HET WOORD GAAT VOORT (6)
Tien jaar wachten
Wachten
Vorige keer zagen wij, hoe Saulus in de tempel te Jeruzalem een openbaring kreeg van de Heere, waarin hem werd bevolen, in der haast uit Jeruzalem weg te gaan: „want zij zullen uw getuigenis van mij niet aannemen". Tevens zagen we, dat ook de discipelen in Jeruzalem begrepen, dat het voor Saulus hoog tijd werd, de stad te verlaten. Met spoed pakt Saulus nu zijn weinige bagage bij elkaar en vertrekt uit Jeruzalem. Enkele broeders gaan met hem mee. De weg is lang en vol gevaren. Pas bij de stad Cesarea nemen de vrienden afscheid. De broeders gaan terug naar Jeruzalem, maar Saulus heeft nog een grote reis voor de boeg. Hij heeft besloten naar zijn vaderstad, Tarsus, te gaan. Hé, wat is dat nu? De Heere heeft toch beloofd hem ver tot de heidenen te zullen afzenden? Waarom gaat Saulus dan nu niet direct aan het prediken? Wel, het is Saulus duidelijk, dat het 's H e e r e n t ij d nog niet is. Hij heeft nu een rijke belofte van God ontvan-gen, maar weet nog niet wanneer de Heere Zijn belofte zal vervullen. Als we scherp letten op de kerkelijke situatie in die tijd, begrijpen v/e trouwens direct waarom Saulus nog niet aan de slag kan gaan. De gemeenten zijn nog niet r ij p voor heidenzending. Het Evangelie van Jezus Christus is tot nog toe slechts gepredikt aan Joden en aan proselieten, d.w.z. heidenen, die zich uit liefde voor de God van Israël hadden laten besnijden en de joodse gebruiken in acht. namen. Pas n a - d a t Saulus naar Tarsus is vertrokken, lezen we in Handelingen 10 van Cornelius, aan wie het Evangelie wordt verkondigd. Cornelius was een heiden, en geen proseliet, maar een z.g.n. „Godvrezende", d.w.z. een heiden, die zich weliswaar niet had laten besnijden, maar zich wel sterk tot de joodse godsdienst aangetrokken voelde. Zo zien we dus, dat de kring van mensen, aan wie het Evangelie wordt gebracht, steeds wijder wordt. Eerst Joden, dan ook proselieten, dan Samaritanen (Hand. 8), en nu, met Cornelius, ook „Godvrezenden". Maar nu is het ook duidelijk, dat de Gemeenten nog niet toe zijn aan zending onder de
heidenen, mensen dus, die zich totaal niet interesseren voor de joodse religie. En daarom moet Saulus wachten van de Heere. Het is echter de vraag, of Saulus zelf het zinvolle van die lange wachttijd heeft ingezien. Het is maar goed, dat hij het geduld en het geloof gekregen heeft, al die lange jaren in Tarsus te wachten op Gods tijd. Want stel je eens voor, wat er gebeurd zou zijn, als Saulus tóch op zijn eentje aan het prediken onder de heidenen zou zijn geslagen. Dan zou hij zonder de zegen des Heeren zijn gegaan, en zijn werk zou een falikante mislukking zijn geworden. En de reactie van de gemeente van Jeruzalem zou dan zeker geweest zijn:
„Wat denkt die Saulus wel? Hoe haalt hij het in zijn hoofd op eigen houtje aan de heidenen te gaan preken? Natuurlijk moest dit mislukken!".
We moeten goed in het oog houden, dat in de gemeente van Jeruzalem zéér grote reserves bestonden tegen zending aan de heidenen. De bezwaren tegen de heidenzending zijn pas later met veel moeite overwonnen.
Maar nu moet Saulus nog wachten in Tarsus. Hoe lang heeft dat wachten geduurd? Het is erg moeilijk een goed overzicht te krijgen van het leven van Saulus, maar het is waarschijnlijk, dat hij maar liefst ongeveer tien jaar heeft gewacht op een nieuwe roeping van de Heere. Tien lange jaren heeft hij in Tarsus zijn oude beroep van tentenmaker uitgeoefend. Wij zijn geneigd te redeneren: wat ontzettend zonde van de tijd! Want zo jong is Saulus nu toch ook niet meer. Toen hij in Tarsus aankwam, zal hij ca. 30 jaar zijn geweest. Waarom moet hij dan nu tot zijn veertigste levensjaar wachten? Als we zo spreken, hanteren we echter weer menselijke maatstaven.
Wij zeggen: een 30-jarige is op het zendingsveld meer waard dan een 40-jarige. De Schrift zegt: dat is alleen maar waar, als die 30-jarige in Gods gunst werkt. Anders moet hij wachten, desnoods tot zijn veertigste. Wie denkt niet aan Mozes, die veertig jaar de kudden van Jethro moest weiden, vóór het Gods tijd was?
Het geloof moet ook leren wachten. Dit geldt voor de kleinste, onbeduidendste dingen in ons leven. Als we aarzelen of een bepaald plan van ons wel naar de wil des Heeren is, moeten we het niet ten uitvoer brengen. Dan éérst de toevlucht nemen tot de troon Gods, en vragen: Heere leid mij op Uw weg. Bewaar mij voor eigen gekozen wegen. Ja, want aan de gunst des Heeren moet ons alles gelegen zijn.
Weer Barnabas!
Wat zullen die tien jaar in Tarsus voor Saulus vol aanvechtingen zijn geweest! Want waar blijft nu de vervulling van Gods beloften, dat hij ver naar de heidenen zou worden afgezonden? Zou heel die „vertrekking van zinnen" geen zelfbedrog zijn geweest? Heeft hij maar niet wat gedroomd? Zo zullen Saulus' gedachten zich wel eens hebben vermenigvuldigd. Maar toch heeft de Heere hem niet aan deze aanvechtingen overgelaten. Het is waarschijnlijk in deze tijd van wachten in Tarsus, dat Saulus ervaren heeft wat hij beschrijft in dat wonderlijke hoofdstuk 2 Korinthe 12. Daar heeft hij het over een hemels gezicht dat hij heeft ontvangen. Uit ootmoed spreekt hij over zichzelf als „een mens in Christus". Hij zegt, dat hij opgetrokken is geweest tot in de derde hemel, ja, in het paradijs. Daar heeft hij onuitsprekelijke woorden gehoord, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken. Hij spreekt over deze ervaring dan ook met heilige schroom. Wij moeten er dan ook verder maar niet over gaan - fantaseren. Vast staat wel, dat de tienjarige wachttijd in Tarsus voor Saulus' zieleleven echt geen slechte tijd is geweest. Ongetwijfeld heeft hij talloze malen de Heere gesmeekt om vervulling van Zijn belofte. En als wij de Heere Zijn eigen Woord voorhouden, kan Hij ons wel lang laten wachten, maar verhoren zal Hij ons altijd. Want Hij maakt Zijn Woord waar.
Dat doet Hij ook in Tarsus. Want wie ziet Saulus daar op zekere dag, totaal onverwacht, stralend van vreugde, vóór zich staan? Barnabas, de zoon der vertroosting! Wéér, net zoals tien jaar geleden in Jeruzalem, wordt Barnabas voor Saulus tot een echte „zoon der vertroosting". Wat een weerzien zal dat zijn geweest!
Saulus brandt van nieuwsgierigheid wat zijn vriend komt doen. En dan doet Barnabas een lang verhaal. In die tien jaar dat Saulus in Tarsus vertoefde, zijn er voor het Evangelie wereldschokkende dingen gebeurd (zie voor heel deze geschiedenis Hand. 11 : 19-26).
Toen Stefanus was vermoord, was een groot gedeelte van de gemeente van Jeruzalem uitgezwermd naar het noorden. Overal waar zij kwamen spraken al deze gelovigen van de Naam van Jezus Christus. Overal werden deze eenvoudige getuigenissen door God gezegend. Maar: al deze broeders brachten het Evangelie alleen aan Joden en aan proselieten! Tot de heidenen werd de boodschap van verzoening niet gebracht. Maar nu waren er en-
kele broeders uit Cyprus en uit Cyrene, die op hun zwerftocht de grote Syrische stad A n t i o c h i ë aandeden. En zie: deze eenvoudige gelovigen spraken daar niet alleen tot Joden en proselieten, maar ook tot de heidenen!
En de hand des Heeren was met hen, en een groot getal geloofde, en bekeerde zich tot de Heere. We moeten goed begrijpen, welk een enorme omwenteling dit was in de geschiedenis van de jonge kerk. Hoe zou de gemeente van Jeruzalem daar wel niet op reageren? Geweldige moeilijkheden zouden zich voordoen: moesten deze heidenen zich nu b.v. ook laten besnijden? Het duurde niet lang, of het gerucht van de heidenzending in Antiochië bereikte de gemeente van Jeruzalem. En toen nam deze gemeente een zeer gelukkig besluit: ze zond Barnabas op onderzoek uit. Deze kwam te Antiochië en zag de genade Gods. En geen moment aarzelde deze man, die „vol was des Heiligen Geestes en des geloofs": dit werk is uit God. En hij verblijdde zich! Maar tegelijkertijd zag hij scherp, hoe de situatie uit de hand dreigde te lopen: het aantal heidenen dat tot geloof kwam vermenigvuldigde zich snel in de gemeente, en grote problemen dreigden. Er moesten bekwame voorgangers komen, en wel zo spoedig mogelijk!
En toen dacht Barnabas aan Saulus. En God gaf hem de verzekering in zijn hart: het is goed. Ga hem halen, en zeg hem, dat het nu Mijn tijd is! En zo komt het, dat Barnabas plotseling voor Saulus staat. Het wachten is voorbij. Het werk gaat beginnen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 november 1968
Daniel | 16 Pagina's