd aan, maar vastdagen Ik dacht dat het goed was te erkennen dat het vasten een voluit b ij b e 1 s begrip is. Trouwens, verrassend veel theologen uit de Reformatie en de Nadere Reformatie hebben voor het vasten gepleit. Want wat is vasten? De Schrift leert, dat het, juist als het gebed, een middel is, de gemeenschap des Heeren te zoeken. Als er zéér belangrijke dingen op het spel staan, lezen we in het boek Handelingen, dat de gelovigen eerst vasten en bidden, alvorens over te gaan tot de daad. Zijn wij hier bovenuit gegroeid? Eén eventueel misverstand wil ik nog uit de weg ruimen: vasten wil niet zeggen: totaal geen voedsel tot zich nemen. Het heeft een wijdere, diepere betekenis. Maar daarover hopen we de volgende keer nog wat na te denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1968

Daniel | 16 Pagina's

HET WOORD GAAT VOORT

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1968

Daniel | 16 Pagina's