GEZAG (3)
In het vorige nummer van Daniël hadden we het over het gezag van Gods Woord in geloof en wetenschap. Wij geloven, dat God de hoogste gezagsdrager is en dat de Bijbel zijn Woord is. De Heilige Geest leert het ons. Wij kunnen het niet bewijzen. Wij willen dat ook niet doen. Als de Goddelijke openbaring in strijd schijnt met de wetenschappelijke vindingen zullen wij ons oordeel opschorten en niet beginnen met te kiezen voor de wetenschap.
Wij hebben ook gezien dat de Heere sommige mensen met gezag bekleedt. De gezagsdrager-s — in de kerk heten ze ambtsdragers — mogen gehoorzaamheid verlangen; ze hebben de plicht om dat met wijsheid en liefde te doen. De anderen moeten gehoorzamen; ze behoren geduld te hebben met de zwakheid en gebreken van de gezagsdragers. Zonder een gezagsordening is er een chaos, waarin het leven niet mogelijk is. Daarom tracht de satan, die uit is op de ondergang van de mens, te verleiden tot ongehoorzaamheid en gezagsondermijning. De Heere Jezus heeft in de woestijn bloot gestaan aan deze verzoeking tot ongehoorzaamheid. Hij heeft zich verweerd met te verwijzen naar Gods gebeden: „Er staat geschreven ", Handelingen 4. Als wij in dat spoor gaan zal Hij ons voor struikelen bewaren.
Intussen is er een moeilijkheid. Het is namelijk zo dat op verschillende plaatsen in de wereld de opvattingen over gezag en orde uiteenlopen. Nog sterker, op dezelfde plaats zie je met het verstrijken van de tijd een gezagspatroon veranderen. Met de tijden veranderen de zeden en gewoonten. Bijvoorbeeld: in tegenstelling tot vroeger zien we steeds meer jongelui uit onze milieus op kamers gaan wonen. Wat is nu goed? Zij, die hiermee zitten, hebben ook moeite met het woord „gehoorzamen." Bij sommigen, onder wie vele jongeren, heeft het woord een nogal onsympathieke klank. Zij denken daarbij aan slaafs volgen; aan onzelfstandigheid; aan discipline en macht en misbruik er van; aan een gevestigde orde, waarin degenen die het voor het zeggen hebben te willekeurig hun wil en mening aan een ander opleggen; aan onvoldoende gelegenheid krijgen tot inspraak; aan een te veel vasthouden aan wat nu eenmaal gebruikelijk is. Een jongeman die zo denkt is bijvoorbeeld geneigd op kamers te gaan omdat het mode is. Wel moeten we nuchter blijven en bedenken dat voortvarendheid en kritische zin bij jonge mensen geen ondeugd is. Anderen, en soms zijn het ouderen, reageren op deze geluiden als volgt. Ze weten hun plaats niet; ze zijn brutaal; ze moeten eerst, maar eens wat presteren; wat meet er veranderd worden, het gaat toch goed; we hebben toch het beste met hen voor, maar ze zijn er nog niet aan toe; ze moeten nog zoveel leren. Een ouder die zo denkt zal tegen een jongeman, die cp kamers wil, zeggen: „Dat moet je niet doen, het is bij ons niet de gewoonte, je hebt het nergens beter dan thuis." Ook hier gebiedt realisme te bedenken dat bij ouderen een zekere bezonnenheid past.
U en ik kennen deze geluiden. We horen ze in de gezinnen, in de kerk, op het werk, in de politiek, buiten en binnen de chris-
lelijke gemeente. De redenen voor beide uitspraken zijn vele. Onze tijd kenmerkt zich door het wegvallen van vele tradities en gewoonten en door een enorme gezagscrisis. Er vindt een omkering plaats van vele waarden. Wat vroeger gezag had heeft het nu niet meer. De industrialisatie heeft vele veranderingen in ons levenspatroon tot gevolg. Dorpen worden veranderd in steden. Technisch is veel mogelijk. De welvaart schept mogelijkheden, die vroeger voor onmogelijk werden gehouden. De kennis vermeerdert onder ons. Het aantal jongelui uit onze milieus dat naar de universiteiten gaat neemt snel toe.
Wat is hier nu aan te doen? Is een traditie waard om er koste wat kost aan vast te houden? Moeten we de ene gewoonte vergelijken met de andere? Of is er een regel, waaraan uiteindelijk iedere gewoonte moet worden getoetst, waarnaar jongeren en ouderen zich dienen te richten? Om bij het voorbeeld van het op kamers gaan te blijven. Is er een maatstaf, die voor beiden, de jongeman en de ouder, geldt?
Zo'n regel is er. Gods Woord, de regel voor leer en leven. Naar die regel behoren allen zich te gedragen. Gezagsdragers — ouders, ambtsdragers, chefs, politieke overheden —, die mogen bevelen, en de mensen die gezag moeten aanvaarden — kinderen, gemeenteleden, werknemers, landgenoten —, die moeten gehoorzamen, samen dienen zij zich te scharen rond de Heilige Schrift. Daar vinden we het grote gebod, waarin alle andere geboden zijn vervat. God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. Gods Woord gaat niet direkt in op de feiten maar geeft een richting aan. De Heere propageert niet alles zo snel mogelijk te veranderen of de dingen te laten zoals ze zijn. De Heere wijst de vooruitstrevenden en de behoudenden samen naar Christus. „Gij kinderen, zijt uw ouders gehoorzaam in den Heere", Ef. 6:1; „En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt ze op in de lering en vermaning des Heeren, " Ef. 6 : 4. In het voorbeeld van het op kamers gaan, verwijst de Heere beiden naar een gesprek, waarin ze als voor Zijn aangezicht, openhartig alle factoren bespreken. Zo ook in de arbeidsverhoudingen. De Heere propageert niet de opheffing van de slavernij, maar verwijst werkgever en werknemer naar Christus, in Wie beiden vrij zijn. „Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam, gelijk als aan Christus, " Ef. 6 : 5. „En gij heren, weet dat ook uw eigen Heer in de hemelen is, " Ef. 6 : 9. Lees over de overheid Romeinen 13 en over de kerk 1 Petrus 5 vers 1 tot 12.
De Bijbel geeft ook de grenzen van het gehoorzamen aan. De christen zal niet gehoorzamen in dingen die strijden tegen het Woord Gods. Lees over de emancipatie van de vrouw Ef. 5 : 22 e.v.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1968
Daniel | 16 Pagina's