Gereformeerde Gemeente en jeugdwerk
Het lijkt haast mode te worden onze maatschappij steeds meer te gaan zien in het licht van dat telkens herhaalde woord: jeugd. Ik kan mij voorstellen, dat de wat oudere generatie haar bedenkingen, misschien wantrouwen heeft tegen die overbelichting van jeugd en jeugdproblematiek, zoals thans op allerlei manieren
Overspannen beeld
plaats vindt. Er wordt door enthousiaste deskundigen, gesteund door de middelen van de moderne voorlichting, een overspannen beeld van de jeugd geschapen, dat meer getuigt van de koortshitte van onze samenleving, dan van een werkelijke belangstelling voor de jeugd. Er wordt zo ook een gestandaardiseerd beeld van de jeugd getekend, dat in werkelijkheid alleen maar in meerdere of mindere mate geldt voor een betrekkelijk klein deel daarvan. En wel dat deel, dat opvalt doordat het politiek en geestelijk op drift is geraakt.
Ik kan mij daarom ook indenken, dat de jongeren, die behoren tot het kerkelijk verband, waarin wij leven, zich niet in het minst aangesproken voelen door de verlangens en wensen die aan dat deel der jeugd, waarvan hiervoor gesproken werd, eigen schijnen te zijn. En wel om de heel eenvoudige reden, dat de jongeren in onze kring in geen enkel opzicht het gevoel hebben tot dat jeugdtype te behoren.
Wanneer in dit artikel gesproken wordt over jeugd, moeten wij daarom in het belang van een zuivere en zakelijke benadering van de vragen om de begrippen „jeugd" en „jeugdwerk" ons losmaken van de sfeer, waarmij zij door een overspannen publiciteit worden omgeven.
Andere behoeften en verlangens
Om het kort samen te vatten: de jongeren behorende tot het kerkelijk verband, waarin wij leven, hebben heel andere behoeften en verlangens, heel andere vragen en problemen. Zij zoeken geen verwijdering, zij wensen geen kloof der generaties. Zij verwachten en vertrouwen, dat de vragen en moeilijkheden. waarvoor een zich ontzaglijk veranderende samenleving hen buiten hun wil plaatst, zullen worden besproken en beantwoord vanuit de eigen kring.
Zij zoeken geen conflict, zij vragen contact en leiding door gesprek, begrip en voorbeeld in de ruimste en diepste zin van het woord. Jeugd in onze kring is niet eisend, zij is vragend. Veeljarige onverwachte ervaring met deze jeugd op het terrein van het onderwijs heeft mij de overtuiging gegeven van dit eigen karakter van d.e jeugd in onze kerkelijke kring. Ik durf die overtuiging voor te leggen aan de ouderen, die dit artikel lezen en die de gaven bezitten om op deze roep van deze jeugd in te gaan.
Dat betekent, dat wanneer in onze kringen over jeugd en jeugdwerk gesproken wordt, niemand deze begrippen mag gelijkstellen met de leuzen en portretten waarmee een overspannen reclame deze begrippen omgeeft. Het betekent ook, dat niemand die in onze kring verantwoordelijkheid draagt, zich geirriteerd mag voelen, wanneer het vraagstuk „jeugd" ter tafel komt. Het houdt in de verplichting, dat ieder, die de waarheid liefheeft, d.ie de gaven voor gesprek met en leiding van deze jeugd ontvangen heeft, zich met liefde, begrip tot deze jeugd begeeft om haar tot deze waarheid te leiden, voor deze waarheid te behouden. Ik zou het zelfs nog positiever willen
uitdrukken: er moet aandacht komen voor de vele mogelijkheden, die in het raam van deze tijd gezien, in onze jeugd nog braak liggen, en daarom te mobiliseren zijn.
Dat is geen idealiseren van deze jeugd of overschatten van haar mogelijkheden. Het is een eenvoudige conclusie uit de feiten. In een tijd, waarin een groot deel van de jeugd met de beste bedoelingen kansen zoekt op de maatschappelijke ladder, opgaat in de techniek en welvaart, heeft het wel heel wat te zeggen, dat er onder ons vele jongeren zijn, voor wie de godsdienst nog betekenis heeft, die zoeken naar een fundament voor hun leven, die zich niet van hun kring willen losmaken, maar integendeel daarin willen opgenomen worden. Uit ervaring weet ik dat veel tot oordelen bevoegde persoonlijkheden uit
andere kringen ons benijden om dit onverbruikte geestelijke kapitaal, dat in onze jeugd sluimert. Maar om te bereiken, dat zij voor onze kring behouden wordt, moeten we een open oog hebben voor de moeilijkheden, waarvoor deze ondoorgrondelijke wereldwending, die wij beleven, ouderen en vooral jongeren plaatst.
Vragen en moeilijkheden
„Vragen en moeilijkheden, waarvoor een ontzaglijk veranderende samenleving hen plaatst" schreef ik hiervoor. Welke zijn zij? Het is haast gewoonte gewerden om in antwoord hierop een reeks van veranderingen te beschrijven, die onze eertijds zo rustige, stabiele, haast landelijke Nederlandse samenleving heeft omgevormd tot een dynamische industriële maatschappij. Hoe juist dit op zichzelf moge zijn, ik geloof dat de lezer zich daarin wat verlaten zou voelen, omdat hij daarin niet direct zijn eigen situatie herkent. Laat ik daarom proberen dicht bij de werkelijkheid te blijven, die ouderen en jongerenin hun levenssituatie meemaken. Het isolement, waarin onze kring lang geleefd heeft, is doorbroken. Met isolement bedoel ik niets anders, dan dat de maatschappij vorm van enkele tientallen jaren geleden ons nog de mogelijkheid gaf werkelijk in onze kring te leven, omdat de kerkelijke kring voor het grootste deel samenviel met de dagelijkse levenskring. Heel eenvoudig gezegd, wat 's zondags werd gehoord, werd door de week bevestigd, omdat beroep en bedrijf zich voor een groot deel binnen de veilige ommuring van het kringleven afspeelden. Dat gold de dorpsgemeenten en zelfs het bescheiden aantal grotestadsgemeenten, dat onze kring telt. Kerk, gezin, school en beroep kenden veel meer eenheid dan gescheidenheid.
Verbreking van dit isolement is niet gezocht, maar is door de druk van de maatschappelijke ontwikkeling in onbegrijpelijk korte tijd ons opgedrongen en een probleem geworden van de grootste betekenis voor onze kring in kerkelijke en maatschappelijke zin. Een probleem van zo diepe betekenis, dat ieder, die verantwoordelijkheid draagt voor het behoud, van Schrift en belijdenis in onze kring, zijn verantwoordelijkheid alleen dan kan beantwoorden, wanneer hij dit probleem in al zijn consequenties tracht te doorgronden.
De bestaanseisen van de maatschappij hebben jongeren en ouderen in hun onvermijdelijke greep gekregen. De honderden beroepen, die de moderne maatschappij kent, betekenen een noodzakelijke scholing, waarvoor de eigen kring niet de mogelijkheden bezit. Wij hebben de gehele beroepsscholing aan anderen moeten overlaten. Dat betekent een dagelijks contact met een ander opvoedingsmilieu. De gevolgen zijn nog veel ingrijpender. Het beroep zelf brengt immers mee, dat een groot deel van de jeugd de dag doorbrengt in fabriek en kantoor. In milieus dus, waarin zij staat temidden van andersdenkenden, waar andere waarden gelden, waar een andere geest heerst, het leven in een ander licht wordt gesteld. Het betekent, dat de kerkelijke levenskring en de dagelijkse in de praktijk steeds meer uiteen gaan liggen.
Als gevolg daarvan wordt deze jeugd gesteld voor de vragen, die in de ontmoeting en het dagelijks gesprek met anderen tot hen komen, voor de noodzaak van de verantwoording van het eigen standpunt, dat zij uit kerk en gezin heeft meegekregen. Vragen, die bezinning op het eigen standpunt eisen, Vragen, die door hen worden doorgegeven aan d.e kring, waarin zij leven. Vragen, die in het gezin maar ten dele kunnen worden beantwoord, omdat het in zijn kerkelijke beslotenheid niet is ingesteld op die aanraking met een revolutionnaire wereld.
Verschraling van het kringleven
Laten wij daarnaast ook oog hebben voor de omstandigheid, d.at zij, die het gezin leiding geven, vaak zelf overbelast zijn door de veeleisende arbeid, die deze maatschappij van hen vraagt. Ook oog hebben voor het feit, dat het gezinsleven vaak ongemerkt verbrokkeld wordt omdat oud en jong vaak volledig in beslag genomen worden door eigen arbeid en eigen problemen. Eerlijkheid gebiedt daarenboven te zeggen, dat ook onder de ouderen het kringleven is verschraald. Het besef tot één gemeenschap te behoren, die door eenzelfde erkennen van Schrift en belijdenis wordt saamgebonden, is voor ouderen soms verplaatst naar de herinnering aan betere tijden, en daarom voor de jongeren niet meer zo sprekend als het behoorde te zijn.
Daarom: jeugdwerk
De verschraling van het kringleven, waarop wij ons moeten bezinnen, mag onder geen beding onder de jeugd worden voortgezet. Hier kan de betekenis van het
jeugdwerk duidelijk worden: het is een noodzakelijk antwoord op de vragen, die uit een breed contact met een anders gerichte maatschappij voortvloeien. Een noodzakelijke aanvulling van het overbelaste gezinsleven. Een contact tussen in hun zoeken gelijkgestemde jongeren, die zich onder bekwame leiding opnieuw bewust kunnen worden van de betekenis van hun behoren tot een kring en de band met de Schrift en de belijdenis kunnen vasthouden.
Dat geldt ook vooral hen, die in deze maatschappij de mogelijkheden van de middelbare opleiding gaan benutten. De greep, die onze kring heeft op de middelbare opleiding, die de weg opent naar de universiteit, ontbreekt geheel. Dat houdt in, dat een buitengewoon belangrijk deel van de opvoeding van onze jeugd toevertrouwd wordt aan instellingen, die zich vaak radicaal tegenover onze opvattingen opstellen. En de universiteit? Wat een geweldig probleem ligt daar nog volledig onbeantwoord vanuit onze kring!
Jeugdwerk is in beginsel het antwoord op de overmacht van de moderne tijd, die de muren en dijken van onze gemeenten, wat de jongeren betreft, kan overstromen. Een antwoord, d.at met de grootste oprechtheid, liefde, opofferingen en zelfverloochening door ouderen en jongeren binnen de grenzen van Schrift en belijdenis moet worden gevonden. Het is een begin, een omtrek, die steeds opnieuw zal moeten worden gevuld, willen wij met recht beweren, dat wij de Schrift en de belijdenis als waarheid erkennen. Een taak, die een eis stelt aan de ouderen, een beroep doet op hun gaven, verdieping, kennis, studie van hen eist. Een taak, die van de jongeren antwoord, erkenning, gehoorzaamheid vraagt. Het gaat in wezen om het behouden van onze jeugd voor d.e waarheid, in een periode waar de maatschappelijke ontwikkeling en haar weten en kunnen zich richten tegen de autoriteit van de Schrift, tegen de belijdenis, tegen de christelijke zeden. Jeugdwerk in een dergelijke periode is geen overdaad, geen zucht tot nabootsing van anderen. Het is een noodzaak, zó groot, dat het een oproep inhoudt tot ons allen om te doen wat onze hand vindt om te doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 november 1968
Daniel | 16 Pagina's